blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Hongarije

FF Lecture: Gábor Pusztai over László Székely

In de reeks Framer Framed Lectures spreekt op vrijdag 24 maart dr Gabor Pusztai over het werk van László Székely, schrijver en beeldend kunstenaar. read on…

Een Surinaams gedicht in Hongaarse vertaling

Dominee Cornelis van Schaick, geboren op 25 oktober 1808 te Amsterdam, zeilde in 1852 naar Suriname waar hij tot 1861 zou blijven, en overleed op 28 januari 1874 in zijn geboortestad. . Al kort na zijn aankomst begon hij gedichten en prozabijdragen te publiceren in het Surinaamsch Weekblad en in de Surinaamsche Courant en Gouvernements Advertentie Blad. Hij publiceerde de roman De manja: familie-tafereel uit het Surinaamsche volksleven (1866) ook een Dichtbundeltje voor de Surinaamsche jeugd (1853). Het gedicht ‘Dieren kwellen’ werd door Dániel Tóth vertaald in het Hongaars.  read on…

R. Dobru – Wan bon/Egy fa

Wan bonWan bon
someni wiwiri
wan bon.

Wan liba
someni kriki
ala e go wan se.

Wan ede
someni prakseri
prakseri pe wan bun mu de.

Wan Gado
someni fasi tu anbegi
ma wan Papa.

Wan Sranan
someni wiwiri
someni skin
someni tongo
wan pipel.

R. Dobru 1973

read on…

Wan Pipel in Hongarije

Boedapest. Foto © Michiel van Kempen

Onder auspiciën van de Hongaars-Surinaamse Vriendschapsvereniging beleeft de film Wan Pipel van Pim de la Parra op donderdag 10 april a.s. om 17:00 uur zijn Hongaarse premiere op de ELTE Universiteit te Boedapest, de grootste universiteit van Hongarije. Deze vriendschapsvereniging is in 2012 uit liefde voor de Surinaamse cultuur opgericht op initiatief van de jonge student Sabi Fuer, die onder medestudenten van diverse studierichtingen al diegenen wist te verzamelen die nieuwsgierig zijn om nader kennis te maken met land en volk van Suriname.

In Hongarije wordt er door de bevolking maar één taal gesproken, en het spreekt tot de verbeelding van talloze jonge Hongaren dat er een voor hen nog onbekend en uniek land als Suriname bestaat, waar zoveel verschillende etniciteiten en culturen naast en met elkaar samenleven.
 De Hongaars-Surinaamse Vriendschapsvereniging wil met de première van Wan Pipel een begin maken met het op de kaart zetten van Suriname in Hongarije, zodat er interculturele contacten kunnen ontstaan tussen de inwoners van deze twee landen.
 Deze première voorstelling is vrij toegankelijk voor alle studenten van de ELTE universiteit en men verwacht vooral veel studenten diplomatie, maatschappijleer, taal & geschiedenis, neerlandistiek, kunstgeschiedenis , sociale geografie en economie.
De Blu-Ray disc van Wan Pipel is voorzien van Engelse en/of Franse ondertiteling en is kosteloos beschikbaar gesteld door EYE Film International, het nieuwe Filmmuseum in Amsterdam, dat Wan Pipel in 2010 heeft gerestaureerd.
Nadere informatie kan verkregen worden via het e-mailadres van de heer Sabi Fuer, te weten: s.fuer@msn.com .

Michiel de Ruyter-herdenking in Hongarije

Michiel de Ruyter bevrijdt de Hongaarse predikanten
 
door Gábor Pusztai
Michiel de Ruyter is in Nederland bekend als de admiraal, bestevaar, een nationale held. In Hongarije is hij de bevrijder. Natuurlijk heeft dit te maken met de bevrijding van de Hongaarse protestantse predikanten op 11 februari 1676 in Napels. Zijn naam wordt in Debrecen, het protestantse Rome van Hongarije, in ere gehouden. Er is een straat in de stad naar hem vernoemd en er is ook een monumentaal schilderij in de kleine raadszaal van het Gereformeerde Collegium van de minder bekende 19eeeuwse kunstenaar Nemes Tamás Miklós, waarop de admiraal afgebeeld staat op het moment, dat hij de Hongaarse predikanten bevrijdt. Dankzij de enthousiaste inzet van Ronald Steur en de financiële steun van onder andere de Nederlandse Ambassade te Boedapest, hangt het doek nu gerestaureerd, in zijn oude glorie hersteld, in het Gereformeerd Collegium.
De zuil voor Michiel de Ruyter in Debrecen.
Foto @ Michiel van Kempen

 

Het meest in het oog springende monument in verband met admiraal De Ruyter is een gedenknaald achter de Grote Kerk in Debrecen. Op de gedenknaald, opgericht in 1895, in het centrum van de stad, staat naast de namen van de bevrijde predikanten ook de naam van De Ruyter vermeld. Maar er staat niet Michiel Adriaenszoon de Ruyter, maar De Ruyter Mihály. Een verhongaarsde variant dus van de naam van de Nederlandse zeeheld. Je kijkt ervan op, maar toen, aan het einde van de 19e eeuw was dat zeer gewoon. De naam van buitenlandse schrijvers werd ook willekeurig veranderd. Van Jules Verne werd toen Verne Gyula, van Karl May May Károly gemaakt. Zo werd van Michiel de Ruyter op z’n Hongaars De Ruyter Mihály. Maar wat veel belangrijker is, is dat de naam er sinds 1895 staat en dat op de dag van de reformatie, op 31 oktober, de daad van De Ruyter jaarlijks herdacht wordt. Herdenkingen vinden wij belangrijk. Het regelmatig opfrissen van het collectieve geheugen maakt ons van het verleden bewust en vormt onze identiteit. Er wordt gewezen op wie je bent, waar je bij hoort, waar je voor staat. Er zijn soms speciale herdenkingen, zoals in 2007. Toen werd in Nederland het De Ruyter-jaar gevierd, en in Debrecen werd de bevrijder met een internationaal symposium herdacht. Michiel de Ruyter en Hongarije was de titel. Het werd georganiseerd door de Vakgroep Nederlands van de Universiteit Debrecen en het vond plaats in het Gereformeerde Collegium. De congresbundel is het eerste boek in Hongarije, die de kennis over admiraal De Ruyter met wetenschappelijke nauwkeurigheid samenvat.
Dat de naam van De Ruyter op de gedenknaald verhongaarsd is, kun je misschien zien als slordigheid. Ik zie het anders. Hierdoor komt de admiraal voor Hongaren een stukje dichter bij. Het is een soort erkenning, een teken van respect. Wat hij op 11 februari 1676 deed was vergeleken met zijn heldendaden in de jaren daarvoor voor Nederland minder belangrijk. Maar voor de Hongaren was de bevrijding van de galeien veel meer dan het redden van 26 levens. In de tijd van de contrareformatie en de vervolgingen in Hongarije was dit een symbolische daad. Een symbool van solidariteit en broederschap. Daarom werd in Debrecen de Nederlandse admiraal als de bevrijder herdacht en als De Ruyter Mihály.

Suriname in Boedapest

Verentooi van de Piarao, Venezuela

door Michiel van Kempen

Als ik uitgenodigd word om colleges te komen geven in Hongarije, dan weet ik dat ik me erop moet voorbereiden dat alles wat ik over Suriname en de Antillen (jaja, de voormalige…) ga vertellen volstrekt nieuw is voor het toeluisterend publiek, voor de studenten evenzeer als voor de docenten. Wat creolen zijn en waar die vandaan komen, wat hindostanen zijn en dat die de meerderheid van de Surinaamse bevolking uitmaken, dat boeroes en protestant blanku niet hetzelfde zijn als witte Nederlanders, wat het verschil is tussen Papiamentu en Sranantongo enz. enz. enz. Het lijkt daar waarachtig Nederland wel!

Hoe veraf en vreemd ook in tal van opzichten, er is ook heel veel dat de Hongaren herkennen in de positie van landen met een kleine cultuur aan de periferie van de grote culturen. Grote groepen landgenoten buiten het land van herkomst: de Hongaren weten er alles van. Wat nationalisme is en wat dan kan teweegbrengen: vraag het de Hongaren. Het speet me dat er daags voor mijn aankomst een opvoering was van een zwaar-romantische opera van Erkel, maar mijn gastvrouwe, prof. Judit Gera van de Eötvös Lórand Universiteit in Boedapest, smeet direct het lid op mijn neus: die vreselijke opera’s van Erkel worden alleen misbruikt door rechts-nationalistisch Hongarije. Toen ik in de metro de affiches voor de opera zag met een agressieve adelaar, begreep ik dat mijn vraag of er nog sprake was van een enigszins kritische enscenering, volstrekt buiten de orde was. Dan hadden ze die afgrijselijke adelaar wel de kleuren van Greenpeace gegeven.

Prof. dr Judit Gera

De colleges lopen zoals wel te voorzien was: met een gretig-nieuwsgierig publiek en weinig respons; het Nederlands is een lastige taal voor Hongaarse studenten. Ze vinden het fascinerend om Pierre Lauffer te horen en Edgar Cairo en Michael Slory in beeld te zien. Hilariteit is er als ik vermeld dat in 1910 de Hongaar Franz Pavel Killinger een staatsgreep in Suriname wilde plegen. (‘Waar Hongaren komen, komt er chaos,’ reageerde twee jaar geleden een glunderende Gabór Pusztai van de universiteit van Debrecen al.) En grote verbazing is er als ik iedereen uitnodig naar zijn schoenen te kijken, voordat ik Slory’s gedicht over Jan Ernst Matzeliger behandel, de Surinaamse uitvinder van de schoenmachine.

 

Hoofdtooi Piaroa, Venezuela
Ik had niet verwacht dat ik in een van de tientallen musea of honderden boekwinkels van Boedapest enig spoor van de Caraïben zou vinden. Het zou wel weer blijven bij de cuba libreof de Curaçao blue in een cocktailbar. Op mijn eerste dag trof ik niets aan, behalve een tag op de rots achter het beroemde mineraalbadhotel Gellert: ‘Quito Nicolaas was here.’

Maar de tweede dag pakte heel anders uit. Ik stond wat besluiteloos op de Kosuth Tér, het plein voor het indrukwekkende gotische parlementspaleis aan de Donau: er waren geen kaartjes meer voor de rondleiding, en ik besloot het plein over te steken naar het Volkenkundig Museum. De kassajuffrouw keek mij enigszins meewarig aan toen ik vroeg of het museum ook  iets tentoonstelde over Zuid-Amerika. Ja, er was wel een tentoonstelling over Amazone-Indianen, mompelde ze enigszins gegêneerd, maar (nu brak er licht door in haar stem) ik zou toch zeker niet vergeten de prachtige collectie Hongaarse volkskunst te gaan zien, met hetzelfde ticket van 8 euro? Ik beloofde het, met twee vingers zwerend op de adelaar van Erkel.

Lajos Boglár tussen de Piaroa in Venezuela, 1967-1968

Al direct in de eerste zaal van de Amazone-tenoonstelling sta ik perplex van verbazing: zekere Lajos Boglár is geboren in Sao Paulo als zoon van de Hongaarse consul. Hij zal als antropoloog zijn hele leven wijden aan onderzoek naar de Zuid-Amerikaanse Indianen en komt te werken bij dezelfde universiteit waar ik nu gastcolleges geef. Omdat hij familie heeft in Brazilië, krijgt hij als een van de weinige wetenschappers tijdens de communistische periode toestemming om veldwerk te doen in het buitenland. Hij verzamelt gegevens, maakt foto’s en films en brengt een enorme collectie voorwerpen bijeen, waarvan een honderdtal uit Suriname, vooral van de Wayana! Het is zijn collectie,  samen met de verzameling van het Volkenkundig Museum, die het fundament van de tentoonstelling vormt. Suriname prominent aanwezig in het gigantische Romeins-pompeuze museumgebouw in hartje Boedapest!

Dansmasker van de Piaroa, Venezuela

Natuurlijk gaat de tentoonstelling over de bedreigingen voor de inheemse stammen in het Amazonegebied. Maar het lijkt alsof dat maar een side-line is, die de actualiteit nu eenmaal vraagt om sshoolkindertjes naar het museum te krijgen. De expositie geeft een volwaardig beeld van het leven van de Amazone-volkeren. Tal van pottenbakkersvoorwerpen zie ik voorbijkomen, voornamelijk uit 1896 maar bijna alsof ze door dezelfde hand zijn gebakken als de Karaïbse schaal uit Galibi van een eeuw later die ikzelf in huis heb staan. Er zijn prachtig geconserveerde hoofdtooien van kleurrijke vogelveren, er zijn armbanden, voetversieringen, halskettingen. Er zijn kunstige maskers, jachtvoorwerpen, landbouwwerktuigen, kledingstukken, danskostuums, draagbanden, voorwerpen voor het bereiden van cassave en ander eten. En al legt de begeleidende tekst me uit dat zowat elke stam en elk dorp zijn eigen karakteristieken heeft, mij valt toch ook vooral op hoezeer de techniek en de versieringen van volkeren die vaak heel ver uit elkaar wonen, met elkaar overeenstemmen.

Dansmasker van de Wayana, grensgebied Frans-Guyana/Suriname

Merkwaardig is dat de catalogus die de expositie begeleidt, met geen woord van Suriname rept, alsof de collectie van Lajos Boglár pas goed is bekeken toen de catalogustekst al af was. Maar wat geeft het: de prachtige kleurenfoto’s vermelden dan wel dat dit of dat voorwerp uit Venezuela komt, mijn hoofd is zo vrij om erbij te denken: het had evengoed uit Suriname kunnen zijn. Wetenschappelijk is dat niet, maar ik ben dan ook geen antropoloog, al zou ik graag een hele middag hier college geven aan die gretige Hongaarse studenten. Want als je enthousiast kunt worden voor het schoeisel van Jan Ernst Matzeliger, dan toch zeker ook voor de kolibriveertjes in de Indianentooien.

Het gebouw van de Letterenfaculteit van de Eötvös Lórand Universiteit, Rakoczi út 5, Boedapest
Alle foto’s © Michiel van Kempen

De West in Hongarije

De Néderlandisztika Tanszék, oftewel de afdeling Nederlands van de Universiteit van Debrecen in Oost-Hongarije, huist in een monumentaal gebouw dat in de nadagen van de Oostenrijks-Hongaarse dubbelrepubliek werd neergezet. Ongetwijfeld voelen de studenten – de universiteit telt er 30.000 in totaal – op hun royale campus dat ze bij de onderwijstop van hun land horen. In de nazomerzon slenteren ze graag langs de grote fonteinenpartij of zitten op de trappen een sigaretje te roken (mijn indruk is dat er veel straffer gerookt wordt dan in Nederland). Toch zijn de studenten allerminst verwende rijkeluiskinderen: de colleges beginnen om 8 uur ’s ochtends en gaan met enkele kortere pauzes non stop door tot 8 uur ’s avonds.

Onlangs is er nieuw Erasmus-uitwisselingsverdrag tussen de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit van Debrecen gesloten, dat het mogelijk maakt dat docenten over en weer voor een periode komen doceren. En zo gewerd mij de eer als eerste een uitnodiging te mogen ontvangen van Dr. Gabor Pusztai, die de afdeling Nederlands leidt. Verschillende keren kreeg ik de verbaasde vraag als ik vertelde dat ik in Debrecen een cursus Nederlands-Caraïbische literatuur ging geven: ‘Maar zijn ze daar in Hongarije in geïnteresseerd dan?’ Jazeker, juist in kleinere landen waar ook Nederlands gestudeerd kan worden, is er een bijzonder belangstelling voor de ‘randgebieden van het Nederlands’; voor de koloniale literaturen van Nederland dus. Mogelijk omdat men vanuit de eigen positie in de neerlandistiek extra muros veel van de relatieve marginaliteit van de koloniale literaturen tegenover het ‘centrum’ Nederland herkent.
Een vakgroep Nederlands als die in Debrecen hoort natuurlijk tot de kleinere afdelingen van Hongarijes tweede universiteit. Dat verschaft de colleges direct een bijzondere intimiteit. We scharen ons rond een tafel in de bibliotheekruimte waar een video staat opgesteld. De groepen die ik college moet geven, zijn klein en dan ook nog enigszins uitgedund omdat sommige studenten stage lopen in Nederland. Ik realiseer me maar al te goed hoe razend moeilijk het Nederlands moet zijn voor iemand uit de Finnisch-Oegrische taalfamilie. De voordehandliggende wijze waarop in veel andere westerse landen praktisch iedereen zich van het Engels bedient, is in Hongarije vrijwel afwezig. Oudere taxichauffeurs spreken een mondje Duits, maar hippe jongeren die ik op straat de weg vraag in het Duits en het Engels, halen onverschillig de schouders op en lopen door. ‘Wij zijn een trots volk,’ verklaart een Hongaar met wie ik de lange busreis van Boedapest naar Debrecen maak.
De taal- en cultuursituatie van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba is complex, en ik betwijfel of de braaf jaknikkende tweedejaarsstudenten, die net één jaar Nederlands gehad hadden, het hele relaas kunnen volgen. Een gelukkige greep is dan weer de film Brokopondo, verhalen van een verdronken land van John Albert Jansen. De Saramakaanse dichter/schrijver Dorus Vrede vertelt daarin hoe de Saramakaner marrons van hun geboortegrond werden verdreven, toen het stuwmeer in midden-Suriname werd aangelegd. Ik snap maar al te goed hoe ‘exotisch’ een tropenkolonie met enthousiast dansende marrons moet overkomen voor dit publiek uit centraal Europa. Maar voor Dorus Vrede is het Nederlands óók een aangeleerde taal en hij praat langzaam en plechtig, staande in zijn korjaal midden op het van Blommesteijn-stuwmeer op de plaats waar ooit zijn geboortedorp Lombe lag.
De dagen vliegen om. Ik vertel over de slavernij en ja, natuurlijk over die ene Hongaar die de geschiedenisboeken van de West heeft gehaald: Frans Pavel Killinger die in 1910 een poging tot staatsgreep deed in Suriname. De derdejaars lezen de allereerste tekst van een migrant uit de West die naar Europa trok: Mijn aap schreit van Albert Helman. En de tweedejaars mogen zien hoe de vorming van de canon van klassieke teksten heel anders in zijn werk gaat in de West dan hier in Hongarije – ze hebben trouwens enorme moeite om zelf met de naam te komen van een Hongaarse winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur.
Het is 8 uur ’s avonds, ik heb beamer en laptop ingepakt, papieren geordend en merk tot mijn stomme verbazing dat er helemaal niemand meer aanwezig is. Ik doe de lichten uit, draai de deur op slot en een seconde gaat de gedachte door me heen dat ik als allerlaatste vlaggendrager van de Nederlandse cultuur en haar voormalige koloniën hier, bijna in Transsylvanië, het allerlaatste betoog heb afgestoken. Maar maandagochtend om 8 uur staan de studenten weer vol goede moed voor de deur van het instituut Nederlands in Debrecen.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter