blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Choenni Gharietje

Zijn wij ‘laffe, vluchtende’ Hindoestanen met een ‘krabbenmentalteit’?

door Bris(path) Mahabier

1.Hindoestaanse opinion leaders
Niet alleen in mijn gepensioneerde levensfase, de moderne versie van de traditionele vánaprastha van de hindoes, maar ook vroeger, toen ik 41 jaar economisch actief was, woonde ik – ondanks de grote werkdruk, het bijwonen van politieke bijeenkomsten, de dagelijkse huishoudelijke beslommeringen, vrienden- en familieverplichtingen – zoveel mogelijk Hindoestaanse culturele manifestaties, zoals Holivieringen, immigratieherdenkingen, Divali-optochten en vrouwendagen, maar ook studie- en discussiebijeenkomsten bij. read on…

Leenwoorden in het Sarnámi en het Hindi

door Bris(path) Mahabier

1 Enkele opmerkingen over het Sarnámi

Niet het Hindi, zoals velen beweren, maar het Sarnámi is de moedertaal van de meeste Surinaamse en Nederlandse Hindoestanen. Vooral árya samáji geleerden uit India, maar ook pandits en parcáraks van Surinaamse bodem hielden de kalkattiyá’s (of kantráki’s), hun kinderen en kleinkinderen voor, dat het Hindi hun moedertaal was en dat ze moreel verplicht waren om deze taal te behouden en te cultiveren. Hindispecialisten en ook de andere medewerkers van het Indian Cultural Centre (ICC) maken gretig gebruik van elke gelegenheid, die hen in Suriname geboden wordt om dit standpunt steeds te herhalen. Deze taalpolitieke opvatting van het ICC is geheel in overeenstemming met de wens van de Indiase regering, maar is vooral voor de strijdbare sarnámisten niet acceptabel. read on…

Noodzaak voor verder onderzoek van het Sarnámi

Verslag in woord en beeld van het Sárnami congres

 

Deze pagina is geheel gewijd aan de vorige week (5/6 mei 2017)  gehouden Sarnámi-conferentie, gehouden in het Universiteits guesthouse in Paramaribo. Moderatoren tijdens de discussies waren Indra Djwalapersad, Radjen Baldew, Bhola Narain en Maurits Hassankhan. Op deze literaire pagina zijn korte verslagen van de gepresenteerde lezingen opgenomen, gemaakt door Sita Patadien [SP] en Hilde Neus [HN]. Er was ook vertier. In de avonduren werden er baithak gana liederen ten gehore gebracht door Kries Ramkhelawan en zijn gezelschap. Op de tweede dag waren er diverse auteurs die voordroegen uit eigen werk. Ook presenteerde de toneelgroep Hasti Masti onder leiding van Shanti Matai een sketch die mooi aansloot bij het thema van de conferentie: grootouders die moeite hebben om te communiceren met hun kleinzoon, omdat die het Sarnámi niet spreekt. Vastlegging en overdracht is belangrijk bij het voortbestaan van een taal. Voor het Sarnámi is de prognose positief en deze conferentie draagt daar zeker aan bij. Alle foto’s: Michiel van Kempen. read on…

Literaire middag Sarnàmi hamàr bhàsà hai

Raj Mohan. Foto @ Ranu Abhelakh
Het Sarnámihuis organiseert in het kader van 140 jaar Hindostaanse Immigratie een literaire middag. Deze middag zal in het teken staan van de ontwikkeling én de kracht van het Sarnámi (oftewel het Hindostani). Het publiek krijgt tijdens de hele middag een bijzondere mix van discussies, 2 lezingen en voordrachten door nieuwe en ervaren talenten.De lezingen worden verzorgd worden door Theo Damsteegt en Raj Mohan.
De voordrachten worden o.a. gedaan door Chitra Gajadin, Charietje Choenni en Koemar Gowricharn.
De middag staat onder leiding van Jagdish Thakoerdin.
De literaire middag wordt afgesloten met een borrel.

Zondag 24 november in Theater Dakota aan de Zuidlarenstraat 57 in Den Haag.
De toegang is gratis, maar wel graag aanmelden via: barhanti@outlook.com

Hindostanen na de contracttijd

door Jerry Egger
Chan Choenni
In een boek van ruim 670 bladzijden besteden broer en zuster Gharietje en Chan Choennie  aandacht aan ontwikkelingen binnen de Hindostaanse bevolkingsgroep in Suriname. Deze publicatie getiteld Sarnami Hindostani 1920 – 1960: Worteling, identiteit en gemeenschapsvorming in Suriname, geeft een uitgebreid beeld van deze Surinamers die na een periode van contractarbeid in staat waren zich een waardige plaats in de maatschappij te verwerven.
Gharietje Choenni. Foto @ Sam Jones
Vooral door middel van meer dan tachtig diepte-interviews, de zogenaamde ‘oral history’ methode, komen nazaten van deze groep zelf aan het woord.  Zowel in Nederland als in Suriname werden oudere Hindostanen – mannen en vrouwen – geïnterviewd. Verder hebben de auteurs ook verschillende boeken, artikelen en stukken uit kranten, gebruikt om hun verhaal te vertellen. Zij kozen de periode 1920 tot 1960 omdat in 1920 de contractperiode voorbij was en er daarna geen nieuwe contractanten uit India kwamen. In 1960 was de worteling en identiteitsvorming min of meer gestabiliseerd en waren de sobere jaren voorbij. Dit is een goede keuze want het verhaal van de werving, het werken onder contract, het leven op de plantages en andere aspecten van de periode voor 1920 komt al in enkele boeken aan bod. Juist de manier waarop deze groep deel is geworden van de Surinaamse bevolking is nog niet uitgebreid bestudeerd. Vandaar de centrale vraag van de auteurs  hoe de worteling, identiteitsontwikkeling en gemeenschapsvorming van de voormalige contractanten en hun nakomelingen zich hebben voltrokken.
Monument Een eeuw Hindostaanse immigratie, Wageningen, Saramacca
De twee Choennies schrijven dat zij steeds geprobeerd hebben de leesbaarheid te vergroten. Ze maakten geen gebruik van een uitgebreid voetnotenapparaat omdat dit bij het grote lezerspubliek hinderlijk zou kunnen overkomen. De interviews zijn  bewerkt omdat dit gemakkelijker lezen is en over het algemeen is de taal niet erg ‘academisch’. Het ironische is dat zij een voor deze tijd omvangrijk boek op de markt brengen. Bovendien komen zij in 2013 met nog een – ongetwijfeld – dikke pil die het vervolg is van deze periode en waarin nog meer aspecten van de behandelde periode aan bod komen. We leven in een tijd waarin SMS-jes van 3 of 4 regels en berichten in kranten van enkele regels of alinea’s met grote foto’s zo langzamerhand de norm zijn. Voor een groot publiek zeker waar het jongeren betreft, zal een dergelijke omvang waarschijnlijk een stap te ver zijn. Het kan best dat er flink wat exemplaren van het boek worden verkocht, maar het zou me niet verbazen als dit wordt gedaan omdat het zo leuk staat op de boekenplank, het lot van steeds meer boeken in een maatschappij waar ‘kort maar krachtig’ de norm is.
Hoe wordt de worteling van Hindostanen in beeld gebracht? In zeven hoofdstukken worden de verhalen van de informanten geordend. Na een inleidend gedeelte gaan de Choennies in op de vestiging. Hierbij speelt de landbouw een belangrijke rol. De koloniale overheid wilde deze groep contractanten uitsluitend in de landbouw te werk stellen Zij kregen grond en de ruimte om zich te ontplooien. Een belangrijke bijdrage die zij leverden was aan de ontwikkeling van de natte rijstbouw. Verschillende onontgonnen gebieden of daar waar er verlaten plantages waren, wisten zij in cultuur te brengen. Er waren verordeningen die hun verboden om in de bossen hun brood te verdienen met de goudwinning en in de balatasector. Later volgde hetzelfde voor de bauxietsector. Dat was weggelegd voor Surinaamse en Westindische Creolen. Deze laatste groep, die zelf onder contract naar Suriname was gekomen, verliet al heel snel de landbouw. Alleen de landbouw behoorde tot het domein van Hindostanen in de ogen van de koloniale machthebbers. Daarbuiten mochten andere groepen hun geluk beproeven. De basis voor de groeiende welvaart werd dus gelegd door hard zwoegen van het hele gezin: man, vrouw en kinderen. Uit de verhalen die zijn verzameld, blijkt duidelijk het enorm gevecht van elke dag om het hoofd boven water te houden. Heel sober en zuinig leven, en een enorme ijver aan de dag leggen werden belangrijke ingrediënten in het uiteindelijke succes van Hindostanen in Suriname. Dit kan niet genoeg benadrukt worden in een samenleving waar zo nu en dan stereotype opvattingen worden gespuid over de diverse bevolkingsgroepen in Suriname.
Na elk hoofdstuk komt er een lifestory van een man of vrouw. Bij hoofdstuk 3 is er het verhaal van een handelaar die vooral op illegale manier rijk is geworden. Hij wist goederen uit Guyana naar Suriname te smokkelen en die hier met een behoorlijke winstmarge af te zetten. Hij vertelt uitgebreid hoe het in zijn werk ging. In de periode na de Tweede Wereldoorlog was Guyana een rijk land terwijl Suriname in de opbouwfase verkeerde. Hij bracht kisten drank naar Nickerie en bewaarde die in een sloot aan de overkant van zijn huis. Het bleef zo koel. Iedereen wist dat hij smokkelde en kwam dan bij hem een fles alcohol kopen. Verder bracht hij goedkope suiker naar het district waardoor moeders altijd bij hem terecht konden voor suiker in de pap van hun kinderen. Als er schaarste was aan eieren in ons buurland dan zorgde hij ervoor dat de smokkel de andere kant op ging. Maar zoals vaak gebeurt, wordt de bedrieger ook wel eens bedrogen. Hij verloor zo ook weer een deel van zijn aanzienlijk kapitaal. Dit geeft aan dat de Choennies niet alleen een rooskleurig verhaal vertellen van hard werken waarna succes automatisch volgde. De keerzijde van de medaille was dat niet elk gezin in staat was er bovenop te komen. Alcoholisme, zelfmoord en de beperkte mogelijkheden voor meisjes en vrouwen behoren ook tot de jaren die zijn beschreven in het boek. Het is begrijpelijk dat niet elke informant zonder meer bereid was zijn of haar verhaal te vertellen. Waarom zouden zij terug in de tijd gaan naar een periode van veel leed en ellende en die bij het ophalen van herinneringen nog steeds pijn doet?  Vooral bij vrouwen van de derde en vierde generatie zien de lezers de beperkte mogelijkheden ondanks de ambitie van vele meisjes om zelf een carrière op te bouwen. Leven op het platteland betekende heel jong trouwen – tussen de 14 en 16 jaar – kinderen krijgen en hard werken op het land en in de huishouding. Het waren meestal lange dagen die vrouwen maakten. Een van de oudere informanten zegt het heel aangrijpend: ‘Ik heb keihard gewerkt. Ik kreeg veel kinderen. Allemaal heb ik goed verzorgd. Wat moet ik nog meer vertellen? Ik ben moe.’ (p.543)
De andere hoofdstukken behandelen diverse facetten van de ontwikkelingen tussen 1920 en 1960. De transportsector was naast de landbouw en de handel een andere manier om op de maatschappelijke ladder te stijgen. Hindostaanse kleinlandbouwers legden lange afstanden af naar de markt. Fietsen, dan bromfietsen en vervolgens bussen zorgden ervoor dat het sneller ging. Zo begonnen steeds meer ex-contractanten in de transportsector hun brood te verdienen. Anderen keerden terug naar hun oude beroep na het uitdienen van hun contract en werden juwelier. Deze differentiatie voltrok zich in de jaren dertig maar vooral na 1945. Een belangrijke rol in dit proces speelde onderwijs. De auteurs staan uitgebreid stil bij de belangstelling die Hindostanen langzaam maar zeker kregen voor het onderwijs. In de beginfase was dit niet groot. Vaak moesten kinderen het Hindoeïsme of de Islam opgeven en zich tot het Christendom laten bekeren om te worden toegelaten tot een van de scholen. Dat was voor veel ouders een stap te ver. Bovendien moesten kinderen helpen op het veld. Meisjes mochten nauwelijks of helemaal niet naar school. Zij moesten het huishouden leren want ze zouden dat nodig hebben wanneer zij het huis verlieten om naar de schoonfamilie te gaan. In de jaren twintig en dertig voerden diverse Hindostaanse organisaties een felle strijd om meer openbare scholen op te richten. De Ariërs kwamen ook op voor de meisjes. Ook die hadden recht op onderwijs. In verschillende verhalen dringt door dat vrouwen het op hun oude dag nog steeds jammer vinden dat zij niet de ruimte hebben gehad naar school te gaan. Toch hebben sommigen buiten de landbouw wat mogelijkheden gehad. Zo was het modistevak populair bij vrouwen. Kleren voor de kinderen werden vaak zelf gemaakt.
Hindostanen aan de spoorlijn bij Koffiedyompo
Het verhaal van de Hindostanen  wordt ook op een andere manier verteld. In het boek zijn er verschillende foto’s. Deze bronnen zijn waardevol. Een voorbeeld. Er is een foto op p. 255 van vertegenwoordigers van verschillende bevolkingsgroepen die langs het spoor zitten. Je ziet vrouwen en mannen, Javanen en Hindostanen zitten op de rails in de openlucht en in de zon met hun waar. Het is waarschijnlijk de markt op Lelydorp (toen Koffiedyompo genoemd). Er zijn ook creoolse vrouwen in koto’s met angisa’s maar een groot deel van deze vrouwen staat onder het afdak met hun koopwaar. Daar is dus kennelijk de echte markt. Vertelt dit iets over de plaats van de verschillende groepen op dat tijdstip van ontwikkeling in Suriname? Het is best mogelijk dat wij zo iets te weten komen over hiërarchie. Zo zijn er meerdere goed gekozen foto’s maar helaas ontbreekt een wat uitgebreider onderschrift. Het zijn vaak maar hele korte algemene onderschiften.
Er valt veel te vertellen over dit boek. Controversiële onderwerpen zoals homoseksualiteit, drankmisbruik, zelfdoding, zinloze taboes en de achterstelling van vrouwen worden niet geschuwd. Homoseksuele relaties waren veel gebruikelijker in een periode toen vrouwen nog schaars waren. Verschillende vrouwen hadden relaties met meerdere mannen. De verhalen van nazaten van Hindostanen zijn boeiend, maar toch bekruipt de lezer het gevoel dat overdaad schaadt. Een betere selectie zou het boek ten goede komen. Een strenge redacteur die de vele herhalingen eruit had gehaald, zou de leesbaarheid hebben vergroot. Het is te hopen dat de auteurs de tijd nemen om dit deel en het andere dat in 2013 uitkomt, terug brengen tot een boek van zo’n 200 bladzijden waardoor een groter publiek het boek niet alleen koopt, maar ook leest.
Gharietje Choennie en Chan Choennie, Sarnami Hindostani 1920 – 1960 Deel I: Worteling, identiteit en gemeenschapsvorming in Suriname.Amsterdam: KIT Publishers, 2012. ISBN 978 94 6022 218 4

Nieuw boek over Hindostanen in Suriname

In Sarnami Hindostani 1920 – 1960 wordt inzicht gegeven in de ontwikkeling van deze groep Surinamers sedert hun komst in Suriname tot aan de jaren ’60. Foto: Irvin Ngariman  
door Sabitrie Gangapersad
 
Paramaribo  In Sarnami Hindostani 1920-1960 is wetenschap gecombineerd met sprekende levensverhalen. Het boek is geschreven vanuit het perspectief van de generatie contractarbeiders die besloten zich in Suriname te vestigen. De periode is afgebakend met 1960, omdat rond die tijd de groep sterk was gegroeid, urbaniseerde en de strijd naar nationale representatie begon. Ondanks hun achtergestelde positie wisten de Hindostanen zich in veertig jaar succesvol op te werken in de Surinaamse gemeenschap.
Tijdens het onderzoek verzamelden de auteurs Gharietje Choenni en Chan Choenni zoveel informatie, dat is besloten om de historische studie over Hindostanen in twee delen uit te geven. Sarnami Hindostani 1920-1960 deel 1 bestaat uit 672 pagina’s en is vrijdagavond in de conferentiezaal van Lalla Rookh gepresenteerd. Dit deel gaat over de vestiging van de contractarbeiders, hun identiteit en gemeenschapsvorming, de rol van de infrastructuur, inkomstenverwerving, wonen en welzijn, opvoeding, onderwijs, gezondheid en familieleven, traditie en taboe. “De term Sarnami Hindostani is bewust gebruikt, omdat de contractarbeiders daarvóór Brits-Indiërs werden genoemd. Toen ze hadden besloten om in Suriname te blijven, noemden ze zich Sarnami Hindostani”, vertelt Chan Choenni tijdens de introductie. Chan is bijzonder hoogleraar Hindostaanse Migratie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, belast met de Lalla Rookh leerstoel. Zijn zus Gharietje is andragoloog, dichter, auteur en redacteur. Voor het boek hebben broer en zus ruim honderd nakomelingen van de contractarbeiders geïnterviewd van wie beiden of tenminste één ouder uit India kwam. Passages uit hun verhalen heeft Gharietje vrijdagavond het publiek voorgehouden.
Mandir aan de Frederik Derbystraat in Paramaribo. Foto M. Juglall
De aanwezigen knikken instemmend en lachen om de herkenbare verhalen over het leven op het land, de verkoop onder de markt en de draaivijzel. Chan benadrukt dat in de historische studie alle aspecten uit het leven van de Hindostanen zijn vervat. De ontwikkeling van de groep is grondig onderzocht. De auteurs hebben hiervoor veel geschreven materiaal bestudeerd en de verhalen van de nakomelingen op waarheid getoetst. “We hebben ontdekt dat verhalen, als zouden Hindostanen geen gebruik hebben gemaakt van sociale voorzieningen zoals bedeling, niet kloppen met de cijfers. Aan de andere kant is het wel waar dat de groep geen volkswoning kreeg”, verduidelijkt Chan. Deel II van Sarnami Hindostani 1920-1960 verschijnt juni volgend jaar en gaat over het culturele, sociaal en religieus leven. In dit deel wordt ook een hoofdstuk gewijd aan de bijzondere positie van Hindostaanse vrouwen en de invloed van de Tweede Wereldoorlog, urbanisatie, emancipatie, participatie en burgerschap.
[uit de Ware Tijd, 15/10/2012]

Presentatie De geschiedenis van Hindostanen in Suriname

Chan Choenni
Vandaag, vrijdag 12 oktober 2012, wordt om 19.00 uur in het Lalla Rookh gebouw in Paramaribo de omvangrijke historische studie Sarnami Hindostani 1920-1960 gepresenteerd. De onderzoekers/ auteurs Gharietje Choenni en prof. Chan Choenni zullen beiden een toelichting geven.  Daarna wordt het boek aangeboden aan onder meer twee ouderen. Het boek zal na de presentatie verkrijgbaar bij de boekhandel VACO. Dit boek over de geschiedenis van Hindostanen in Suriname is uitgegeven door
het KIT (Koninklijk Instituut voor de Tropen) in hardcover en heeft  een omvang van liefst 672 pagina’s. Deze historische studie is onmisbaar voor een ieder die meer wil weten over Suriname en in het bijzonder over Hindostanen.

Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie

door Michiel van Kempen

Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond arts/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.
Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:

áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh

Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:

vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek

Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedichten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.

tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát

mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten

De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.

Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en je moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:

hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen

De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:

de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.

deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater

Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister

Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

‘Integratie Hindostanen succesvol’

door Sam Jones

Met een oratie waarin vooral de loftrompet werd gestoken over de integratie van Hindostanen in Nederland accepteerde professor Chan Choenni maandag 6 juni zijn ambt. Choenni is nu officieel bijzonder hoogleraar Hindostaanse migratie aan de Vrije Universiteit (VU) in Amsterdam. In een half gevulde aula van de VU jaste professor Choenni zijn oratie er in veertig minuten doorheen. En nog had hij niet alles gezegd wat hij wilde zeggen, meldde hij na afloop.

Prof. Chan Choenni en zus Gharietje Choenni

De inaugurele rede leek vooral bedoeld voor de massaal opgekomen Hindostaanse achterban en niet zozeer voor de geleerde heren en dames van de VU. Behalve over het succes van de Hindostaanse integratie in Nederland, ging de rede over de arbeidsethos, spaarzin en zuinigheid van deze groep. Zijn oratie, die overigens niet iedereen lekker zat, sloot Choenni af met een persoonlijke noot over zijn ‘lieve echtgenote’, die een hele dag had uitgetrokken om zich te kleden voor de bijzondere dag van haar man.

Geleerde heren
Bij geleerde heren en dames was kritiek te horen. Choenni zou zich beperken tot de positieve kijk en zaken als incest, zelfmoord en alcoholmisbruik binnen de Hindostaanse groep niet ter discussie durven stellen. De kritiek werd op de feestelijke receptie na afloop overigens niet hardop geuit. Choenni zei dat ook problemen in de gemeenschap, zoals ‘hoge prestatiedruk en suïcide onderzocht moeten worden’.

Belangrijker vindt hij zaken als ‘de reconstructie van de immigratie vanuit India naar Suriname’ en onderzoek naar ‘hoe de Hindostaanse groep in Suriname een gemeenschap is gaan vormen’. Stevig onderzoek naar bijvoorbeeld de reden waarom Hindostaanse Surinamers in Den Haag op de PVV stemmen noemt hij niet als eerste.

Er was ook kritiek te horen op de nadruk die professor Choenni legde cijfermatige meerderheid die Hindostanen vormen ten opzichte van Creolen. Zelf vindt hij het vooral interessant om te onderzoeken hoe de Hindostanen integreren in de samenleving.

Vrouwelijk perspectief
Choennis’ zus Gharietje Choenni, ook onderzoekster, kiest voor het vrouwelijk perspectief. Toch ervaart ze de leerstoel van Chan Choenni niet als beklemmend. “We hebben ellenlange discussies en ideologisch zitten we heel erg uit elkaar.” Die twee perspectieven maken het volgens haar juist spannend en houdt de zaak in balans. Zij benadrukt dat er heel veel vermenging is binnen de Hindostaanse groep. Gharietje Choenni ziet er een uitdaging in om juist dat ook te duiden binnen deze leerstoel Hindostaanse migratie.

De multiculturele samenleving

Professor Choenni is aangesteld voor 2,5 dag per week, maar zal de komende vijf jaar full-time met de klus bezig zijn. De Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh staat garant voor een 80.000-90.000 euro per jaar. Rajendre Khargi, secretaris van de stichting: “We hebben het geluk gehad dat de stichting Lalla Rookh, toen ze ophield met haar welzijnstaken, nog een stichtingskapitaal over hield.” Het idee werd toen geboren om het geld te investeren in een bijzondere leerstoel. De stichting heeft de leerstoel op eigen kracht gefinancierd, maar volgens Khargi heeft de overheid ‘de morele plicht’ om de leerstoel te steunen.

[RNW, 7 juni 2011]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter