blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Kuiperi Stan

Het spannendste boek van de wereld/E buki mas excitante di mundo

door Jerry Dewnarain

Sjoerd Kuyper (Amsterdam, 6 maart 1952) hield op de laatste dag van de Caran/Cross Over-conferentie op Aruba een korte lezing over zijn recentste kinderboek Het spannendste boek van de wereld/E buki mas excitante di mundo. Wie is Sjoerd Kuyper? read on…

Presentacion Tocante Exposicion di Arte Reino Tropical

A power point presentation & public discussion about the Tropical Kingdom art exhibition recently opened in the Netherlands. presented by UNOCA and the Aruba Intl. Arts Foundation. Participating artists are invited to be present and to share. Free entry, all languages spoken.For general audiences.
Unoca Aruba
Oranjestad, Aruba
Date: Friday 13 December 2013, Time 12.30 AM-2.30 AM

 

by San Kuiperi
 
Fundacion UNOCA conhuntamente cu Aruba Intl. Arts Foundation ta presenta un anochi di charla y imagennan tocante e exposicion ‘Reino Tropical’ cu recientemente a habri na Hulanda.
Ambos organisacion ta haya importante pa comparti e experiencia di artistanan Arubano den exterior cu e publico general y amantenan di arte aki na Aruba. Hopi biaha sa pasa cu eventonan den exterior ta tuma luga, pero sin cu despues tin feedback pa nos publico local mes. Tur artista cu a participa tambe ta invita pa ta presente y pa splica nan obra na e publico local, y lo tin oportunidad pa intercambia di idea y opinion riba un manera democratico y comunitario.
Pues riba diahuebs dia 12 di december proximo, pa 7:30 te 9:30 di anochi, lo tin un presentacion pa medio di power point na edificio di fundacion UNOCA, den e sala principal di exposicion. Di e manera aki nos publico en general tambe por comparti e evento di arte aki, haya informacion di e contenido, y forma y expresa nan propio opinion riba e desaroyonan aki di arte. Interesante ta cu tin obranan di arte di tur seis isla di Caribe den Reino Hulandes, algo cu no sa pasa hopi.
E presentacion tin un meta educativo y informativo, y ta pa publico en general di tur edad y interes. Pues un y tur ta keda invita pa e presentacion aki, sin gasto di entrada, riba diahuebs 12 di december. E edificio di UNOCA ta situa na Stadionweg 21, y su telefon ta 583-5681.

Philomena Wong: ‘Poëzie is een directe vorm om de mensen te bereiken’

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een interview met Philomena Wong, dichter van Aruba.

door Wim Rutgers

‘Gedichten vragen erom voorgedragen te worden’

Philomena Wong (*Aruba 1941) publiceerde in Watapana, Di Nos, Cosecha Arubiano en Skol y Komunidat. In 1984 verscheen haar eerste gedichtenbundel ‘Mi’ ta biba den mi pensamento, in 1986 gevolgd door Na caminda pa independencia. In 1992 verscheen Di ta… pa.. tabata.
De bundels van Philomena Wong zijn zorgvuldig geïllustreerd door middel van fotomontages. ‘Mi’ ta biba den mi pensamento door fotograaf Rob Vermeer, Di ta… pa.. tabata door Stanley Kuiperi.

Laten we eens met de oude en traditionele vraag beginnen: waarom schrijft u?
Op de eerste plaats voor mezelf. Je zit ergens en je ziet iets; dat schrijf je op. Je gaat nadenken en daarna ga je schrijven. Misschien laat je het geschrevene jaren in het klad liggen voor je er verder iets mee gaat doen.
Je bent overdag gewoon aan het werk en je krijgt een ingeving. Dan moet je even de tijd nemen om die op te schrijven. Je moet even die gedachte opschrijven, dan kun je die later thuis wel verder uitwerken. Maar je moet het opschrijven, anders ben je het kwijt of het houdt je de hele verdere dag bezig.
Als je schrijft, druk je gevoelens uit over iets wat je aangrijpt. Dat kan heel verschillend zijn, zoals iets in de natuur, een bepaalde gebeurtenis, een emotie. Soms lees je een bepaalde zin of je hoort iets wat iemand zegt. Zo schreef ik ‘Ilushon’ naar aanleiding van de overdreven moederdagpropaganda voor de radio. Men maakt reclame voor allerlei grote cadeaus voor moeder. Toen hoorde ik iemand zeggen: hoeveel moeders worden er eigenlijk niet ontzettend verwaarloosd en zijn er in feite levend begraven? Dat inspireerde tot het lange gedicht ‘Ilushon’, dat begint met: “mi a piki un flor / di datu / den santana / di mamanan / dera na bida // mi a bishita / algun graf shinishi / den e santana / di muhenan / lubida na bida”.

Ik kan niet in opdracht schrijven, mijn schrijftempo ligt ook niet hoog. Soms schrijf ik bijna niets, soms wat meer. Ik schrijf in eerste instantie voor me zelf, maar ook wel voor anderen. Daarvoor kan ik geen bepaalde groep aanwijzen. Frank Booi noemde mij een dichteres die voor kinderen schreef. Ik heb misschien verschillende ontwikkelingsperiodes doorgemaakt. Ik ben onderwijzeres van beroep, maar ik schrijf niet alleen daarover. Ik schrijf veel over vrouwen, over bepaalde gevoelens van vrouwen, over onderdrukking, ook over opvoeding. De sfeer van mijn gedichten is over het algemeen een vorm van verzet tegen misstanden. Ik schrijf over die situaties, waarmee ik het in de maatschappij oneens ben bijvoorbeeld. Er zijn eigenlijk maar weinig gedichten van mij die geen protestgedichten zijn. Ik werk in het sociale vlak en kom daardoor met veel problemen in aanraking. Je hoort over het sexueel misbruiken van kinderen. Je hoort het vaak in het abstracte en het algemene, maar dan is er die ene concrete situatie die je aangrijpt en dan schrijf je erover. Het grondthema van mijn poëzie is de onrechtvaardigheid ten aanzien van de mens in het algemeen, ten aanzien van het kind, ten opzichte van de vrouw.
De laatste tijd ben ik veel bezig met het probleem van het ouder worden; wat is het om oud te zijn, ik probeer me in oude mensen en hun leven en gedachten te verplaatsen. Ik ben veel bezig met oude mensen, met vraagstukken van sterven en dood.

Ontwikkeling in het schrijverschap
Toen ik in Arnhem op de kweekschool studeerde, schreef ik net als mijn Nederlandse klasgenoten in december sinterklaasrijmen in het Nederlands. Dat was echte rijmelarij, maar ik merkte dat het me gemakkelijk afging; ik ontdekte dat ik het kon. Veel anderen hadden er vaak moeite mee; aan hen verkocht ik soms sinterklaasgedichten voor een kwartje om mijn zakgeld een beetje aan te vullen; dat kon ik goed gebruiken. Ik ben dus begonnen met rijmelarij, maar dat rijm heb ik later losgelaten, al speelt klank(herhaling) nog wel een heel belangrijke rol. In het begin schreef ik vooral voor kinderen. Later ben ik protestgedichten gaan schrijven. Nu ben ik vooral bezig met het ouder worden.
Mijn eerste dichtbundel ‘Mi’ ta biba den mi pensamento van 1984 is eigenlijk een cyclus van het leven. Het openingsgedicht ‘Mi a muri’ is al een heel oud gedicht, een van de eerste die ik al in 1965 schreef. Dat had ik in een map opgeborgen. Toen ik het titelgedicht ‘mi ta biba den mi pensamento’ schreef, herinnerde ik het me weer – dat was heel frappant. Toen heb ik deze twee gedichten: ‘mi ta muri’ en ‘mi ta biba’ (in deze volgorde) als het begin en eindpunt van de bundel genomen. Het ‘Ik’ moet zich namelijk niet verliezen, je moet in de maatschappij er steeds rekening mee houden je te kunnen handhaven; leven betekent strijden, overwinning, overleven. Ik heb gelukkig overleefd.

Een goed gedicht
Dat is denk ik heel persoonlijk. Ik vond de beste Antilliaanse gedichten die welke kort waren, die met zo weinig mogelijk woorden zoveel mogelijk zeggen. Je moet snijden in een gedicht. De vorm van een gedicht is niet het essentiële. Rijm is op zich niet belangrijk. Ik maak er natuurlijk wel gebruik van, maar dat gaat vanzelf zonder speciale aandacht of via controle achteraf. Melodie en ritme zijn heel belangrijk. Bij het schrijven houd je er al rekening mee wat de klank van het gedicht teweeg kan brengen. Terwijl ik nog schrijf, draag ik het ontstaande gedicht als het ware al voor. Ik ben me voortdurend bewust hoe iets klinkt, hoe deze klank zal werken. Daarbij zeggen korte gedichten over het algemeen meer dan langere. Het is niet het vele dat veel zegt; ik streef in het algemeen naar korte gedichten.
Toen ik in mei 1992 in het Nederlandse Utrecht op het Multi Etnisch Podium Festival was, waar ik ook voordroeg, hoorde ik daar ellenlange gedichten, vol met herhalingen, die ik ook heel goed vond. Ook het Papiamento kent veel herhalingen.
Wat is een goed gedicht? De criteria zijn zo anders voor iedereen. Voor¬mezelf is het inhoudelijk iets wat me aanspreekt, of het nu kort of lang is, wat iets zegt dat kracht heeft. De melodie is heel belangrijk; vooral klankherhalingen zijn heel mooi. Beweging en klank gaan samen. Als ik schrijf, horen die twee bij elkaar. Ik ben a-muzikaal, ik heb ook geen muzikaal geheugen. Maar het vreemde is dat ik muziek en bepaalde muziekinstrumenten hoor als ik schrijf. Poëzie kan multifunctioneel zijn. Gedichten die worden voorgedragen, vergezeld van muziek, dans en mime tonen dat verschillende kunsten goed samen kunnen gaan.

Presentatie
Ik ben zeer visueel. Mijn hobby is fotografie en ik was jarenlang bestuurslid van de Aruba Camera Club. Wanneer ik schrijf, visualiseer ik het beeld heel erg. Maar ik heb Stanley Kuiperi, die de foto’s voor mijn laatste bundel maakte, helemaal vrijgelaten. Hij heeft het manuscript gelezen en naar aanleiding daarvan de illustraties gemaakt. In die monages treedt het element ‘verval’ sterk naar voren. Ik was heel tevreden met zijn interpretatie van mijn gedichten.
Voor de presentatie van mijn laatste bundel maakte Delbert Bernabela een muzikale blokfluitbegeleiding. Ik las de gedichten voor en hij luisterde. Daarna speelde hij en gaven we wederzijds commentaar, waardoor we gezamenlijk oefenend tot een eenheid kwamen. Zo hebben we ‘Mi’ ta biba den mi pensamento in 1984 gepresenteerd met muziek van Eddy Bennett en dans door studenten van de Arubaanse Pedagogische Akademie onder leiding van Burny Every. De presentatie van de bundel en de presentatie in de bundel is steeds een samengaan van verschillende kunstvormen, die elkaar versterken.

Voordracht
We zouden de poëzie meer moeten stimuleren. Gedichten zouden meer in het dagelijkse leven opgenomen moeten worden. Het gedicht ‘Auxilio’ dat een fel protest bevat tegen de natuurvernieling door projectontwikkelaars en buitenlandse investeerders op Aruba, heb ik daarom later aan Stimaruba afgestaan, die er drietalige posters van gemaakt heeft die bij een aantal bushaltes werden opgehangen, om de mensen op te roepen tot natuurbescherming. Een dichter heeft een gemeenschapstaak om de mensen bewust te maken; poëzie is een directe vorm om de mensen te bereiken.
Ik houd ervan om mijn poëzie voor te dragen. Werk van anderen draag ik alleen in besloten kring aan vrienden voor. Gedichten vragen om voorgedragen te worden. Ik denk dat je op die manier mensen meer liefde voor poëzie kunt bijbrengen. Het effect ervan wordt veel groter. Ik hoor vaak het commentaar: ‘Nooit heb ik van het lezen van poëzie gehouden. Maar het horen ervan is anders, levendiger.’ We zouden daarom de oude voordrachtskunst door middel van workshops weer actief moeten stimuleren. In Latijns-Amerika worden jongeren opgevoed met gedichten. We zouden in ons onderwijs de declamatie weer moeten propageren. Gelukkig hebben we de laatste tijd enkele keren een ‘café literario’ gehad. We zouden een inventarisatie moeten maken van onze goede declamators. Dichters en auteurs worden geldelijk weinig gewaardeerd. Zangers worden tijdens feestprogramma’s voor hun optreden altijd betaald, maar men vindt kennelijk dat een dichter blij mag zijn dát die uitgenodigd wordt.
Taal en vorm
Ik schrijf soms in het Engels, liefdesgedichten bijvoorbeeld. Maar in die taal zal ik nooit publiceren. Ik begon dus in het Nederlands tijdens mijn studietijd aan de kweekschool. Nu en dan schrijf ik nog wel eens wat in die taal, maar veel meer in het Papiamento. Ik voel wel de behoefte om meer talenkennis op te doen. Ik zou veel meer moeten en willen lezen. Op het gebied van het Papiamento voel ik me bepaald geen deskundige. Ik moet nog veel van onze taal leren door erin te schrijven en er met deskundigen over te praten. Ik heb altijd veel steun van mijn moeder gehad, die vroeger tegen me zei: Je praat óf Nederlands óf Papiamento, geen twee talen door elkaar. Dat was achteraf gezien heel juist.
Een gedicht voordragen gaat zo snel dat de zwakke taalaspecten erin minder opvallen, grammaticale gebreken gemaskeerd worden. Het is daarom goed om van mensen die een andere kijk hebben steeds weer feedback te krijgen. Maar je moet een gedicht niet dood analyseren. Vroeger gebruikte men op het schoolexamen soms gedichten voor tekstverklaring. Dat heb ik altijd afschuwelijk gevonden, omdat met die werkwijze en vraagstelling alle emoties uit het gedicht verdwenen. Ik praat veel met mijn collega Belén Kock-Marchena. We discussiëren over elkaars werk. Dat betreft dan vooral de technische aspecten, de opbouw en structuur van een gedicht, de woordkeus en zinsbouw, niet de thematiek want die staat vast.
Op Aruba is er (te) weinig literaire kritiek. Een officiële kritiek is er helemaal niet, maar ook van vrienden en collega’s hoor je in het algemeen geen echt opbouwend commentaar waar je wat aan hebt. We zouden daarom als auteurs bij elkaar moeten komen, om elkaars werk te bespreken. Nu is er wel enkele keren een literair café geweest, maar daar werd alleen maar voorgedragen. We zouden onze schrijfervaringen moeten uitwisselen.

Verwantschap
Ik voel met het meest verwant met een paar Arubaanse auteurs die nog geen afzonderlijke bundels gepubliceerd hebben, zoals Belén Kock-Marchena en Nena Bennett. Dat is om hun stijl, hun manier van schrijven, het moderne zoals Belén dat heeft, ook het ritmische. Daarnaast apprecieer ik het realisme van deze auteurs en hun maatschappijkritische opstelling, met name bij Nena Bennett. Je voelt dat zij niet dichten om het dichten, maar uit noodzaak, als een drang van binnen, een behoefte om iets op papier te zetten. Dat heb ik ook.
Er is een groot tekort aan Arubaanse poëzie. Er verschijnt weinig; er schrijven veel mensen. ‘Ik schrijf zelf ook veel en ik heb veel gedichten thuis’, hoor ik vaak mensen zeggen die bij me komen. Maar ze publiceren niet omdat ze toch bang zijn voor te weinig kwaliteit van het geschrevene; of omdat ze de gedichten te persoonlijke uitingen, te intiem vinden om ze anderen te laten lezen, ze schrijven alleen voor zichzelf. In een kleine gemeenschap is het ook moeilijk om eerlijk en openlijk te schrijven. Ook ik heb thuis een hele map liggen. Vroeger heb ik wel veel weggegooid, maar dat doe ik nu niet meer en ik bewaar alles.
Wat Aruba betreft heb je de oude garde, maar daar voel ik me weinig verwant mee. Ik bedoel Eduardo Curet en José Ramón Vicioso, maar mijn Spaans is ook niet goed genoeg om dat werk naar waarde te kunnen schatten. Dan heb je Hubert Booi en Ernesto Rosenstand. Verder kan ik noemen: Frank Booi, Henry Habibe, Denis Henriquez, Digna Laclé; met Omaira Britten voel ik me weinig verwant. Ana Krozendijk’s Casita di faro bevat wel heel mooie gedichten; Frank Williams is een boeiende verteller van verhalen; Lolita Euson is niet mijn favoriet.
Wat de Antillen betreft vind ik Nydia Ecury goed, ook als performer; Diana Lebacs en L. Haseths voordracht bewonder ik. Pierre Lauffer is een hoofdstuk apart, maar misschien vind ik Elis Juliana persoonlijk wel de beste; dat is een oerdichter. Tip Maruggs Weeekendpelgrimage heb ik laatst in zijn geheel moeten voorlezen voor het examen van een visueel gehandicapte – dat was zwaar. Frank Martinus is een klasse apart.

Tweeluik
Na caminda pa independencia is een episch gedicht. Het bevat in grote lijnen het verhaal van de Arubaanse geschiedenis tot in 1986 de status aparte bereikt werd. Het bevat veel kritiek. Ik ben er in het geheel genomen wel tevreden over; er zitten een paar onjuistheden in, maar ik ben geen historicus. Het heeft een duidelijk politieke boodschap. Als bundel sta ik er nog helemaal achter.
De twee andere bundels vormen als het ware een tweeluik. In het eerste, ‘Mi’ ta biba den mi pensamento, is er een ‘ik’ aan het woord die zich ontwikkelt door zich extravert op de buitenwereld te richten. Het derde, Di ta… pa.. tabata, gaat over anderen, maar is in feite veel meer naar binnen toe, op de ontwikkeling van het eigen ‘ik’ afgestemd. De opbouw is tegengesteld: waar de eerste bundel van dood naar leven ging, wordt in de derde bundel juist het ouder worden en de dood steeds nadrukkelijker genoemd.
In ‘Mi’ wilde ik toekomstgericht de strijd aangeven van het vinden van een eigen ‘ik’. De beelden zijn symbolisch gebruikt. Een individu wordt geboren, ondergaat de beïnvloeding van de omgeving waardoor het eigen ‘ik’ tot zelfbewustzijn groeit. Di ta pa tabata is niet meer symbolisch, maar gaat over het leven zelf. Er is een einde aan het leven. De levenscyclus wordt gevormd door jeugd, volwassen zijn, ouderdom en daarna de dood. In ‘Mi’ wordt de ‘ik’ gevormd door de buitenwereld, de strijd met die wereld leidt tot overwinning. ‘Di ta pa tabata’ gaat veel meer over het innerlijk beleven, een eerlijk betrokken zijn.
Een jonge mens wordt bijvoorbeeld geleerd om oudere mensen te respecteren. Maar dat is alleen uiterlijk, want elk echt leerproces moet iets van jezelf worden. Pas als je leed echt meemaakt, kun je er wezenlijk over schrijven. Dat is een rijping, een groei, een inleven in waar je helemaal bij betrokken bent. Dat heb ik in mijn laatste bundel vorm proberen te geven.
Een van de gedichten gaat over de dichter en het dichten zelf, namelijk ‘Inspirashon di po-e-ta’: ‘Hisa benta / e leter “e” / y machik’e / net meymey / dje palabra puta / cambia e leter “u” / den “o” / hala un rosea chiki-chiki / tras di e “o” / y prome cu e “ta” / y ata: / un barbulet’ / a cambia / den un shon!’ Ik heb er een stukje zelfspot van de dichter mee willen aangeven: als je schrijft ben je een po-e-ta.

Ander werk
Naast poëzie heb ik ook korte verhalen geschreven, maar nog niet gepubliceerd. Dat ben ik wel van plan. Volgend jaar wil ik met een verhalenbundel komen, die min of meer autobiografisch is: verhalen over mijn jeugd en het Aruba van enkele decennia geleden. Ik heb het voordeel gehad nog op te groeien zonder stromend water en elektriciteit, zonder televisie. Het leek me leuk om oude gewoonten van een nog niet eens zo lang geleden verleden te bewaren. Die wil ik opschrijven, om op die manier iets van onze recente geschiedenis te bewaren voor het nageslacht.
Verhalen zijn wel anders dan poëzie. Bij poëzie moet je met allerlei factoren rekening houden: vorm, structuur, het is kort, het ritme is belangrijk. Bij proza heb je die eisen niet, maar verhalen moeten boeiend zijn, er moet een climax inzitten, en dat hoeft bij een gedicht weer niet. Bij verhalen heb je natuurlijk ook dialogen, die afhankelijk zijn van de vertelsituatie. Ik houd ervan om verhalen te vertellen. Dat heb ik op school altijd heel veel gedaan.
Toneel heb ik ooit wel eens voor kinderen, in de vorm van schooltoneel geschreven, maar dat stelde niets voor en daar ga ik me ook niet aan wagen.


Verkoop
De oplage van mijn in eigen beheer uitgegeven ‘Mi’ ta biba den mi pensamento bedroeg duizend exemplaren. Er werden er in het eerste jaar zevenhonderdvijftig van verkocht. Daarna liep het minder, maar nu is het op.
De mensen die mij kennen kopen mijn boeken; studenten zeker niet. Op het in mei 1992 op Aruba gehouden film- en boekenfestival wist namelijk niemand een boektitel van me te noemen, toen ik op de schrijfmidddag voor middelbare scholieren was. Ik heb weinig contacten met de boekhandel, ik ben niet zo commercieel. ‘Mi’ ta biba den mi pensamento is via andere kanalen verkocht. Mijn vriendinnen namen een stapeltje mee en brachten dat via hun kennissen in omloop.
Van het bij Charuba gepubliceerde Na caminda pa independencia weet ik het niet, maar dat liep minder goed. Ook Di ta… pa.. tabata heb ik bij Charuba gepubliceerd, omdat ik geen geld heb om het zelf uit te geven. Ik wil het financiële risico niet meer lopen en het is ook wel zo gemakkelijk dat ik er niet zelf achteraan hoef te zitten of het wel verkocht wordt. Die hoofdpijn wil ik niet meer hebben.

Onderste foto: @ Bea Moedt

Unoca: Culturele expressie van en voor het volk

door Yvonne Leijdekkers

Orajestad — Unoca-directeur Lupita Gil blikt terug op 25 jaar. “We hebben de afgelopen jaren moeilijke projecten gehad, maar we geloofden er in en dan lukt het. Culturele expressie is van het volk en voor het volk.”


Vol trots vertelt Gil dat Unoca in 2008 Scol di Arte kocht. “Toen bleek dat het niet goed ging met Scol di Arte en het pand op de veiling zou komen, zijn we in eerste instantie gaan lobbyen bij de minister of de overheid het niet wilde kopen. De regering heeft daar uiteindelijk nee tegen gezegd. Voor ons was het gebouw van grote waarde, omdat het een houten vloer heeft. En de grote ruimte van Scol di Arte is zeker geschikt voor 100 mensen. Dus het is een multi-functioneel gebouw. Vandaar dat wij vonden dat het een grote aanwinst voor ons zou zijn.” Na de aankoop heeft Unoca het pand helemaal verbouwd. “Sinds de opening proberen wij er nieuw leven in te blazen, wat overigens erg succesvol verloopt. We organiseren er veel workshops en zullen er ook vakantiekampen houden. Scol di Arte is een goede aanvulling op onze prioriteiten”, meent de directeur.

Permanente expositie
Unoca probeert zoveel mogelijk toe doen voor de cultuur op Aruba. Ze ondersteunen ook artiesten die hun werk willen exposeren. Dat kan zijn met het uitbrengen van een catalogus of door het verlenen van subsidie om een ruimte te huren waar kan worden geëxposeerd. Het eigen gebouw van Unoca aan de Stadionweg is toegankelijk voor iedereen. In het gebouw is een tentoonstelling van Arubaanse kunstenaars ingericht. “Het is een permanente tentoonstelling. We laten werken zien uit de Sticusa-collectie. Dit zijn werken die tussen 1950 en 1989 zijn gemaakt”, aldus Gil. Ze hebben ook werken uit de Unoca-collectie. “Dit zijn werken vanaf 1986. Het is een unieke tentoonstelling.” Het is volgens Gil een goed en compleet overzicht van de werken van Arubaanse kunstenaars. Unoca wil graag een ruimte hebben waar Arubaanse kunstenaars, vooral die ze zelf ondersteunen, de mogelijkheid hebben om hun werk te exposeren.

Economisch rendabel
In het gebouw aan de Stadionweg is een vergaderzaal beschikbaar is. “Deze zaal is tegen een kleine vergoeding te huur. We hebben zelfs buiten voldoende ruimte om allerlei evenementen te organiseren. Iedereen is bij ons welkom. Het is ook mogelijk om in het weekend gebruik te maken van onze ruimtes.” De directeur wil economisch rendabeler werken. “We richten ons niet alleen op de Arubaanse bevolking, maar we willen ook toeristen die ons eiland bezoeken laten kennismaken met de cultuur van Aruba. We zijn daarom onder andere bezig met een touroperator die onze tentoonstelling wil opnemen in één van hun routes. We hopen echt dat dit doorgaat, want hoe meer mensen kunnen kennismaken met onze cultuur hoe beter.” Unoca verhuurt daarnaast ook lokalen bij Scol di Arte. “Het idee hierachter is dat Unoca voor iedereen is en dat betekent dat onze ruimtes ook voor iedereen toegankelijk.”
Als we kunnen bijdragen aan de culturele ontwikkeling van Aruba, dan zullen we dat zeker niet nalaten, zegt Gil. Voor 1986 was cultuur vooral iets voor de elite van Aruba. Maar Unoca stelt cultuur voor iedereen toegankelijk moet zijn. “Iedereen heeft recht op culturele vorming, en wij willen niemand dat recht ontnemen.”

Jonge talenten op banners
Zo kwam Unoca in april met een expositie van banners waarop jonge talenten van Aruba waren afgebeeld. Deze banners waren te zien op de rotonde voor Cas di Cultura. Met deze actie werden jonge mensen in het zonnetje gezet die zich bezighouden met kunst. Ook sporttalenten werden dankzij de banners geëerd. Door het project zijn de jonge talenten die Aruba rijk is, herkenbaar geworden voor het grote publiek. Het project is een onderdeel van de festiviteiten rondom 25 jaar Status Aparte.
“Ik geloof niet in nee, ik ga ervoor, mijn uitgangspunt is dat alles mogelijk is. Als je dingen op een positieve manier benadert en iedereen gelooft er in, dan lukt het zeker.”

[uit Amigoe, 27 juni 2011]

Afbeelding rechts: werk van Stan Kuiperi (Aruba 1954), een kunstenaar die studeerde met een Sticusa-beurs

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter