blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Gajadin Chitra

Noodzaak voor verder onderzoek van het Sarnámi

Verslag in woord en beeld van het Sárnami congres

 

Deze pagina is geheel gewijd aan de vorige week (5/6 mei 2017)  gehouden Sarnámi-conferentie, gehouden in het Universiteits guesthouse in Paramaribo. Moderatoren tijdens de discussies waren Indra Djwalapersad, Radjen Baldew, Bhola Narain en Maurits Hassankhan. Op deze literaire pagina zijn korte verslagen van de gepresenteerde lezingen opgenomen, gemaakt door Sita Patadien [SP] en Hilde Neus [HN]. Er was ook vertier. In de avonduren werden er baithak gana liederen ten gehore gebracht door Kries Ramkhelawan en zijn gezelschap. Op de tweede dag waren er diverse auteurs die voordroegen uit eigen werk. Ook presenteerde de toneelgroep Hasti Masti onder leiding van Shanti Matai een sketch die mooi aansloot bij het thema van de conferentie: grootouders die moeite hebben om te communiceren met hun kleinzoon, omdat die het Sarnámi niet spreekt. Vastlegging en overdracht is belangrijk bij het voortbestaan van een taal. Voor het Sarnámi is de prognose positief en deze conferentie draagt daar zeker aan bij. Alle foto’s: Michiel van Kempen. read on…

Literaire middag Sarnàmi hamàr bhàsà hai

Raj Mohan. Foto @ Ranu Abhelakh
Het Sarnámihuis organiseert in het kader van 140 jaar Hindostaanse Immigratie een literaire middag. Deze middag zal in het teken staan van de ontwikkeling én de kracht van het Sarnámi (oftewel het Hindostani). Het publiek krijgt tijdens de hele middag een bijzondere mix van discussies, 2 lezingen en voordrachten door nieuwe en ervaren talenten.De lezingen worden verzorgd worden door Theo Damsteegt en Raj Mohan.
De voordrachten worden o.a. gedaan door Chitra Gajadin, Charietje Choenni en Koemar Gowricharn.
De middag staat onder leiding van Jagdish Thakoerdin.
De literaire middag wordt afgesloten met een borrel.

Zondag 24 november in Theater Dakota aan de Zuidlarenstraat 57 in Den Haag.
De toegang is gratis, maar wel graag aanmelden via: barhanti@outlook.com

Dit is uw land: een schrijversboot in de Koningsvaartvloot

door Chrétien Breukers

De Koningsvaart. Foto @ ANP

Voordat ze aan tafel gingen, maakten ze eerst nog een rondvaart over het IJ om kennis te maken met hun land. Dit is uw land was het thema van de Koningsvaart. Op een boot van het Amsterdamse havenbedrijf slalomde de nieuwe koning met zijn vrouw en kinderen tussen de drijvende equivalenten van het koekhappen en haring kaken. Vertegenwoordigers van hoge en lage cultuur hoopten dat er een glimp van hen werd opgevangen. Sommigen hadden de pech dat het werkelijk waar is: ‘als u nu naar rechts kijkt, ziet u links niets’. Anderen mochten op oprechte aandacht rekenen.

Tot mijn verbazing bevond zich in de vloot ook een schrijversboot. Of het de koning, zijn vrouw en zijn kinderen ook is opgevallen weet ik niet. Ik heb niet gezien dat ze er langs kwamen, ik heb alleen gezien hoe de reporter van dienst de schrijversboot enterde om de bekendste onder de schrijvers – Renate Dorrestein, voor de gelegenheid verscholen achter een enorme oranje zonnebril – een paar vragen te stellen. De verkeerde vragen.

http://static.typepad.com/.shared:v54a4972:typepad:nl_nl/tiny_mce/3.3.9.4/plugins/pagebreak/img/trans.gif

Was het op het moment zelf al een beetje genant Renate Dorrestein de interviewster terecht te horen wijzen – het ging niet om de taal, de schrijvers waren daar om de verbeelding te representeren (al had Renate Dorrestein het zelf ook niet helemaal goed begrepen: ze zat er niet voor de verbeelding, ze zat er vanwege illustere voorgangers, zo o las ik  later toen ik wilde weten wie op het dwaze idee gekomen was om schrijvers op een boot te zetten en te denken dat daarmee voor iedereen duidelijk is dat het schrijvers op een boot zijn: ‘Nederland heeft een rijke traditie in de literatuur. Om deze te eren zijn schrijvers uitgenodigd om de koningsvaart mee te maken’.
Geen van deze schrijvers was op de Schrijversboot te vinden. V.l.n.r. Surianto, Louise Wondel, Chitra Gajadin, John Leefmans, Guillaume Pool, André Pakosie.  Prinsestheater Delfshaven, 16 februari 2000. Foto @ Juan Heinsohn Huala.

Nog erger werd het toen ik las hoe de schrijversboot aan haar bemanning gekomen was. Deze oproep van het bedrijf dat de Koningsvaart produceerde plaatste een studentenvereniging op haar Facebookpagina: We zijn trots om te vermelden dat wij een unieke kans voor jullie hebben!
De stad Amsterdam biedt het koningspaar op 30 april a.s. aan het begin van de avond een onvergetelijke vaartocht aan, de Koningsvaart. Doel van deze vaart is het koningspaar te verwelkomen als Koning en Koningin van Nederland. Zij tonen zich dan voor het eerst na de inauguratie aan het volk en wij willen hen dan verwelkomen en Nederland aan hen tonen. Ons land met z’n rijke historie, met z’n diversiteit en eigenaardigheden. Een land vol kennis en creativiteit. Een eigenwijs land met doorzetters en ondernemers. Een land vol grote en kleine helden.


De vaart wordt in zijn geheel door de NOS geregistreerd en live uitgezonden. IDTV is door de Gemeente Amsterdam gevraagd deze Koningsvaart te organiseren. Hiervoor zijn zij op zoek naar tien studenten neerlandistiek, voor op de schrijversboot. Het idee is dat deze studenten dan – als het Koninklijk paar langs komt varen – spanborden ophouden met favoriete dichtregels/zinnen uit de Nederlandse literatuur van de schrijvers aan boord. De schrijvers zijn uitgenodigd door het CPNB, we weten later deze week wie er allemaal bevestigd hebben. De studenten worden vermoedelijk rond 15.00 uur verwacht bij de Ponthaven in Amsterdam Noord, van daaruit worden zij met een veerpont naar het schip gebracht. Er wordt op het schip gezorgd voor een hapje en een drankje. De Koningsvaart is van 19:30 tot 21:00; alle schepen liggen stil, terwijl de Koning langsvaart. Nadat het IJ is vrijgegeven, na 21:30, wordt iedereen weer met de pont naar de ponthaven teruggebracht. Lijkt dit jou wat? Stuur ons zo snel mogelijk een mailtje, vol = vol!


Het was me al opgevallen dat ik opmerkelijk weinig opvarenden van de schrijversboot herkende.  Met knullige omhooggehouden borden en teksten als ‘Denkend aan Holland zie ik breede rivieren traag door oneindig laagland gaan’ bewijs je de literatuur geen dienst.

Maar ja… de directeur van de CPNB schrok er nog niet zo lang geleden ook niet voor terug om voor het oog van de Bananasplitcamera van Frans Bauer gehavend en wel in slaap te vallen voor de literatuur. Ook dat had iets met de nieuwe koning te maken. Ik bedoel maar: het kan altijd erger. Of is dit waar Alessandro Baricco het over heeft als hij het in De barbaren heeft over de democratisering van de cultuur?

[van De Contrabas, 1 mei 2013]

Chitra Gajadin – Terstond bevrijd

mijn erf verlaten voor werk of iets anders
het uur dat schuilt in dichte schaduwen
roept mij telkens terug naar binnen om
te luisteren naar woorden die zachtjes
mijn hoofd aanraken voor het afscheid

het spoor waarlangs onze wegen kruisen
ben ik bijster bebloed ligt vers op straat
een jonge vogel wiens warme hart ons
toebehoort het lied in ochtenddauw
gesmoord verdampt in blinde vaart

waarheen in welke drukte bevinden wij
ons vandaag zonder te weten waarom
vleugels van ons dromerig hart vragen
kom nog eens naar buiten waar wij
samen spelen de rest van ons leven

 

Chitra Gajadin

Portret van de Surinaams-Nederlandse dichter Chitra Gajadin, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 52 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Chitra Gajadin over Bernardo Ashetu

Foto © Nicolaas Porter

Na zijn eerste bundel, Yanacuna in 1962, heeft de Surinaamse dichter Ashetu (ps. van H.G. van Ommeren, 1929-1982) niets meer zelf gepubliceerd. Kenner van de Surinaamse literatuur Michiel van Kempen heeft nu een bloemlezing samengesteld van honderd gedichten. De samensteller heeft zich als een pionier een weg moeten banen in de nalatenschap van meer dan duizend ongepubliceerde gedichten. Ashetu ontwikkelde zich als scheepsmarconist op de grote vaart tot schrijver. Zijn taalgebruik blijft gecodeerd, er valt geen eenduidige betekenis te ontlenen aan zijn woorden. Rusteloos verlangen blijkt ook een halve eeuw aan wal (in Den Haag) niet te stelpen – ‘ Moeder waar ben je / want ik kantelde zo / op de trap / Er is iets gebroken maar / ik weet niet wat.’ De striemen van slavernij blijven branden op zijn afkomst, het uitzicht buiten zijn meeuwen. Een bundel waarin het Surinaamse gemoed geen voltooide tijd kent. Met een substantieel informatief nawoord. – C.H. Gajadin

[van Biblion]

Bernardo Ashetu, Dat ik je liefheb. Haarlem: In de Knipscheer, 2011. ISBN 978 90 6265 676 9.

Kahe gaile Bides

Brits-Indische contracten. ca. 1890

door Hari Rambaran

Onlangs verscheen bij Mango het Engelstalige bronnenboek Kahe gaile Bides. Dit boek geeft inzicht in de migraties van Hindustani’s uit het Bhojpuri sprekende deel van India als contractarbeiders naar diverse landen en van hun nakomelingen uit Suriname naar Nederland. Het boek is gemaakt in het kader van het project Kahe gaile Bides – Bhojpuri cultuur en de diaspora en de tentoonstelling daarover, gehouden in augustus 2006 in Allahabad. Mousumi Majumder fungeert als de eindredacteur. Anderen die aan dit boek hebben meegewerkt zijn Badri Narayan Tiwari en Nivedita Singh uit India, Sahiensha Ramdas en Maurits Hassankhan uit Suriname, en Narinder Mohkamsing, Elizabeth den Boer en Chitra Gajadin uit Nederland.

De in de boektitel gestelde vraag ‘waarom vertrok je naar vreemde landen?’ wekt de verwachting dat iemand daar een antwoord op geeft. Dat gebeurt echter niet expliciet in het boek. Wel wordt aan de hand van historische gegevens, persoonlijke verhalen en anekdotes, een beeld geschetst van de omstandigheden in het Bihar en omstreken in het toenmalige Brits-Indië, waardoor mensen vanaf de negentiende eeuw hun woongebied, familie en vrienden verlieten om elders in vreemde streken een emplooi te vinden op plantages die door koloniale mogendheden overal in de wereld in hun wingewesten waren aangelegd. Door de persoonlijke verhalen heen proeft de lezer de pijn en het verdriet bij de achterblijvers en ook bij hen die vertrokken. De door wervers voorgespiegelde vooruitzichten pakten de ene keer anders uit dan werd verwacht en een andere keer bracht de migratie ook wel uitkomst in de niet altijd rooskleurige omstandigheden waarin men daarvoor in Brits-Indië verkeerde. De inhoud van het boek overziend, zou de naam ‘kaise gale bidesavá’ [hoe ben je vertrokken?] toepasselijker kunnen zijn voor deze publicatie. Het boek vertelt immers eerder hoe de werving, de reis en het verblijf in den vreemde verliep dan waarom men vertrok. Hoe de migratie verliep proef je namelijk in de opgenomen liederen en gedichten.

Het boek telt zeven hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk schetst de omstandigheden in het Bihar en omstreken zelf en geeft een idee ten aanzien van de werving van de arbeiders. In het tweede hoofdstuk zijn persoonlijke verhalen opgenomen. Deze verbeelden de ontberingen van mensen die vertrokken en van hen die achterbleven.
Hoofdstuk drie schetst de aankomst en het verblijf van Hindustani’s in Suriname en van de omstandigheden waarin de contractarbeiders werkten. Hoofdstuk vier gaat in op het vertrek van Hindustani’s naar Nederland. In hoofdstuk vijf gaan de auteurs op zoek naar culturele sporen en resten van ‘Bhojpuri-cultuur’ bij de nakomelingen van de Hindustani’s; overblijfselen die herinneren aan wat de contractarbeiders aan cultuurgoed meebrachten. De auteurs gaan daarbij in op de drie basisbehoeften in: roti, kapará en makaan (voedsel, kleding en woning).
Hoofdstuk zes geeft een schets van de relatie tussen het Bhojpuri, het Sarnámi en het Nederlands. Het zevende hoofdstuk geeft enig inzicht in de relatie tussen India en Suriname ten aanzien van de Bhojpuri volkscultuur. In dit laatste hoofdstuk is aandacht besteed aan muziek, toneel en andere literaire uitingen van Hindustani’s in Suriname. Ter illustratie enkele gedichten en liederen opgenomen.

Foto links: Raswantia, foto van Eugene Klein, ca. 1915

Als bronnenboek maakt de uitgave de verwachting waar. Men treft tal van verwijzingen aan naar andere publicaties, terwijl achter in het boek een lange lijst is opgenomen van allerlei literatuur, hoewel van al die publicaties niet duidelijk is wat ze bijdragen aan de inhoud van dit boek zelf. Wel helpt de lijst de geïnteresseerde lezer verder in haar of zijn zoektocht naar gegevens over de Hindustani’s, die – wel of niet als contractarbeider – uit het Bhojpuri-gebied of uit Suriname, elders een nieuw bestaan opbouwden en van wie een deel nooit is teruggekeerd naar de geliefden die achterbleven, maar die nooit uit hun gedachten zijn verdwenen. Een Bhojpuri-volk levend in heimwee!

Mousumi Majumder (red.), ‘Kahe gaile Bides’; Where did you go? On Bhojpuri migration since the 1870s and contemporary culture in Uttar Pradesh and Bihar, Suriname and the Netherlands. Allahabad: Mango books, 2010. 185 p., ISBN 978 81 906804 3 1 en ISBN 978 90 6832 740 3, prijs € 22,55.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie

door Michiel van Kempen

Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond arts/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.
Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:

áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh

Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:

vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek

Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedichten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.

tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát

mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten

De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.

Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en je moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:

hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen

De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:

de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.

deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater

Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister

Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Chitra Gajadin – zwart omrande ogen spelen wolken

Voor Ton Wolf

 

zwart omrande ogen spelen wolken

op een middag dat ik er ben en niet
raapt mijn hand een blad op het erf
waar ben ik nu waar onderweg heen
volgt de schaduw van een droom mij
waarheen verlangen armen uitstrekt
ontvouwen verwarde vleugels zich uit
de middag droogde gulzige sporen in
mijn vingers kleefden aan wat raakt

Ah had ah right to leave an go…

door Effendi N. Ketwaru

Mensen verhuizen. Dat doen ze al eeuwen. Duizenden jaren terug verplaatsten indianen zich uit Siberië naar Noord- en Zuid Amerika en kwamen zo in Suriname terecht. Europa onderging de grote volksverhuizingen waarbij volkeren uit Azie en Oost-Europa zich te vuur en te zwaard daar vestigden. Ieren vluchtten na de grote hongersnood van 1848 naar Amerika, Turken begonnnen in de jaren zestig van de vorige eeuw West-Europa schoon te maken en Surinamers vluchtten in de jaren zeventig en tachtig massaal naar Nederland. Tegenwoordig lopen Mexicanen zich te pletter tegen de grens van de Verenigde Staten, wagen Afrikanen in schamele bootjes de oversteek naar Europa en komen Chinezen met vliegtuigladingen en – volgens velen – met winkelvergunningen aan in Suriname.
Ruim een eeuw geleden kwam de migratie van hindostanen uit India door contractarbeid naar Suriname op gang. Wie migreert, laat echter niet alleen zijn geboortegrond maar ook vaak zijn vrienden en familieleden achter. Hoe ervaren en hoe vangen zij dit vertrek op? Kahe gaile bides, Why did you go overseas? gaat over de wijze waarop van elkaar gescheiden familieleden (zowel in India als in Suriname) uiting aan deze scheiding gaven.

Hindostanen in traditionele klederdracht. Foto P.H. Hiss, ca. 1945, collectie Tropenmuseum 60006530. Deze foto siert het omslag van de besproken uitgave

Bides
In Calcutta werden de gerekruteerde contractarbeiders bijeengebracht en van hieruit werden ze naar plantages, verspreid over de aardbol, verscheept. Reeds aan het einde van de negentiende eeuw duidden de dorpelingen van Bhojpur met de term ‘bides’ een ver gebied, een onherbergzaam eiland ergens in het Oosten (in de richting van Calcutta), aan. En ‘bidesia’ sloeg zowel op een permanent vertrek naar een onherbergzaam gebied met het karakter van een bannelingenoord als op degene die daarheen vertrokken was.

In veel liederen en toneelstukken werd de scheiding van familieleden, vooral de scheiding tussen man en vrouw, gevarieerd en geproblematiseerd. Vaste thema’s in de liederen en toneelstukken waren slechte schoonmoeders, grote armoede en onmenselijke werktijden voor de vrouw (omdat haar man als buffer tegen de familieleden en als werkkracht thuis, maanden en soms jaren of zelfs permanent afwezig was). Het duurde niet lang of men kon van de zogenaamde Bidesia-cultuur van Bhojpur spreken: de vertolking in muziek, dans of drama van het verdriet om de scheiding van een geliefde die zich langdurig elders bevond.

Groene spin
Om dit verdriet, de eenzaamheid en het lijden, te uiten en te verlichten, schiepen de achtergeblevenen ‘migratie’-goden die ze van tijd tot tijd raadpleegden en offers brachten. Een van de migratiegoden had volgens het volksgeloof zelfs een postbestelwagen als vervoermiddel om de brieven naar het plaatselijke postkantoor te brengen. En als de post weer eens in gebreke bleef, hadden de dorpelingen nog altijd allerlei voortekenen waarop ze konden rekenen: wanneer de roep van een bepaalde vogel klonk, zou de man thuiskomen met geld en geschenken, wanneer een groene spin de linkerschouder van de vrouw zou beklimmen, betekende dit dat de man opmaakmiddelen voor de vrouw mee zou brengen. En jeuk aan de linkerhandpalm of dromen over kleine vissen of een bijtende slang was eveneens een goed voorteken.

Bidesia-project
Een tiental jaren geleden vroeg een socioloog in Allahabad zich af of de bidesia-cultuur van Bhojpur een pendant had in de gebieden waar de migranten zich gevestigd hadden. Suriname was een van die migratiegebieden en zo werd een onderzoek, het Bidesia-project, geboren. Drie onderzoeksinstituten – het G.B. Pant Social Science Institute in Allahabad, het Koninklijk Institituut voor de Tropen in Amsterdam en het IMWO van onze universiteit – bogen zich vanaf 2005 over dit onderwerp. Echter, louter onderzoek naar bidesia-parallellen was de instituten niet voldoende: men zou de orale erfenissen van de drie landen optekenen en bestuderen, de muziek- en dramatradities van Bhojpur vergelijken met die van de hindostanen in Nederland en Suriname en de structuur en beeldspraak van het Sarnámi en het Bhojpuri met elkaar vergelijken.

Zand tussen de kiezen
Helaas hebben de auteurs/onderzoekers er met de pet naar gegooid. Het begint al op de binnenflap van het boek: ‘…a massive global churning in the form of huge populations of Indians to various countries like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad, and other Caribbean countries. All these Indians, most of whom belonged to the Bhojpuri region of Bihar…‘ Sinds wanneer bevinden Fiji en Mauritius zich in het Caraïbisch gebied? En elke geïnteresseerde leek weet inmiddels dat het gros van de contractarbeiders voor Suriname niet uit Bhojpur maar uit de toenmalige United Provinces (het huidige Uttarakhand en het noordelijk deel van Uttar Pradesh) kwam!

Herkomstgebieden van de Brits-Indische contractarbeiders die naar Suriname migreerden

Wie het boek openslaat, krijgt meteen zand tussen de kiezen bij de eerste regels van de inleiding: In the colonial period when the European colonial countries like the United Kingdom, France and the Netherlands were extending their domain across the globe through their colonies, they set up a large number of sugar, coffee, cocoa, jute and other plantations in some of the Caribbean countries that were their colonies like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad etc. These plantations, which were owned and overseen by Europeans from the colonial countries, needed labourers to work in them. After the abolition of slavory from the world… [11]
Het heeft er veel van weg dat de oorspronkelijke tekst eerst in een soort Broek-in-Waterland-Nederlands opgesteld was om deze vervolgens in Kaaskoppen-Engels aan de lezers te presenteren. Nog een kleine greep: …started being met from population rich regions… (19), …narrate a funny joke (155), Gradually however the Hindustanis rapidly progressed socially…. (89), And one who doesn’t know it better (107), enzovoorts, enzovoorts.

Natte vingerwerk
Het zou te ver voeren om uitgebreid op de potpourri van misslagen, verwarrende passages, mythes en tegenstrijdigheden in dit boek in te gaan. De hoofdstukken lijken zonder inhoudelijk overleg tussen de auteurs geschreven te zijn. Vrijwel nergens wordt de folkloristische cultuur van Bhojpur met die van Suriname vergeleken en zo dit gebeurt, is er geen diepgang, gewoon omdat er veel te weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is. Over beeldspraak in het Sarnámi, laat staan een vergelijking met het Bhojpuri, rept men met geen woord. Over de positie van het Sarnámi in Suriname en Nederland zijn de auteurs erg onduidelijk: The status of Suriname is once again reviving... (96), Since the beginning of the 1990s, however, hardly any activity has been discernable in the area of Sarnámi, and the movement does not seem to have had a lasting impact (135), However there seems to be hope for Sarnámi language, (…), a few concerned persons including poets and researchers have been trying hard over the years to make the Hindustanis aware of the richness of the language and revive its lost prestige in their eyes so that the language does not die out althogether (136/137). Met het muziek- en dramagedeelte van het boek is het niet veel beter gesteld. Veel beweringen over de muziek van de hindostanen ontberen enige wetenschappelijke grond en lijken vooral op natte vingerwerk. Helemaal verwarrend is het gedeelte over de chutney-stijl waarbij we niet weten wanneer we te maken hebben met louter commerciële dansmuziek met scabreuze teksten die we zouden moeten toejuichen of afkeuren, want de auteurs steken niet onder stoelen of banken dat ze alles wat ‘eigen’ is – of, paradoxaal genoeg, sterk op de Bhojpuri-cultuur lijkt – bijzonder waarderen. Over het dramagedeelte valt weinig te zeggen. De meeste informatie leunt op het verkennend onderzoek van Michiel van Kempen en veel verder is men met dit boek niet gekomen.

Brahmanen
Het is opvallend dat de auteurs van het boek de kritiek van Jit Narain, Chitra Gajadin en Cándani (foto links) op bepaalde aspecten van de contractarbeiders en hun nakomelingen – een toch wel heel wezenlijk deel van het oeuvre van deze dichters – niet belichten. Waarschijnlijk laten de auteurs dit na omdat het niet in het beeld past dat zij van de hindostaanse groep wensen te scheppen: door list en bedrog naar Suriname gelokt, dwangarbeid op de plantages verricht, tegen de verdrukking in muziek, literatuur en drama geschapen en van dwangarbeider tot succesvolle zakenman of intellectueel opgeklommen. Een hardnekkige mythe over de contractperiode is die van de misleiding door de wervers. De auteurs blijken aanhangers van deze mythe omdat ze instemmend Rahman Khan ten voorbeeld stellen die in zijn autobiografie vertelt dat hij door de glib tongue (21) van de wervers overgehaald werd om naar Suriname te gaan. Dit is op zich al heel merkwaardig omdat Rahman Khan een ontwikkeld persoon was en bovendien door zijn vader voor de wervers gewaarschuwd was. Rahman Khan had zijn vader zelfs geantwoord dat hij zich niet zou laten pakken door de gladde praatjes van de wervers. Hoe dan ook, deze mythe, namelijk dat het merendeel van de contractanten onontwikkeld en goedgelovig was en daarom gemakkelijk door de wervers bedrogen en misleid kon worden – tussen haakjes, hebben de auteurs ooit wel eens een hedendaagse wervingsadvertentie voor de marine gezien? – wordt door de auteurs zelf tussen neus en lippen door ontkracht: Since no high cast Brahmins were allowed to immigrate, many Brahmins changed their name by dropping their surnames and giving up religious symbols like the holy thread (25) Brahmanen waren ontwikkelde mensen, ze waren alfabeten en ze konden niet gemakkelijk voor de gek gehouden worden (behalve munshi Rahman Khan dan). Maar blijkbaar was de armoede zo schrijnend dat zelfs Brahmanen – die toch wel wisten dat ze niet naar een vakantiekamp gingen – voor ‘bides’ kozen.

Tegendraads
De passages over de bidesia-cultuur en de hedendaagse arbeidsmigratie van Bhojpur zijn het interessantse deel van het boek omdat ze enerzijds een poëtisch en anderzijds een schrijnend beeld geven van respectievelijk muziek en drama in Bhojpur en van de huidige seizoensmigratie. Ronduit verfrissend en tegendraads is het hoofdstuk waarvoor Chitra Gajadin (foto rechts) tekende. Openlijk heel subjectief – dus niet in omfloerste quasi-wetenschappelijke taal – gaat ze lijnrecht tegen tal van (politiek correcte) beweringen van de andere auteurs in en ze is niet bang de plank mis te slaan (wat ze dan ook vaak doet). Zij is niet voor niets de enige persoon die expliciet als auteur van een hoofdstuk wordt opgevoerd, waarschijnlijk omdat de overige auteurs – die als medewerkers in het colofon worden vermeld – zich van haar bijdrage wensten te distantiëren.

In dezelfde no-nonsense stijl van de Nederlandse Chitra Gajadin en de Trinidadiaanse chutney-queen Rawytee Ramroop zou daarom het antwoord van de migrant op de vraag ‘Why did you go overseas?’ eenvoudigweg luiden: ‘Ah had ah right to leave an go!

Kahe gaile bides, Why did you go overseas?; Mango Books/KIT Publishers/Spot Creative Services, Amsterdam/Allahabad, 2010
Compiled and edited by Mousumi Majumder. Contributions by:Badri Narayan Tiwari and Nivedita Singh (India), Narinder Mohkamsingh, Elizabeth den Boer, Sahiensha Ramdas en Maurits Hassankhan (Suriname), Chitra Gajadin (the Netherlands) ISBN 987 90 6832 740 3

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter