blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Jones Guno

Ongemakkelijke relaties

Op zondag 25 oktober 2015 vond in het Tropenmuseum het debat Ongemakkelijke relaties in het kader van het Suriname – Nederland 40 jaar later weekend plaats. De debatten gingen over de ongemakkelijke relaties in de politiek, cultuur en economie en leverde weer veel stof tot overdenking en reflectie. Zoals altijd was er weinig tijd voor debat met de zaal maar kon er in de aansluitende borrel nog goed nagepraat worden. Een fotoreportage van Peter Sanches. read on…

Slavernij in internationaal vergelijkend perspectief: een verkenning

Op dinsdag 15 september 2015 organiseert het Netwerk Slavernijverleden Amsterdam: Wetenschappelijk Onderzoek en Erfgoed (VU-CLUE+) het symposium Slavernij in internationaal vergelijkend perspectief: een verkenning. read on…

Dutch racism

Platform for Postcolonial Readings
The 15thmeeting of the Platform for Postcolonial Readings is dedicated to the new book Dutch Racism (Rodopi 2014), a timely intervention in a very polarised and often simplifying debate, edited by Philomena Essed (Professor of Critical Race, Gender and Leadership Studies, Antioch University) and Isabel Hoving (associate professor Film and Literary Studies and Diversity Officer, Leiden University).
This book is the first of its kind to present a comprehensive picture of the nature of (often-denied) Dutch racism. An interdisciplinary group of contributors carefully unfolds the legacy of racism in the Netherlands and the (former) colonies. They demonstrate how Dutch racism operates within and beyond the national borders, how it is shaped by European and global influences, and in what ways intersects with other systems of domination. Topics include colonial histories revisited, Afrikaner settler racism, everyday antisemitism and islamophobia, racism and interaction at work, contemporary novels, government policy, the integration exam, the psychology of racism in public debates, and 21th century resistance.
 
During the Platform meeting we will predominantly focus on the following questions:
×          what is specific to Dutch racism,
×          what contributes to its complexity, and
×          why is racism so intensely contested in the Netherlands?
 
We have invited Gloria Wekker (Utrecht University) and Guno Jones (Free University Amsterdam), contributors to the volume, to respond to these questions, taking their own contributions as a starting point for the presentation of their insights and opinions. The editors will moderate the meeting and guide us through this precarious and heavily contested field. In the discussions that follow the contributors’ presentations, comparative attention will be paid to racism in Belgium and beyond.
 
The meeting takes place at the Tropenmuseum, where the fascinating exhibition Zwart & Wit addresses similar topics and themes. We strongly recommend participants to visit this exhibition previous to the Platform meeting.
The meeting is open for all researchers, Research Master and PhD students working in the field of postcolonial studies and for all others interested in the topic of Dutch Racism. Please register with Eloe Kingma of NICA/OSL (nica-fgw@uva.nl). On request you can receive the introduction of Dutch Racism as preparatory reading.
Friday, 21 February 2014, 2-5 PM
Venue: Kenniscentrum Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam
The programme starts at 2PM sharp. Doors open at 1.30PM. Drinks afterwards.
The fee of 12,50 includes entrance to the museum and to the exhibition Zwart & Wit. (For reductions see: www.tropenmuseum.nl; free entrance with Museum Card).
Organizers: Elisabeth Bekers (VUB), Sarah De Mul (OU), Isabel Hoving (UL), Liesbeth Minnaard (UL), in collaboration with Nancy Jouwe (Kosmopolis Utrecht), Philomena Essed (Antioch U) and the Tropenmuseum Amsterdam.

 

Surinamers in WO II: geen eenduidige strijd

Surinamers in Kijkduin, winter 1946. Collectie William Watson

 

door Guno Jones
In Teken en zie de Wereld heeft Jules Rijssen de herinneringen van oorlogsveteranen uit Suriname aan de vergetelheid ontrukt. Op basis van Oral History heeft de auteur bloot weten te leggen hoe deze veteranen, 31 mannen en zes vrouwen, betekenis hebben gehecht aan de Tweede Wereldoorlog. Eerder historiografisch werk heeft al in kaart gebracht dat militairen uit het toenmalige ‘rijksdeel’ Suriname in uiteenlopende geografische gebieden en functies bij de Tweede Wereldoorlog betrokken zijn geweest: als schutter of stads- en landwacht (in Suriname), als marinier en gunner, in het verzet in Nederland, als militair in Nederland en Europa, als verpleegkundige en in de strijd tegen het Japanse leger. Het vernieuwende karakter van dit boek is dat Rijssen een ‘geschiedenis in herinneringen’ in kaart heeft gebracht, door de veteranen zelf aan het woord te laten (p.11-12).
Deze rijk geïllustreerde studie laat zien waarom de gangbare kennisvorming over de Tweede Wereldoorlog en dekolonisatie tekortschiet. In de historiografie is sprake van schotten, waarin de geschiedenis van Nederland en de (voormalige) kolonies Suriname, de Nederlandse Antillen en ‘Nederlands-Indië’/Indonesië afzonderlijk worden beschreven. Teken en zie de wereld toont daarentegen de verwevenheid van Nederland en wat in het koloniale discours ‘de West’ en ‘de Oost’ heette: door bemiddeling van de Nederlandse regering waren militairen uit Suriname, vrouwen zowel als mannen, direct en actief betrokken bij ontwikkelingen in Indonesië, waar ze (vaak) via de VS en Australië heengingen.
Vera Cornelly Tjien Fooh.
Collectie Vera Levens-Tjien Fooh/Museum Suriname
Naast de reikwijdte kan Teken en zie de wereld gelezen worden als een kritiek op een universalisme dat de Tweede Wereldoorlog als een eenduidige strijd van ‘de goede legers’ (de geallieerden) tegen het absolute kwaad van de asmogendheden (Duitsland, Italië, Japan) voorstelt. De Surinaamse militairen, destijds Nederlanders, vochten vol overgave tegen het kwaad van de asmogendheden (vooral tegen Japan), maar maakten tegelijkertijd op indringende wijze kennis met het onrecht aan geallieerde kant, zoals kolonialisme, racisme en seksisme. Ze waren als ‘rijksgenoten’ én gekoloniseerden bij de Tweede Wereldoorlog betrokken; Juist die double consciousness (een concept waarmee W.E.B. Dubois verwijst naar de historische ervaringen van zwarte Amerikanen) brengt in dit boek een parallelle geschiedenis aan het licht en daarmee andere sociale, morele en politieke betekenissen van de Tweede Wereldoorlog. Nog beter is om (op z’n minst) te spreken over ‘parallelle geschiedenissen’ gelet op de uiteenlopende herinneringen van mannen en vrouwen.
De Prinses Irenebrigade trekt Utrecht binnen; op de bok een Surinamer.
Foto www.prinsesirenebrigade.nl
Die parallelle geschiedenissen komen in Teken en zie de wereld tot uiting in de ervaringen van de veteranen in de verschillende fases van hun inzet tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. Bij de Tweede Wereldoorlog denkt men wellicht primair aan een gewapend conflict, maar die oorlog markeerde ook de ‘strijd’ om rolpatronen. Vrouwelijke militairen leerden telegraferen, schieten, exerceren en trucks besturen, banden verwisselen en olie verversen. Publieke activiteiten die destijds als ‘mannelijk’ werden gezien en de betreffende vrouwen soms op afwijzende reacties van mannelijke collega’s kwamen te staan, zoals veterane Esselien Bakrude-Bolwerk meemaakte (p.23). Bij de inzet van verpleegkundigen (die via de VS en Australië naar ‘Nederlands-Indië’ afreisden) was niet zozeer de functie een probleem maar wel de ‘bedreigingen’ van het overschrijden van de heersende fatsoensnormen aangaande vrouwelijke seksualiteit. Zo was het de taak van Theophila D’Hont-Berkenveld om ‘de jonge meiden onbeschadigd af te leveren in Australië’; ze moest, onder meer door middel van bed checks, zorgen dat de meisjes ‘goed’ bleven, wat betekende dat ze moest voorkomen dat ze zwanger raakten (p. 44-45). Een soortgelijke regulering van seksualiteit en voortplanting maakten de mannelijke collega’s niet mee.
Eerste deel van het Geuzenliedboek, waaraan Albert Helman
– actief in het verzet tegen de Duitsers – ook bijdroeg.
‘Onbeschadigd blijven’ betekende voor de mannelijke strijders iets heel anders, omdat ze op een andere wijze dan hun vrouwelijke collega’s in de oorlog gesitueerd waren. Zo werden ze nog voor hun inzet in de Tweede Wereldoorlog geconfronteerd met de segregatie in de VS en de ‘colour bar’ in Australië. De getuigenissen van, in woorden van veteraan August Hermelijn, ‘die verschrikkelijke discriminatie’ (p. 64) tijdens de trainingsperiode in het zuiden van de VS zijn legio onder de veteranen. Ze maakten kennis met segregatie door bordjes ‘coloured only, white only’, waarbij ook hun fysieke veiligheid gevaar liep: ‘Ik heb daar echt racisme ondervonden. Ik kom in een zaal in Mobile, Alabama om iets te kopen […] Die man trekt een pistool en zei: negro, one more step and you are a dead man! (veteraan André Neiden: p. 83). Soortgelijke verhalen vertellen de veteranen over Australië. Veteraan Iwan Dompig: ‘Het eerste wat luitenant De Gooyer tegen ons zei was: gaan jullie niet in de stad, want er is voor jullie als kleurling geen plaats in de stad’ (p. 39). Deze ervaringen onderstrepen dat het sociale onrecht niet alleen bij de asmogendheden plaatsvond, maar − in de vorm van structureel racisme − ook bij de geallieerden. Tezamen met het feit dat Suriname op koloniale wijze werd bestuurd door gouverneur Kielstra hebben ze ongetwijfeld als moreel kompas gefungeerd voor de houding van de Surinaamse militairen in de strijd. Zo vochten ze met volle overgave en succes tegen de Japanse bezetters, maar toen de Nederlandse regering hen na de capitulatie van Japan wilde inzetten in de strijd tegen het Indonesische nationalisme voelden ze zich misleid. Men had ‘getekend voor de strijd tegen de Japanners en niet tegen de Indonesiërs’, zoals Hugo Alberga het stelde (p. 16). Sommigen gaven gehoor aan de orders van de Nederlandse autoriteiten, maar uit veel getuigenissen komt naar voren dat men zich waar mogelijk onttrok aan deze strijd, terwijl enkelen overliepen naar Indonesische zijde. ‘Toen ze zeiden dat we tegen de Javanen moesten vechten, hebben wij geprotesteerd. In Suriname zijn ze onze buren en misschien vecht je tegen hun ouders of familie.’ (veteraan William Watson, p. 120).
Piet Wielemaker en George Spong
op vliegveld Tjililitan bij Batavia. Collectie George Spong

 

Hoewel het, gelet op de uiteenlopende herinneringen aan de rol van de Surinaamse militairen tijdens deze oorlog, de vraag blijft hoe algemeen deze ervaringen zijn rijst niettemin het beeld dat men zich niet senang voelde bij deze missie en dit conflict eerder als een koloniale oorlog dan als politionele acties beschouwde. Overigens wilden ook de Indonesische strijders, op instructie van Soekarno, de Surinaamse militairen (die formeel aan Nederlandse zijde stonden) zoveel mogelijk ontzien. Veteraan Iwan Dompig: ‘Op de bussen en trams hadden de Indonesiërs geschilderd: ‘Awas Orang Suriname, Surinamers oppassen! Deze zaak gaat jullie niet aan! En gelijk hadden ze […]. Zelfs ’s avonds riepen ze op de radio: Ini perkara Blanda poena, het is een gevecht tegen de Hollanders’ (p. 40). De ‘rijksgenoten uit de West’ bevonden zich dus middenin de Indonesische dekolonisatiestrijd en namen in die strijd, in vergelijking met de ‘Hollandse’ militairen, een aparte positie in.
In Teken en zie de Wereld heeft Jules Rijssen kortom ‘een andere kant’ van de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van Indonesië laten zien en getoond dat ieder historisch narratief, het heersende niet uitgezonderd, gesitueerd is. Daarmee doet dit boek een beroep op onderzoekers om deze geschiedenissen in breder verband te analyseren en daartoe ‘de bronnen’ opnieuw onder loep te nemen.
Jules Rijssen, Teken en zie de wereld; Oorlogsveteranen in Suriname. Amsterdam: KIT Publishers/Jules Rijssen, 2012. 127 p., isbn 978 94 6022 172 9, prijs € 24,50.
[uit Oso 2012.2]

 

Debat Afscheid van de koloniën

Amusement voor de KNIL-soldaten in Indonesië
Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, dat het niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname? Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10-10-2010 kwam er nog geen eind aan. John Jansen van Galen beschreef de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen in Afscheid van de Koloniën.
John Jansen van Galen schreef eerder Kapotte plantage. Een Hollander in Suriname (1995) en Hetenachtsdroom (2000), over het Surinaamse nationalisme.
Dr. Guno Jones, senior onderzoeker verbonden aan het Migration and Diversity Centre (Vrije Universiteit Amsterdam) gaat met hem in debat.
Datum: 2 juni 2013, van 15.00-17.30 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19-21, Amsterdam

International Iris M. Young Memorial Symposium

Inclusion and Democracy Revisited

Normalisation and Difference in 21st century Europe

Iris Marion Young

Iris M. Young’s book Inclusion and Democracy, published first in 2000 still enhances our critical understanding of what the notion of Inclusion ought to be in the 21st century far beyond her early and tragic death in 2006. The topic of Normalisation and Difference is central to a project of 21st century democracies as group differences of increasingly multi-cultural and multi-national populations, and also EU multiple anti-discrimination Law asks citizens, organisations and national governments/ bureaucracies alike to look out for more inclusive societies.

Young’s critique of processes of normalisation determines her reading of an ‘inclusive democracy’. Young (2006: 96) defines her understanding of normalisation as follows; ‘I refer to processes that construct experiences and capacities of some social segments into standards against which all are measured and some found wanting or deviant.’ On the background of her intellectual contribution we wish to provoke a conversation and critical engagement with some of the social and symbolic contradictions arising in 21st century European, after all European Union Member State democracies when tackling the inclusion/ exclusion dynamics.

We invite some outspoken international and well known local speakers to share their thoughts with us and reflect on I. M. Young’s intellectual legacy for the current state of European societies, in particular in the Netherlands.

Speakers include:
Prof. Alia Al-Saji Author of The time of difference: thinking body, memory and intersubjectivity with Bergson and Merlau-Ponty; McGill University, Canada
Dr. Mariam Martínez-Bascuñan Author of Gènero, Emancipaciòn Y Differencia (s) – La teorià polìtica de Iris Marion Young; Independent University of Madrid, Spain
Prof. José Medina Author of Speaking from Elsewhere: A new contextualist perspective on meaning, identity and discursive practice; Vanderbilt University, US

George Grainger Eldridge, Tribe1

Book launch 17.00 – 18.00
Ulrike M. Vieten (2012) Gender and Cosmopolitanism in Europe: A Feminist Perspective, Farnham: Ashgate

Date: Thursday 5 July 2012, 10.00-17.00
Location:  De Balie, Amsterdam (Kleine-Gartmanplantsoen 10)
Organizers James C. Kennedy, Halleh Ghorashi, Thomas Spijkerboer, Ulrike M Vieten, Guno Jones (Research Group‘Inclusive Thinking’)
Registration is open until 1 july. Inquiry and reservation: imyoungsymposium2012@gmail.com

Emoties van een nazaat van de Surinaamse slavernij die een kind-overlevende werd van de Sjoa

door Guno Jones

Surinaamse rug, Joodse buik is een zeer aangrijpend verhaal over de lotgevallen van de auteur en zijn familie tijdens en na de Tweede Wereldoorlog. In dit werk verbindt Wim Egger zijn (Creools-Joods-) Surinaams-Nederlandse achtergrond met zijn (Joods-) Nederlandse genealogie en erfenis in een familiegeschiedenis over de Tweede Wereldoorlog. Zijn herinneringen onderstrepen de verbondenheid van de geschiedenis van (nazaten van) burgers uit de Nederlandse kolonies met Nederlandse geschiedenis. Die verwevenheid kan, zo getuigt Surinaamse rug, Joodse buik, niet afgedaan worden als een ‘postmoderne’ kunstgreep, maar is stevig gegrond in concrete ervaringen van aanwijsbare mensen. Eggers verhaal biedt de mogelijkheid de meer gangbare historiografie, waarin Nederlandse geschiedenis (in dit geval de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog) en de geschiedenis van het kolonialisme en haar menselijke erfenissen nagenoeg geïsoleerd van elkaar geanalyseerd worden, tegen een kritisch licht te houden: hoeveel Wim Eggers zijn hierdoor onbeschreven gebleven of definitief aan ons zicht onttrokken?

Wim Egger (foto rechts) karakteriseert zijn familiegeschiedenis als, zoals de ondertitel luidt, ‘emoties van een nazaat van de Surinaamse slavernij die een kind-overlevende werd van de Sjoa’. Daarmee situeert hij zijn levensverhaal op het snijpunt van twee beladen Nederlandse geschiedenissen en neemt hij stelling tegen het quasi neutrale karakter dat volgens hem eigen is aan de professionele geschiedschrijving:

‘Ik geef geen afstandelijke analyse zoals historici doen tot de emotionele en persoonlijke herinneringen juist verdwijnen of ontheiligd raken, maar ik ben betrokken bij de verwevenheid van lotgevallen: van het brandmerken van slaven overzee, via de brandstapels van de Spaanse Inquisitie, tot de crematoria van de vernietigingskampen’ (p. 14).

Die betrokkenheid leidt tot een apodictische kritiek op de lijdzame en actieve medeplichtigheid van niet-vervolgde Nederlanders tijdens de oorlog en hun onbegrip voor oorlogsleed in de periode daarna. Zoals de auteur het formuleert: ‘Ik ben nog voor altijd ontzettend woedend over de gulle en massale medewerking die de Duitse bezetters in Nederland ondervonden bij de uitvoering van hun gruwelijke nazi-plannen’ (p. 29). Egger staaft deze stelling met talloze voorbeelden zoals de actieve medewerking, far beyond duty, van het Nederlandse ambtenarenapparaat en de politie, de passieve houding van ‘nabije en vrije Nederlanders’ tijdens de arrestatie van Joodse Nederlanders (p. 43), de toe-eigening van achtergelaten Joodse eigendommen en het anonieme verraad van Joodse Nederlanders en verzetsmensen door niet-vervolgde Nederlanders. Tegen de achtergrond van de Sjoa is het voor Egger moeilijk te verteren dat ‘de meeste Nederlanders gewoon door konden gaan met hun leven, hun werk, hun alledaagse bezigheden, ja, zelfs met bioscoopbezoek’ (p. 53).

Voor Eggers aanklacht bestaat gezien de gruwelijke lotgevallen van hem en zijn Joods-Hollandse familietak alle aanleiding. Egger geeft de slachtoffers van de Jodenvervolging een gezicht en interpreteert de Sjoa (in navolging van de beroemde these van Zygmunt Baumann in Modernity and Holocaust (1989) dat de Sjoa geen ‘barbaars’ historisch incident is maar onderdeel uitmaakt van het moderne Europa) als een vorm van ‘moderne vernietiging’ (p. 72). De auteur schetst in feite hoe het staatsburgerschap, een hoedanigheid die volgens de theorie van het moderne burgerschap minimale rechtsbescherming zou garanderen, volledig overschaduwd wordt door Nazistische rassenwaan, vervolging en genocide. Aan het zorgeloze leven van de toen zevenjarige Wim Egger kwam op 7 januari 1943 een abrupt einde ‘toen de Nederlandse handlangers van de bezettende Duitsers’ (p. 19) zijn ouderlijk huis binnenvielen. Het verzetswerk van zijn vader, die een aanzienlijk aantal Joodse Nederlanders aan een onderduikadres heeft geholpen en in eigen huis een schuilkelder voor zijn Joodse schoonfamilie heeft gebouwd, bleek verraden. Tijdens de inval worden ‘met een uitbarsting van angstaanjagend geweld’ (p. 17) zijn moeder, zusje en hijzelf gearresteerd. Ook zijn Joodse oma en een tante, die bij het gezin Egger ondergedoken waren, worden bij die razzia opgepakt. Eggers vader, die op dat moment niet thuis was, wordt niet lang daarna gearresteerd. Hij bezwijkt niet onder de martelingen van de autoriteiten en wordt in juni 1944 vrijgelaten na zijn straf te hebben uitgezeten in kamp Vught. Egger senior kreeg ‘slechts’ straf voor verzetsdaden en bleef buiten het concentratiekamp omdat hij ‘niet geregistreerd [stond] als Joods’: ‘de Surinaams-Joodse afstammingslijn met de Afrikaans-Joodse roots van mijn vader was de Duitsers […] te machtig. […] de gemeentearchieven uit Paramaribo bleven onbereikbaar’ (p. 114). ‘[…]als Surinamer werd je toen niet vervolgd.’(p. 152.).
Zijn Joodse moeder wacht een ander lot: ondanks het feit dat de Duitse rassenwetten Joodse vrouwen die getrouwd zijn met niet-Joodse mannen (en de kinderen uit deze relaties) als niet-Joods classificeren en formeel uitzonderen van vervolging, komt ze in concentratiekamp Auschwitz-Birkenau terecht (pp. 175-177). Op het nippertje weet ze, in ruil voor haar gouden trouwring, te voorkomen dat hij en zijn zusje ook naar een Duits concentratiekamp worden afgevoerd: ze wijst de bewakers van de verzamelplaats voor Joodse Hagenaren (Het Joodse Tehuis) erop dat ze ‘met een Surinamer getrouwd was en dat ze haar kinderen niet mee wilde nemen’ (p. 125). Ze slaagt in haar opzet: Egger en zijn zusje worden vrijgelaten en mogen gaan wonen bij hun ‘Surinaamse tante Hélène’ en hun ‘oer-Hollandse oom Frits’. Egger: ‘Ik [was] ineens ‘Surinaams’ geworden met de volle nadruk op alleen die ene kant van mijn complexe Joods-Amsterdams-Surinaamse roots.’ (p. 152). Zijn moeder (die oom Frits nog naroept ‘ik ben verloren, zorg goed voor de kinderen’, p. 175) en al zijn Joodse familieleden (de familie Jas) worden echter op transport naar de Duitse concentratiekampen gezet. Egger zou zijn ‘hele verdere leven last ondervinden’ (p. 125) van deze gang zaken: ‘waarom was ik alleen met mijn zusje ontsnapt? […] Buiten mijn zusje en ik zaten zij allemaal nog in de val’ (pp. 150-151.) De jonge Egger sloot zich in reactie daarop ‘af van de wereld, een afsluiting die nog jaren zou duren’ (p. 151). Praktisch zijn gehele Joodse familietak wordt in de Duitse concentratiekampen vermoord. Het gezin Egger wordt na de oorlog herenigd, maar heeft daarmee niet de oorlog achter zich gelaten. Eggers moeder is zowel fysiek als psychisch voor het leven getekend als gevolg van de medische experimenten en ontberingen die ze in het concentratiekamp heeft ondergaan. Ze komt haar oorlogstrauma niet meer te boven. Wim Egger weet door zijn, aldus de auteur, ‘sterke Surinaamse rug’, de rem op zijn persoonlijke ontwikkeling als gevolg van de oorlog uiteindelijk te boven komen: hij maakt carrière in de uitgeverswereld en haalt op latere leeftijd alsnog, cum laude, zijn meestertitel. Maar na zestig jaar slaat de oorlog alsnog toe en krijgt zijn ‘gevoelige Joodse buik’ de overhand: Egger ontwikkelt klachten die bekend staan als de posttraumatische stresstoornis en heeft jaren van therapie nodig om zijn evenwicht enigszins te hervinden.

Toch zijn deze ‘emoties’ niet enkel als ‘oorlogsverwerking’ op te vatten. Voor Egger is Surinaamse rug, Joodse buik ook onderdeel van een ‘levensopdracht’ om ‘de herinnering aan mijn Familie Jas en alle anderen in de context van de Europese Choerban’ levend te houden: ‘ik moet de stem zijn van mijn vermoorde familie’ (p. 284). Zo geeft de auteur zoveel mogelijk profiel aan zijn vermoorde familieleden en neemt hij de namen van de omgebrachte families Jas (waaronder zijn familie), Bergen en Metzelaar (deze laatste twee zijn door hulp van het gezin Egger ondergedoken maar verraden) integraal in zijn boek op (pp. 73-76). Surinaamse rug, Joodse buik kan daarom ook gelezen worden als een lieu de mémoire. Een plaats van herinnering met een blik op de toekomst: Egger neemt krachtig stelling tegen hedendaagse varianten van zowel Europees als niet-Europees antisemitisme en kiest vanwege deze in zijn ogen alomtegenwoordige context (pp. 307-335) bijvoorbeeld duidelijk partij in het Palestijns-Israëlische conflict (voor Israël, tegen de Palestijnen). In die zin is Surinaamse rug, Joodse buik literaire non-fictie met een politieke boodschap. Deze ‘politieke’ passages doen vermoeden dat er een intieme relatie bestaat tussen de geschiedenis van de Sjoa en de Israëlische opstelling ten opzichte van de Palestijnen, wat de totstandkoming van een vergelijk niet eenvoudig maakt.
Gezien de vernietigende kracht van het antisemitisme dat Egger, zijn Joodse familie, en miljoenen Joodse Europeanen tijdens de Tweede Wereldoorlog getroffen heeft, is het begrijpelijk dat de auteur dit fenomeen zeer serieus neemt. Maar door de enigszins totaliserende nadruk op de duurzame structuur van het omnipotente antisemitisme zijn de variaties in de ‘Joodse ervaring’ naar tijd en context wat onderbelicht gebleven. Naast de ‘religieuze’, rituele en sociale dimensies (de auteur ‘laat’ op latere leeftijd ‘het Joodse toe’) is ‘Joods zijn’ voor Egger vooral een positie van permanente dreiging en grote kwetsbaarheid. Egger ontleent hier een perspectief op identiteit aan, dat door zijn hele betoog heenloopt: aan het Creools-Surinaamse deel van ‘de Surinaamse rug’ schrijft hij een vermogen toe om, hardgemaakt door ontworsteling aan de slavernij van de voorouders, rampspoed te boven te komen, terwijl hij in zijn ‘Joodse aspect’ het kwetsbare deel van zichzelf ziet. Dit bipolaire perspectief op zijn identiteit is een kader waarmee hij zijn ‘krachtige momenten’ en ‘zwaktes’ verklaart: ‘[…] nu zit het verzameld in één lijf,[…], in mij, maar sterker dan die samenloop zijn er de verschillen: terwijl het de zwarten, kleurlingen of Creolen beter gaat en sommigen nauwelijks weet hebben van het slavenverleden, lijkt de Joodse afkomst een eeuwigdurende beklemming en belasting te geven die leiden tot een tweede natuur van alert zijn.’ ‘Creolen […] zijn sterk, ze hebben een sterke rug gekregen. Ook ik voel een sterke rug, mijn Surinaamse rug. Maar redden de voormalige Egyptische slaven zich?’ (p. 278-279).

Hoewel dit perspectief op identiteit door Eggers persoonlijke ervaringen met vervolging begrijpelijk is, kunnen juist op basis van zijn biografie ook kanttekeningen geplaatst worden bij het denken in termen van groepkenmerken. Eggers eigen beschrijvingen illustreren bijvoorbeeld hoe zijn Joodse moeder tijdens de Tweede Wereldoorlog ‘kracht’ toont door onder afschuwelijke kampomstandigheden de moed erin te houden en te overleven. Identiteitsvertogen over ‘groepskenmerken’ kunnen weliswaar geborgenheid verschaffen maar ook veel onheil brengen, vooral als ze van buiten af worden toegeschreven. De tragiek is dat een essentialistisch perspectief op identiteit juist ‘onontkoombaar’ kan zijn voor diegenen die de vernietigende kracht van raciale classificaties hebben meegemaakt en uiteindelijk wellicht meer gebaat zijn bij een krachtige ethiek van individualiteit en een praktijk van gelijkberechtiging van burgers op basis daarvan.

Dit dilemma neemt niet weg dat Surinaamse rug, Joodse buik boeiende handvatten biedt om de blinde vlekken in de dominante historiografie over de Tweede Wereldoorlog weg te werken. Het boek is wat dit betreft onderdeel van een bredere trend van boeken en films zoals Sonny Boy, Tante Bettina vertelt, De kleurling, Mayday in the West en De vergeten strijders van Oranje die de rol van kolonies of burgers uit de kolonies in de Nederlandse geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog illustreren. Niettemin is de verwevenheid van de geschiedenis van burgers uit de kolonies met de Nederlandse oorlogsgeschiedenis geen gemeengoed. Zo bleek de beststeller Sonny Boy onbekend bij MA-studenten die in december 2010 aan de Vrije Universiteit het vak percepties van het verleden volgden. Toen tijdens dit vak het lot van de vermoorde Joods-Surinaamse Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog aan de orde kwam vroeg een studente vol verbazing: ‘Waren er dan Surinaamse Joden in Nederland’? Daarnaast is er maatschappelijke weerstand tegen een breder verhaal over de Tweede Wereldoorlog. Zo werden een expositie over het aandeel van ‘de West’ in de Tweede Wereldoorlog in 2008 (in het kader van Bevrijdingsdag) afgeblazen na protest van enkele bewoners van het wooncentrum in Amsterdam waarin deze zou plaatsvinden. De strekking van de bezwaren was dat ‘bevrijding Nederlandse geschiedenis’ is die ‘Surinamers’ en ‘Antillianen’ zich niet mogen toe-eigenen. Sommigen kunnen maar moeilijk overweg met oorlogserfenissen van Nederlanders uit de kolonies en hun nazaten, die ex post facto geclassificeerd worden als ‘allochtonen’. Maar ook in de officiële historiografie over de Tweede Wereldoorlog zijn nog maar weinig publicaties gewijd aan de impact van de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse burgers uit de voormalige kolonies en hun kinderen in Nederland. Boeken zoals Surinaamse rug, Joodse buik maken duidelijk dat dit onderwerp tot het domein van het onderzoekbare (en financierbare) dient te worden toegelaten.

Wim Egger, Surinaamse rug, Joodse buik; Emoties van een nazaat van de Surinaamse slavernij die een kind-overlevende werd van de Sjoa. Voorburg: Libertador, 2009. 336 p., ISBN 978 90 6170 002 9, prijs € 24,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Het Koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog


Op 8 mei j.l. vond bij de vereniging Ons Suriname in Amsterdam een avond plaats over de overzeese gebiedsdelen van het Koninkrijk gedurende de Tweede Wereldoorlog, naar aanleiding van het verschijnen van het boek van Esther Captain en Guno Jones, Oorlogserfgoed overzee. Op de foto van links naar rechts Dorna van Rouveroy, Guno Jones, Esther Captain en interviewer Jules Rijssen. Foto @ Frank Consen.

Koninkrijk in Wereldoorlog

Op 8 mei worden twee filmdocumentaires vertoond bij de Vereniging Ons Suriname over de West in de Tweede Wereldoorlog.

Koninkrijk in Wereldoorlog is een documentaire van Dorna van Rouveroy over de omstreden geschiedenis van de interneringskampen die Nederland had ingericht in de Tweede Wereldoorlog in het enige nog vrije stukje Nederland, n.l. Suriname en de Antillen. In deze kampen werden gevluchte Duitse Joden, Zuid-Afrikaanse dienstweigeraars, Duitsers, en anti-kolonialisten gevangen gehouden. Ook werd vanuit Nederlands-Indië 146 man aangevoerd die de Onverzoenlijken werden genoemd. De groep was een mengeling van NSBers en in het wilde weg opgepakte en opgesloten mannen. Twee van hen werden tijdens de gevangenschap in Suriname vermoord door hun Nederlandse bewakers, maar de schuldigen werden ondanks parlementaire enquêtes na de oorlog, niet berecht. De film maakt een zoektocht langs monumenten uit die tijd en mensen worden geinterviewd die betrokken zijn geweest bij de gebeurtenissen en die periode van de Tweede Wereldoorlog, die ook een einde maakte aan het immense rijk dat Nederland toen was.

In Suriname waren er interneringskampen op de Copieweg en op Joden Savanna. Bekende progressieve Surinamers die daar ook geïnterneerd werden waren onder andere: Otto Huiswoud, Wim Bos Verschuur en Eddy Bruma. De verwijdering van Bos Verschuur uit de samenleveing was het gesprek van de dag. De grond voor zijn opsluiting was het feit dat hij ageerde tegen het Nederlandse beheer van Suriname en dat hij tegen de gouverneur (Kielstra) was. Eddy Bruma had een anti-koloniaal pamflet geschreven en Otto Huiswoud werd gevreesd om zijn reputatie in de internationale progressieve beweging.

Mayday in the West is een filmdocumentaire van Dave Edhard, een productie van Fawaka Creations.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn in Suriname 48 vliegtuigen neergestort. In 2008 ondernam de Surinaamse regisseur Dave Edhard expedities naar twee van deze neergestorte toestellen. Samen met expeditieleider Rob van Petten en militairen van het Surinaams Nationaal Leger werd gezocht naar restanten van de vliegtuigen in de Coroniezwampen en in de buurt van de Warapakreek in het district Commewijne. In eerste instantie dacht Edhard deze expedities vooral voor eigen gebruik vast te leggen, maar toen hij dieper in het verhaal achter de crashes dook en de expedities groter werden, besloot hij er een documentaire over te maken. Tijdens intensief onderzoek in archieven en documenten ontdekte Edhard tot nu toe onbekend gebleven informatie over de rol van Suriname tijdens de Tweede Wereldoorlog. In gesprekken met nabestaanden ontdekte hij dat er rondom het in 1943 neergestorte vliegtuig bij de Warapakreek nog altijd een groot mysterie hangt. Het gebruikte archiefbeeldmateriaal verschaft een duidelijk beeld van het leven in Suriname tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Programma

Welkom
Vertoning Koninkrijk in Wereldoorlog
Jules Rijssen interviewt Dorna van Rouveroy, Esther Captain en Guno Jones, auteurs van Oorlogserfgoed overzee
Discussie

Pauze

Vertoning Mayday in the West
Datum: zondag 8 mei 2011, aanvang 15.00 uur
Plaats:Vereniging Ons Suriname
Zeeburgerdijk 19-a
1093 SK Amsterdam
Tel: 020 – 693 50 57
Email: info@veronsur.org
Toegang: 5 euro

Oorlogserfgoed overzee

De erfenis van de Tweede Wereldoorlog in Aruba, Curaçao, Indonesië en Suriname

Zijn er nog sporen van de Tweede Wereldoorlog te vinden in het huidige, onafhankelijke Indonesië en Suriname? Hoe is de situatie momenteel op Aruba en Curaçao, nog steeds onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden? En welke vorm heeft de herinnering aan de oorlog in deze voormalige kolonies gekregen?

In Oorlogserfgoed overzee van Esther Captain en Guno Jones staat centraal welke materiële sporen van de oorlog in de huidige Nederlandse Antillen, Indonesië en Suriname zijn terug te vinden en hoe diverse belanghebbenden hier door de jaren heen betekenis aan hebben gegeven. Maar ook het teloorgaan van oorlogserfgoed krijgt aandacht, zoals het afbreken van defensiewerken, het verdwijnen van historische gebouwen en de verwaarlozing van monumenten. Ook is er aandacht voor de rituelen, herdenkingen en pelgrimsreizen die in de loop der tijd zijn ontstaan en voor erfgoedtoerisme.

Dr. Esther Captain is historica. Ze is onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) te Amsterdam en programmaleider aan het Centre for the Humanities van de Universiteit Utrecht.

Dr. Guno Jones is antropoloog. Hij is als postdoc-onderzoeker verbonden aan de onderzoeksgroep ‘Inclusive Thinking: the policy and practice of diversity in the Netherlands in a historical context’ van de Universiteit van Amsterdam.

Uitvoering: paperback, ca. 436 pagina’s
Prijs: ca. € 24,95
ISBN: 978 90 351 3584 0
Amsterdam: Uitgeverij Prometheus/Bert Bakker

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter