blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Jansen van Galen John

«Hij is absoluut de beste dichter van Suriname»

John Jansen van Galen besprak bij NOS Met het oog op morgen de nieuwe bundel van Michael Slory, Alsof men alles loslaat. read on…

Radiopraatjes vanaf een lang vervlogen Curaçao

“Van Leeuwen ontpopt zich als een ware columnist, in die zin dat zijn bijdragen werkelijk overal over kunnen gaan en hij zich onverwachte een vaak schijnbaar onlogische wendingen en zijpaden veroorlooft. De kracht van de column schuilt uitsluitend in de blik en het stilistisch vermogen van de auteur.”

door John Jansen van Galen read on…

John Jansen van Galen over Suriname

[Fragment uit een interview in De Persmus, uitgave van het Persmuseum Amsterdam, juni 2015]

Even uitleggen: je bent met een boek bezig over de geschiedenis van Vrij Nederland. Wanneer komt dat uit?
“Wist ik het maar. Het duurt langer dan gedacht. Het zit me niet glad. Het zou er zijn op 31 augustus aanstaande, dan bestaat VN
75 jaar. Maar dat lukt niet. Ik ben er vorig jaar een tijd mee opgehouden, heb het weer opgevat. Of dat een goed idee is, is de vraag. Het gaat niet van een leien dakje.” read on…

Avond van de Bijzondere Journalistiek

Tot en met 27 mei kunt u zich nog aanmelden voor de ‘Avond van de Bijzondere Journalistiek’ op donderdag 4 juni. read on…

Lijvige biografie Arron vooral voor fijnproevers

door John Jansen van Galen

Vandaag viert Suriname Onafhankelijkheidsdag. Henck Arron geldt als de vader van de Surinaamse onafhankelijkheid. Onlangs verscheen zijn biografie. read on…

Mallemolen van Surinaamse personages en hun namen (1)

door William L. Man A Hing

Aangenomen kan worden dat de verrommeling van Surinaamse namen en persoonsgegevens door een vloed van publicaties op gang is gekomen na de opstand van 1980. Dat daarbij niet steeds zorgvuldig wordt omgesprongen met gegevens van bekende actoren laat een kleine bloemlezing zien. read on…

Boekencafé in Amsterdamse Academische Club

Boekencafé 27 t/m 31 januari
In de laatste week van januari is iedereen welkom in het Boekencafé: vijf avonden achtereen gesprekken met topschrijvers in de Amsterdamse Academische Club. De week heeft het thema ‘de zeven hoofdzonden’. Het Boekencafé opent op maandag 27 januari met Jan Siebelink. Toegang gratis.
Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, gesprekken met schrijvers:
–              maandag 27 januari Boekencafé 1: Een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.
–              dinsdag 28 januari Boekencafé 2: Poëzie en beeldende kunst verenigd in boek: Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
–              woensdag 29 januari Boekencafé 3: Het succes van culinaire boeken: Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
–              donderdag 30 januari Boekencafé 4: Caraïbische letteren: Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
–              vrijdag 31 januari Boekencafé 5: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.
Michiel van Kempen. Foto ©Reza Djoric

 

Maandag t/m vrijdag: 27, 28, 29, 30, 31 januari 2014
Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur:
• 17.00 uur inloop
• 17.30 uur start gesprek
• 18.30 start gesprek met de zaal
• 18.45 uur borrel en 19.15 uur Clubschotel (optioneel)
Adres: Amsterdamse Academische Club, Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam
Toegang gratis: iedereen welkom.
Wel graag aanmelden: klik hier 
of hier
Vera de Kort

 

Het Boekencafé is een initiatief van Boekface en is geprogrammeerd door Vera de Kort.

Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte
.
John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?
Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?
Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?
De verovering van de Nieuwe Wereld
De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.
 
Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.
 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.
[uit Oso 2013, nr. 2]

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

John Jansen van Galen
door Walter Lotens
Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniëngeschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.
John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname(een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).
“Een neger uit Zuremane!”
Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep – Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)
Journalistiek onderzoek
Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht?
Drie lijvige delen
Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden – minder dan een half miljoen inwoners – waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.
Kruithuis Nieuw Amsterdam. Foto H. Sevenoaks
In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.
Sint Eustatius
In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West – in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben – die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.
Geen eenduidige conclusie
Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)
Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.
John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95.

Debat Afscheid van de koloniën

Amusement voor de KNIL-soldaten in Indonesië
Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, dat het niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname? Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10-10-2010 kwam er nog geen eind aan. John Jansen van Galen beschreef de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen in Afscheid van de Koloniën.
John Jansen van Galen schreef eerder Kapotte plantage. Een Hollander in Suriname (1995) en Hetenachtsdroom (2000), over het Surinaamse nationalisme.
Dr. Guno Jones, senior onderzoeker verbonden aan het Migration and Diversity Centre (Vrije Universiteit Amsterdam) gaat met hem in debat.
Datum: 2 juni 2013, van 15.00-17.30 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19-21, Amsterdam
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter