blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Lier Rudy van

De Van Lierlezing 2016; een persoonlijk verslag

door Fred de Haas

Het is vrijdag 10 juni, vroeg in de avond. Studenten hangen landerig op de stenen banken voor de Universiteitsbibliotheek. Op de parkeermeter staat dat ik 2 euro per uur moet betalen. Ik loop tegen de helling van het bruggetje over de Witte Singel, op weg naar het Lipsiusgebouw van de Leidse Universiteit waar dr Leo Balai die avond zal spreken over ‘Roots and Reparations’. In het kader van de tweejaarlijkse Van Lier-lezing. read on…

Foto-impressie Rudolf van Lier-lezing

Op vrijdag 10 juni jl. hield Leo Balai aan de Universiteit Leiden de vijfde Rudolf van Lier-lezing van de Werkgroep Caraïbische Letteren, getiteld Roots en Reparations; Over de verwerking van het slavernijverleden. Daarin ging hij in op de behoefte van nazaten van slaafgemaakten om te achterhalen waar uit Afrika zij oorspronkelijk afkomstig zijn. read on…

De Rudolf van Lier-lezing 2016: Leo Balai

Roots en Reparations
Leo Balai houdt op 10 juni de Van Lier-lezing in Leiden

Waarom gaan nazaten van voormalige slaven uit Noord- en Zuid-Amerika en het Caraïbisch Gebied op zoek naar hun roots? Wat treffen zij aan in Afrika, hoe verlopen hun contacten met de lokale bevolking en wat komen zij over hun voorouders te weten? Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de genoegdoening die nazaten eisen voor het onrecht dat hun voorouders is aangedaan? Waaruit bestaan de gevraagde reparations, welke wegen worden er bewandeld om compensatie te verkrijgen en hoe worden deze initiatieven beoordeeld? read on…

Eenheid in verscheidenheid

door Sandew Hira

Onlangs kreeg ik het artikel onder ogen van Jnan Adhin uit 1957 getiteld ‘Eenheid in verscheidenheid’. Het wordt weer verspreid via internet o.a. door Carlo Jadnanansing. Adhin stelt de vraag ‘hoe van de heterogene bevolking één Surinaams volk te maken, zonder dat daarbij gevaarlijke spanningen optreden’. Die vraag heeft niet aan actualiteit verloren. read on…

Aminata Cairo

Volgende week vrijdag, 27 juni 2014, geeft Aminata Cairo in Leiden de vierde Rudolf van Lier-lezing (klik hier voor exacte informatie).  Hieronder de informatie die haar universiteit, de Southern Illinois University in Edwardsville, over haar geeft. read on…

Aminata Cairo geeft vierde Rudolf van Lier-lezing

Krioro dansi: Dansen om Afro-Surinaamse identiteit te verkennen
Vrijdag 27 juni 2014
Aminata Cairo
Faculteit Geesteswetenschappen, Lipsius Gebouw, zaal 011, Cleveringaplaats 1, Leiden
Suriname staat bekend als een land waar diverse etnische groepen in harmonie met elkaar samenleven. Toch is de realiteit van een multiculturele samenleving niet zelden een andere.  Ruimte creëren voor identiteit kan uitermate ingewikkeld zijn. In haar lezing zal Aminata Cairo ingaan op vormen van Afro-Surinaamse identiteitsbeleving aan de hand van een studie over Afro-Surinaamse dans, die zij tussen 2003 en 2005 in Suriname uitvoerde.

read on…

Geslaagde bijeenkomst SDSG te Amsterdam

“Werken aan geestelijk welzijn Surinamers belangrijk”

door Ludwich van Mulier

Amsterdam 27 oktober 2013. Het Surinaams Dichters- en Schrijversgenootschap dankt iedereen die aanwezig was voor de inhoudelijke bijdragen. Op korte termijn wil het SDSG-opgericht in 1999 – vernieuwingen doorvoeren in het bestuur, aldus voorzitter Ludwich van Mulier, die uitleg gaf over het functioneren over de landelijke organisatie voor Surinaamse letterkunde & kunst. Winston Loe (leraar/dichter/schrijver)en Eugenia Smits (Lerares/Jeugdliteratuur/dichteres), voorgestelde kandidaat-bestuursleden, droegen voor uit eigen werk. De aanwezigen brachten eerbetoon aan de inleider Max Sordam. Max Sordam, Sranantongo deskundige, deed de mededeling dat er samen met het SDSG gewerkt wordt aan het standaardwoordenboek Sranan, dat op korte termijn verschijnen zal. Ludwich van Mulier is reeds geruime tijd bezig met de voorbereidingen voor de heruitgave van het Sranan woordenboek van Max Sordam, dat onder auspiciën van de Sranan Akademiya /Paramaribo, met o.a. medewerking van drs Hein Eersel werd uitgegeven. Er wordt gestreefd naar een standaardwoordenboek met etymologie, fonologische informatie en syntaxis; geredigeerd door voor het leven benoemde redacteuren, op basis van de versie van het woordenboek van de icoon Max Sordam. Naar analogie van het standaardwoordenboek Nederlands; de “Dikke Van Dale”-Nieuw handwoordenboek der Nederlandse Taal, zal gewerkt worden naar de Surinaamse “Dikke Sordam”, waarin de verschillende uitgaven van diverse deskundigen zullen worden geïntegreerd. Taalbeschrijving en standaardisering worden niet van bovenaf opgelegd, maar zijn processen die door deskundige begeleiding kunnen uitmonden in algemene erkenning, toepassing en prestige. De aanwezigen waren het met Max Sordam eens dat er een eind moet komen aan de verschillende schrijfwijzen van het Sranan en dat de adviezen en richtlijnen van de Sranan Akademiya, gesanctioneerd door meerdere regeringen, zullen worden gevolgd.

Max Sordam. Foto © Guilly Koster

Het SDSG riep op om met zijn allen te werken aan het geestelijk welzijn van het Surinaamse volk, dat in een impasse is komen te verkeren. Dit is mogelijk door o.a. de Surinaamse dichters en schrijvers aan te moedigen ende letterkunde ,meer en gericht te promoten; dat is immers een van de doelstellingen van het SDSG. Er wordt door het SDSG intern onderzoek gedaan naar de postume loutering van Prof. dr. Herman Wekker en prof. dr. Rudolf van Lier, pleitbezorgers van de Surinamistiek. Ex-bestuurslid, schrijfster Mechtelly Tjin A Sie werd ook genoemd als icoon/ ex-bestuurslid van het SDSG en medeoprichtster van Schijversgroep 77, die nooit vergeten zal worden en gepast zal worden geëerd voor haar bijdragen aan de Jeugdliteratuur. Surinaamse dichters en schrijvers in Suriname en Nederland, en belangstellenden in de Surinaamse letterkunde en Surinamistiek worden opgeroepen zich aan te sluiten bij het SDSG. U bent allen van harte welkom. telefoon: 0626876887; masusaworld@gmail.com.

Konmakandra opgeluisterd met toegift McLeod

Auteur Cynthia McLeod vertelt over de aankomst, ontscheping en veiling van slaven tijdens de Kon makandra georganiseerd door de Universiteitsbibliotheek. Hierbij las ze een stukje uit haar nieuwe roman Tutuba, het meisje van de Leusden voor. Foto © Claudio Barker.

 

door Audry Wajwakana
Paramaribo – Zuchtend en hoofdschuddend luistert het publiek aandachtig naar het verhaal over het gezonken slavenschip Leusden. Tijdens de konmakandra van de Universiteitsbibliotheek in verband met de jubileumherdenkingen slavernij en immigratie, leest schrijfster Cynthia Mc Leod een stukje voor uit haar nieuwe roman Tutuba, het meisje van de Leusden.
Mc Leod vertrekt morgen naar Nederland waar ze de activiteiten voor de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij zal bijwonen.
Tentoonstelling
Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam heeft het slavenschip de Leusden nagebouwd en laat dat zien tijdens de tentoonstelling die woensdag wordt geopend en waar McLeod aan meedoet. “Het is zodanig in elkaar gezet, dat je het gevoel hebt dat er echte mensen daar liggen.” Er zijn vijfhonderd genodigden, die opgesplitst zullen worden in groepen van honderd, waarbij Mc Leod ook een stukje van haar roman in het ruim zal voorlezen. Van de ongeveer zevenhonderd vervoerde ‘slaven’ overleefden zestien het zinken van het schip. Het verhaal wordt vanuit het perspectief van het vijftienjarige meisje Tutuba en de kapitein van de Leusden verteld. De tentoonstelling loopt tot september 2014. “Tijdens de rondleiding met de directeur van het museum vroeg ik hem of de tentoonstelling ook in Suriname gehouden kan worden. Hij heeft enthousiast “ja” geantwoord, dus we moeten hier met vertegenwoordigers van het Directoraat Cultuur praten en kijken waar de tentoonstelling komt te staan”, zegt Mc Leod.
Onthulling
Tijdens de konmakandra deed Mc Leod ook de onthulling in het bezit te zijn van een kopie van de Memorie van Toelichting die hoorde bij het wetsontwerp voor de afschaffing van de slavernij. Volgens dat document werden plantage-eigenaren niet alleen gecompenseerd met driehonderd gulden per slaaf. “Maar in hetzelfde wetsontwerp is opgenomen dat de vrijgekomen mensen het geld dat gemoeid ging met hun vrijlating aan de Staat terug moesten betalen”, onthulde Mc Leod. Die onthulling ging gepaard met uitroepen van afschuw.
Rudolf van Lier
Mc Leod vertelde ook hoe zij aan die informatie is gekomen. “Ongeveer tien jaar geleden werd ik door een vrouw benaderd die in het bezit is van het oude document. Daarin las ik dat de slaven hun eigen vrijheid terug moesten betalen.” Hiervoor is een soort belasting ingevoerd, waarbij elke volwassen man vanaf zijn achttiende jaar vijf gulden en vrouwen drie gulden per jaar moest afstaan aan de Staat. “Professor Rudolf Jacob van Lier heeft uitgerekend dat tijdens de periode van het Staattoezicht, inderdaad 18.000 florijn hiervoor geïnd is”, zegt Mc Leod. Omgerekend komt dat volgens de econoom Armand Zunder neer op euro 175.996,40.
[uit de Ware Tijd, 22/06/2013]

Geschiedschrijving

door Peter Meel

Het beroep van historicus is niet beschermd. Iedereen mag zich uitgeven voor historicus of een ander met het etiket van historicus tooien. Om tot een zekere afbakening van de beroepsgroep te komen, is het in wetenschappelijke kringen gebruikelijk om onder historici alleen academisch opgeleide geschiedkundigen te verstaan. Erg veel lost dat niet op. Het helpt om evidente dilettanten van vakhistorici te scheiden, maar ook dan blijft er nog altijd een grijs gebied over. Er zijn immers talrijke academici met een andere disciplinaire achtergrond die over historische kennis en vaardigheden beschikken en actief hun partij meeblazen in historische debatten. Ook mensen die niet academisch zijn geschoold leveren niet zelden een aantoonbare bijdrage aan de historische kennisproductie.

In zijn bijdrage aan het derde nummer van het historisch tijdschrift His/her tori (juli 2012) maakt Maurits Hassankhan een onderscheid tussen geschiedschrijving en geschiedbeoefening. Onder geschiedschrijving verstaat hij de schriftelijke weergave van historisch wetenschappelijk onderzoek waarbij de onderzoeker een beeld geeft van een aspect van het verleden en hoopt dat dit beeld de werkelijkheid zo dicht mogelijk benadert. Geschiedbeoefening omvat bij hem alle activiteiten waarbij de mens zich rekenschap geeft van het verleden en kennis hiervan overdraagt aan anderen. Behalve de geschiedschrijving behoren tot het domein van de geschiedbeoefening onder andere het geschiedenisonderwijs, de mondelinge overlevering van tradities, liederen en verhalen, de viering van feestdagen en de oprichting van monumenten.

Maurits Hassankhan. Foto © Harmen Boerboom

 

De historici Eric Jagdew, Maurits Hassankhan en Jerry Egger stellen in hun artikelen in dit boeiende nummer van His/her tori vast dat er in de afgelopen decennia veel is gebeurd op het gebied van de geschiedbeoefening in Suriname, maar dat de geschiedschrijving een ondergeschoven kindje is gebleven. Volgens hen liggen hier verschillende factoren aan ten grondslag. In de eerste plaats is er een institutioneel probleem. De geschiedenisopleidingen hebben in Suriname altijd opgeleid tot het beroep van docent, niet tot dat van onderzoeker. Pas recentelijk is er een universitaire opleiding van start gegaan, die op masterniveau docenten opleidt die ingezet kunnen worden in de bacheloropleiding waarmee volgend jaar een begin zal worden gemaakt. Er is de verwachting dat afgestudeerden van deze opleidingen beter voorbereid zullen zijn op het zelfstandig verrichten van onderzoek. Er is daarnaast een maatschappelijk probleem. Na de onafhankelijkheid zijn er langdurige periodes van economische crises geweest waarin docenten met moeite het hoofd boven water hielden en het verrichten van onderzoek geen prioriteit had. Vanaf de eeuwwisseling zijn de levensomstandigheden van de bevolking – en dus ook van de docenten – echter merkbaar verbeterd, al blijft de belasting van veel docenten aanzienlijk. Ten slotte kan er gewezen worden op de deplorabele staat van het archiefwezen. Niet alleen was er jarenlang een gebrekkig geoutilleerd archiefgebouw waar documenten door een gebrek aan systematische toegangen vaak moeilijk raadpleegbaar waren, bovendien lag een groot deel van de Surinaamse archieven in Nederland. Met de oplevering van een nieuw archiefgebouw in 2010 en de geleidelijke teruggave van archiefcollecties door Nederland staat Suriname er wat betreft het archiefwezen momenteel veel beter voor.
Deze geringe aandacht voor geschiedschrijving heeft, zoals gezegd, zijn sporen nagelaten, vooral in het werk van de oudere generatie historici van wie er twee – Eugène Gessel en André Loor – in dit nummer nader worden belicht. Hans Breeveld schreef een interessant portret van Gessel, die vorig jaar een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving. In zijn lange werkzame leven gaf Gessel les, was hij inspecteur van onderwijs, ontplooide hij politieke activiteiten en had hij in 1975 zitting in de grondwetcommissie. Hij maakte echter vooral naam als politiek commentator. Zijn analyses van hedendaagse nationale en internationale ontwikkelingen legde hij vast in talloze bijdragen aan kranten en tijdschriften. Op die manier droeg hij als historicus bij aan de geschiedbeoefening in Suriname, zonder overigens tot de publicatie van wetenschappelijke artikelen of boeken te komen. Het portret van Breeveld geeft een handzaam overzicht van Gessels carrière, maar maakt tegelijk duidelijk dat een diepgravender studie van Gessels commentaren nodig is om de betekenis van de auteur adequaat te kunnen vaststellen. Een geannoteerde selectie van zijn artikelen, voorzien van een degelijke inleiding, zou in deze behoefte kunnen voorzien.
André Loor
Er zijn maar liefst drie bijdragen gewijd aan André Loor, die in 1994 een eredoctoraat van de Anton de Kom Universiteit van Suriname ontving en van wie dit jaar een borstbeeld werd onthuld bij de ingang van het Nationaal Archief. In zijn eveneens lange loopbaan verdiende Loor zijn sporen als docent, programmamaker, schrijver en adviseur. Onder de bevolking wist hij bekendheid te verwerven met zijn gedetailleerde kennis van de geschiedenis van Suriname en mede door zijn communicatieve en didactische gaven uit te groeien tot een geliefde televisiepersoonlijkheid. Zijn publicaties betreffen in hoofdzaak gedenkboeken en andere gelegenheidsuitgaven. Verwijzingen naar het historisch werk van Loor komt men in de wetenschappelijke literatuur zelden tegen.
Jozef Siwpersad

 

Daarin verschillen Gessel en Loor van Jozef Siwpersad, voor wie ook (zij het beperkt) ruimte is gereserveerd in dit nummer. Siwpersad heeft behalve als docent betekenis gehad als geschiedschrijver. In Suriname was hij lange tijd de enige gepromoveerde historicus. Momenteel moet het land het doen zonder historici met een doctorsgraad. Siwpersad publiceerde twee belangwekkende studies waarvan zijn proefschrift De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863) nog altijd wordt geciteerd. Misschien is het een idee om in een volgend nummer van His/her tori een afzonderlijk artikel aan het werk van Siwpersad te wijden.
Sandew Hira

 

In lijn met de pamflettistische bijdragen die hij sinds de lancering van zijn Decolonizing the mind (2009) publiceert, tamboereert Sandew Hira in zijn bijdrage verder op het kwaad van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hira’s ‘strijdmethode’ bestaat eruit dat hij de academische wereld in twee kampen opdeelt: zij die de aard van het kolonialisme als een systeem van onderdrukking en uitbuiting verhullen en zij die dit ontmaskeren. De eerste groep legitimeert volgens hem het kolonialisme, de tweede klaagt het aan. Academici die tot de eerste groep behoren, zijn vazallen van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’; de anderen voorvechters van het dekoloniseren van de geest. Aan de hand van deze binaire oppositie meet Hira collega-onderzoekers de maat en stuurt hij steunbetuigingen, vermaningen en banvloeken de wereld in. Bij het ‘opsporen’ en ‘aanpakken’ van lakeien van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’ heiligt bij hem het doel de middelen.

 

Dergelijke exercities (een terugkerend bestanddeel van Hira’s columns voor de website Starnieuws) spreken hen die waarheidsvinding, bewijsvoering en redelijke argumentatie als een wezenlijk onderdeel van hun vak beschouwen minder aan. Zoals Maurits Hassankhan in zijn artikel terecht stelt, is dekolonisatie een dynamisch proces en geen statisch gegeven van gekoloniseerd of gedekoloniseerd zijn: ’Het is eerder een continuüm […] waarvan het ene uiterste is het koloniale denken, zoals dat werd gepropageerd in de koloniale tijd door de kolonisatoren, en het andere uiterste het antikoloniale denken in de vorm van anti-westers denken, waarbij de desbetreffende persoon zich in alles afzet tegen de vroegere koloniale overheerser en de leden van het koloniserende volk. De meeste mensen zitten met hun denken ergens tussen de twee uitersten en het is aan hen om zichzelf rekenschap te geven waar zij staan.’ In de wetenschap is er volgens Hassankhan parallel hieraan een ontwikkeling gaande in de richting van een meer nationale geschiedschrijving. Samenleving in een grensgebied van Rudolf van Lier is daarbij van cruciaal belang geweest, zeker in aanmerking genomen dat de eerste editie van het werk in 1949 verscheen en er tot dat moment geen samenhangende historische studie over Suriname bestond.

 

De discussie over Suriname als plurale samenleving heeft sinds het verschijnen van Samenleving in een grensgebied meerdere stadia doorlopen. Daaraan heeft ook Hira bijgedragen door in zijn Van Priary tot en met De Kom (1982) de aandacht te vestigen op klasse als bepalende factor in de Surinaamse geschiedenis. Ondanks twee gewijzigde herdrukken in de jaren zeventig is Van Liers klassieke studie thans in een aantal opzichten verouderd. Zo gaat dat in de wetenschap. Voortschrijdend inzicht leidt tot bijstellingen en verschuivingen in de geschiedschrijving. Gelet op deze wetmatigheid bevreemdt het dat Hira volhardt in zijn (intussen dertig jaar durende) vendetta tegen (de intussen vijfentwintig jaar geleden overleden) Van Lier, die hij eerst vanuit een marxistisch paradigma het vuur na aan de schenen legde en die hij tegenwoordig pleegt weg te zetten als vader van het ‘wetenschappelijk kolonialisme’. Hoe die twee invalshoeken zich tot elkaar verhouden en of Hira inmiddels zelf is opgeschoven in zijn denken over geschiedenis, blijft daarbij duister.
Het is jammer dat Hira sinds 2009 vooral excelleert in het repeteren van statements en het inpassen van historici in een construct waarmee hij wel zijn activistische agenda vult, maar het als geschiedschrijver laat afweten. Het ontmaskeren van de aard van het kolonialisme zou overtuigen als hij zich ertoe zou zetten om zelf weer eens serieus historisch onderzoek te verrichten. Een follow-up van Van Priary tot en met De Kom over de naoorlogse geschiedenis van Suriname zou een noemenswaardige stap in die richting kunnen zijn en een discussie op gang kunnen brengen die nu helaas uitblijft. Aan His/her tori de taak om de ontwikkelingen op het gebied van de Surinaamse geschiedschrijving nauwlettend te blijven volgen.

 

Rudie van Lier – De Ballade van Mientje Maanster


Voor Fred Batten

 

 

Ik zal U iets vertellen van Mientje Maanster.

Zij had een oude moeder en een naaimachien,
Zij woonde op een plaatsje ergens in de wereld
– zonder Vader of broeder –
Maar droomde van landen die ze nooit had gezien.

Ze moest haar eigen potje koken,

Zij reinigde de vaten en deed de wasch.
Maar daarna kon ze sigaretten rooken,
Terwijl ze uit sentimenteele boeken las.

Zij maakte kleeren om ze te verkoopen

En dacht aan nachten in een Fransch hotel.
Toch placht ze ‘s avonds met een ordinaire vent te loopen.
Mientje, beste Mientje, denk aan de hel.

Zij gingen wel eens naar de bioscoop: hij was geschoren;

En droeg een keurig pak; zij streelde zijn wang,
Hij liet zich hierdoor licht bekoren.
Maar dit duurde niet lang.

Daarna wandelden zij naar huis in de maan.

Zij sprak van teederheid en liefde,
Hij was te nuchter om haar te verstaan.
Zoodat hij haar met domme woorden griefde.

Toen heeft ze nog vele mannen gekend,

Het minnen duurde kort, ze verdroeg ze niet meer,
Zij raakte nooit aan hun manieren gewend,
Tot het geluk kwam…. als een heusche mijnheer.

Hij sprak als alle heeren uit een boek.

In de bioscoop streelde hij haar handen.
Als haar Moeder sliep, bracht hij haar een bezoek.
Mientje, denk aan buren die laat licht zien branden.

Denkt niet dat ik U een grapje heb willen vertellen

Van Mientje Maanster, van Mientje Maanster.
Zij was een goede vrouw, hoewel niet monogaam,

Het eind is van elk spotten ver:
Zij stierf in een mislukte kraam.

[verschenen onder het pseudoniem R. van Aart in het tijdschrift Forum, 1932]

 

Foto © Nicolaas Porter – Portret van Wiene
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter