blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Bies Renata de

Sarnámi Seminar 2017: 3-daagse seminar over taal & cultuur

De Status van het Sarnámi als taal en cultureel erfgoed
Ontstaan, Ontwikkeling en Toekomst

lezingen, debat, workshops, talkshow, column, video, literatuur, muziek

 

Onder leiding van de Stichting Eekta zijn samenwerkende partijen in Den Haag bezig om een Sarnámi Seminar te organiseren op 24, 25 en 26 maart a.s. Het thema is: de Status van het Sarnámi als taal en cultureel erfgoed – Ontstaan, Ontwikkeling en Toekomst. Met het algemene thema willen de initiatiefnemers de Surinaamse taal Sarnámi centraal stellen. Ze willen tijdens het seminar stilstaan bij de positie van deze taal, zowel in Suriname als in Nederland, pakweg 144 jaar na zijn ontstaan. Wat heeft bijna anderhalve eeuw deze taal gebracht? Wat is de positie ervan en hoe ziet de toekomst eruit? read on…

Adekus brengt vier boeken uit over erfenis slavernij en contractarbeid

De Anton de Kom Universiteit van Suriname (ADEKUS) heeft op zaterdag 4 juni 2016 in het IGSR-gebouw boekenpresentaties gehouden over vier boeken die ze heeft uitgebracht in het kader van de conferentie Legacy of Slavery and Indentured Labour, die in juni 2013 werd gehouden.
Besloten werd om 46 van de 100 presentaties in boekvorm te publiceren. Deze boeken zijn onder grote publieke belangstelling aan het publiek gepresenteerd. read on…

Culinair woordenboek ontsluit culinaire geheimen

Saotosoep


door Tascha Samuel

Paramaribo – Renate de Bies presenteert op 19 november haar culinair vertaalwoordenboek Carisur Culinair Dictionaire. Daarin beschrijft ze niet slechts gerechten, maar ook andere zaken als eetbare flora, fauna en voorwerpen die met eten en drinken te maken hebben. Behalve dat ze woordenboeken samenstelt, is ze lexicoloog: een taalkundige die zich bezighoudt met de bestanddelen van een taal.
Energiek verteld taalwetenschapper Renate de Bies
over haar onderzoekswerk voor het Surinaams
Caribisch Culinair woordenboek. F
oto: Claudio Barker.
Eerdere publicaties
“Ik maakte het boekje De economische crisis en de woordenschat. Toen kwam ik erachter dat Surinaamse woorden niet voorkwamen in bekende woordenboeken als Van Dale.” In 2008 publiceerde ze het Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands. “Het is de Nederlandse taal zoals wij die in het dagelijks leven gebruiken.”
Als voorwerk voor haar nieuwste boek zocht De Bies naar andere vertaalwoordenboeken. Ze vond onder meer de Dictionary of Caribbean English Usage van Richard Allsopp. Toen kreeg de taalwetenschapper de gedachte om vanuit Surinaams oogpunt een vertaalwoordenboek te maken. “Maar als je voor een volledig woordenboek gaat, ben je heel wat jaren bezig. Daarom besloot ik het af te bakenen tot het culinaire”, legt De Bies uit.
Geheimen ontsluiten
Maar waarom het culinaire? “Omdat eten een ideale manier is van integratie.” De auteur hoopt met het boek een bijdrage te leveren aan de integratie van Suriname binnen het Caribisch Gebied. “Het boek probeert de culinaire gewoonten en geheimen van Suriname te ontsluiten voor het Engelsprekende deel van het Caribisch Gebied en vice versa.”
Waardevolle informatie
In haar kantoor op het Universiteitscomplex is ze druk bezig met de voorbereidingen voor de boekpresentatie, maar tussendoor maakt ze ook afspraken met leerlingen. Haar uitstraling is aanstekend enthousiast, vooral wanneer we over het woordenboek beginnen te praten. Vijf jaar heeft ze besteed aan onderzoek: boeken, websites, kookboeken en heel veel kranten moest ze lezen. “Ook in de Ware Tijd heb ik waardevolle informatie gevonden.” Ze deed daarnaast veldonderzoek in Guyana, Barbados, Trinidad, St. Maarten en Jamaica. “Ik heb van andere plaatsen vooral veel kookboeken opgezocht.” Het boek is nu vooral bedoeld voor de Nederlandssprekenden. De Bies hoopt volgend jaar juni een editie uit te geven die bestemd is voor de Engelssprekenden.
[uit de Ware Tijd, 14/11/2013]

De nieuwe Van Donselaar

Een korjaal van de TRIS
 

door Lila Gobardhan-Rambocus

 
Ruim drie maanden na het overlijden van Jan van Donselaar (12 april 2013) verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876, uitgegeven door het Meertens Instituut te Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Taalunie in Den Haag. In dit woordenboek, niet het eerste van Van Donselaar, worden 2100 woorden onder de loep genomen. Zijn doel was het vastleggen van de voorgeschiedenis van het moderne Surinaams-Nederlands. Deze publicatie werd verzorgd door Nicoline van der Sijs, hoogleraar historische taalkunde, bekend van de vele (woorden)boeken over de geschiedenis van het Nederlands.
Pindasoep met tomtom
In 1976 verscheen als eerste het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit boek beschrijft 1400 Surinaams-Nederlandse woorden. Een tweede, herziene en uitgebreide, druk verscheen in 1989, toen uitgegeven door Dick Coutinho, Muiderberg. De uitbreiding was enorm: 6600 trefwoorden. Voor dit woordenboek kreeg Van Donselaar de Johan de la Court-prijs van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Het is jammer dat dit laatste woordenboek in Suriname nauwelijks verspreid is.
In 2008 publiceerde Renata de Bies WSBN, Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands met ruim 5000 trefwoorden, dat in 2009 in Nederland uitkwam als Prisma Woordenboek onder de titel Woordenboek Surinaams-Nederlands. Over dit woordenboek stelt Nicoline van der Sijs in haar voorwoord bij de laatste Van Donselaar dat dit een aanvulling is op eerder werk van zijn hand. Volgens De Bies gaat het hier om typisch hedendaagse Surinaams-Nederlandse woorden van de laatste 50 jaar, terwijl Van Donselaar voor zijn twee eerdere woordenboeken vooral gebruik gemaakt heeft van eigentijdse schriftelijke bronnen.
Voor zijn laatste publicatie putte Van Donselaar uit schriftelijke bronnen van 1667 tot 1876, het jaar waarin de leerplicht werd ingesteld. Als beginjaar koos de auteur 1667, omdat vanaf toen het Nederlands de officiële taal werd. Veel Nederlands werd er echter niet gesproken en geschreven, omdat de bevolkingssamenstelling gemengd was: naast de indianen, waren er negerslaven, Engelsen en Portugese joden. Suriname was dus meertalig en is dat tot de dag van vandaag gebleven. Via plakkaten werd de bevolking er echter steeds aan herinnerd dat het Nederlands de enige ambtelijke taal was.
Het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 omvat zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname tot 1876, het jaar van de instelling van de leerplicht met Nederlands als schooltaal. In hoofdstuk 2 staan de aanwijzingen voor het gebruik van het woordenboek. Bij de opgenomen woorden worden codes vermeld die informatie geven over zaken als de etymologie (herkomst en geschiedenis) van het woord, de tijdvakken en domeinen, waarin het aangetroffen werd. Circa 85% van de woorden kan verdeeld worden over 11 domeinen, die onder te brengen zijn onder de noemer natuur of cultuur. Het gaat hier om woorden voor dieren, wilde planten, cultuurplanten, enzovoort, vallend onder natuur en woorden voor zaken vallend onder de cultuur van de blanken, de slaven of de indianen. In hoofdstuk 3 beschrijft Van Donselaar zijn zoektocht in teksten naar Nederlandse woorden, die hij beschouwt als basis voor het Nederlands dat zich in Suriname ontwikkeld heeft, het Surinaams-Nederlands. Hij somt 54 van de voor hem belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876 op (p. 17-27). In hoofdstuk 4 staat de eigenlijke alfabetische woordenlijst (p. 31-245). Hoofdstuk 5 (p. 247-252) geeft zonder nadere verklaring in ruim vijf pagina’s een alfabetische woordenlijst van ‘duistere en/of onbetrouwbare woorden’ die niet als trefwoord zijn opgenomen.
Sika (tungiasis, zandvlo)
Hoofdstuk 6, getiteld ‘Contraregisters’ is onderverdeeld in drie paragrafen met een alfabetische woordenlijst: 6.1 geeft van hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands het toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.2 geeft van het hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands het (ook) toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.3 is een lijst van wetenschappelijke namen van dieren en planten met de toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876. Hoofdstuk 7 ten slotte bevat een lijst van literatuur en bronnen.
Een willekeurige greep uit de nieuwe Van Donselaar leverde de volgende nog in dezelfde betekenis gebruikte woorden op: bovenwaarts, dam (op plantage), bakove, banaan, bananenbakove, barbacotten, baskiet, binden (van een hangmat), boomrijp, dieken (uitgraven), districtscommissaris, dram, floridawater, gomma, hemd (overhemd), korjaal, kostgrond, laxans, lota, manja, mati, ogr’ai, pindakaas, het plein (officieel het Onafhankelijkheidsplein), rits (zand- of schelprits), sika, singel (dakbedekking), tomtom, treef, trens, uitlopen (vreemdgaan), zure oranje.
Alleen al hieruit zou men kunnen opmaken dat het Nederlands van 1667-1876 inderdaad, zoals Van Donselaar ook stelt, de basis is van het hedendaagse Surinaams-Nederlands. De basis is vooral sterker geworden in de 19de eeuw, toen de opkomende klasse van kleurlingen, gemanumitteerde en vrijgeboren negers er bewust voor kozen het Nederlands te gebruiken. Mede hierdoor konden ze zich onderscheiden van de slaven. De leerplicht, ingesteld in 1876, deed de rest en zorgde ervoor dat het Nederlands, het Surinaams-Nederlands, op grote schaal ingang heeft gevonden en daardoor een belangrijke taal is geworden in het meertalige Suriname, waar de officiële taal nog steeds Nederlands is. Het Surinaams-Nederlands kreeg, net als het Sranan, een unificerende functie, wat inhoudt dat bijna alle meertaligen met elkaar kunnen communiceren in deze twee talen als ze elkaars talen niet verstaan.
De fascinatie van de bioloog Van Donselaar voor de vreemde Nederlandse woorden, die hij tijdens zijn eerste verblijf in Suriname begon op te schrijven, heeft Suriname drie waardevolle woordenboeken opgeleverd, woordenboeken met een schat aan informatie voor de wetenschapper en de geïnteresseerde lezer. 
J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam/ Den Haag: Meertens Instituut/ Nederlandse Taalunie, [2013]. ISBN 9789070389772. Prijs: Euro 25,-

Verklarend Sranan woordenboek in de maak

 

De voorzitter van Fiti Fu Wini, Claudetta Toney (l) feliciteert Renata de Bies (r) met de benoeming van de commissie ter voorbereiding van het verklarend Sranan woordenboek. Op de achtergrond v.l.n.r. Stanley Uiterloo, Rudi Spa, Hein Eersel en France Olivieira.  Foto: Jason Leysner
Paramaribo – Het Sranan is onlosmakend verbonden met de identiteit van de Afro-Surinamers. Er moet dus gewerkt worden aan het ontwikkelen van deze taal, zodat het een positieve impuls geeft aan de ontwikkeling van deze groep. Vandaar dat de organisatie Fiti Fu Wini heeft besloten om samen met Sranan Akademiya te werken aan de uitgave van een verklarend woordenboek.
Gisteren werd de commissie bestaande uit Stanley Uiterloo, Rudi Spa, Hein Eersel, Renata de Bies, Celestine Raalte, France Olivieira en Monica Drente geïnstalleerd, die dit plan moet verwezenlijken.
Taalarmoede
“In 1986 is de spelling voor het Sranan officieel goedgekeurd, maar het is daarbij gebleven. Doordat de taal zo weinig geschreven en verspreid wordt, merken we dat we steeds vaker woorden uit het Nederlands lenen om ons verstaanbaar te maken. Maar dat leidt tot taalarmoede en dat willen we voorkomen”, meent Uiterloo die namens Fiti Fu Wini de kar moet trekken binnen de werkgroep.
Vermeer – Het melkmeisje. Rijksmuseum Amsterdam
Bevrijding
De commissie streeft ernaar om een woordenboek met tienduizend woorden uit te brengen. De contouren daarvan moeten rond de viering van 150 jaar afschaffing slavernij gepresenteerd worden aan de besturen van de twee participerende organisaties. “We zijn dan 150 jaar verder en werken aan onze bevrijding. De taal is daarbij een goed instrument”, benadrukt Kortensia Sumter Griffith, ondervoorzitter van Fiti Fu Wini bij het voorlezen van de proclamatie.
Uiterloo meent ook dat de taal afmoet van het stigma dat erop rust. “Je werd vernegerd genoemd als je Sranan sprak. En je werd voor dom aangezien. Maar ik ken mensen die het Sranan altijd al hebben gesproken en die zijn dé grote mannen van dit land geworden. Dat slaat dus nergens op.”
Spa, voorzitter van Sranan Akademiya, ondersteunt het initiatief en meent dat het aansluit bij het doel van de organisatie. “Sinds de oprichting met mannen als Hugo Overman, Eersel en Olivieira zijn we bezig hiermee. We hopen door te participeren in deze commissie dat we eindelijk een doorstart kunnen maken, met deze voor ons allen zo belangrijke stap.”
De commissie zal uitgaan van de Sranan-spelling van 1986. “Maar we gaan de inconsistenties eruit moeten halen. Ook de zaken die onvolledig zijn bij dat van 1986 zullen we moeten aanpakken”, legt lexicoloog De Bies uit.
De leden zijn zich ervan bewust dat het geen eenvoudige taak is en beginnen zo snel mogelijk met het samenstellen van de begroting die hoort bij het projectplan. “Daarmee gaat Fiti Fu Wini op zoek naar financiën bij donoren en andere gelijkgerichte organisaties”, aldus Uiterloo.
[uit de Ware Tijd, 20/02/2013]

Hein Eersel-lezing

Op zaterdag 9 juni j.l. vierde Dr. Christiaan Hendrik (Hein) Eersel zijn 90ste verjaardag. Als eerbetoon aan Eersel, die zich als taalkundige op bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt zal een lezing worden gehouden op 15 juni in het auditorium van Self Reliance.

Er zullen diverse sprekers, die zich beroepsmatig en of functioneel bezig houden met taal en overdracht van taalkennis, aan het woord komen. Vanuit de eigen ervaring, deskundigheid en perspectief in de Surinaamse context, zullen korte beschouwingen worden gehouden. De hoofdspreker van de avond is Dr. Renata de Bies. Zij zal het hebben over het Sranantongo in sociolinguïstisch perspectief. De avond wordt opgeluisterd met voordrachten en muziek.

Surinaams-Nederlands, wakaman-taal of slecht Nederlands?

Renata de Bies

door Rolf van der Marck

Kort geleden heb ik hier verslag gedaan van een onderzoek naar de meest gesproken, meest gebruikte taal in Suriname, waaruit het Surinaams-Nederlands als duidelijke winnaar naar voren kwam. Alhoewel ik mij toen beperkt heb tot het doen van verslag, dat betekent niet dat ik geen kanttekeningen heb bij dit resultaat. Nu, enige tijd en twee ‘ervaringen’ later, voel ik mij toch genoodzaakt die sindsdien ‘verrijkte’ kanttekeningen naar buiten te brengen. De door mij genoemde ‘ervaringen’ zijn a) dat naar ik heb begrepen de enige tijd geleden ingestelde adviescommissie inzake de taal onder leiding van de Surinaamse ‘eminence grise’ Hein Eersel naar verwachting binnenkort een advies naar buiten zal brengen om het Surinaams-Nederlands tot Suriname’s officiële taal te maken, en b) dat ik vandaag op de ‘dag van de vrouw’ een tijd lang met gekromde tenen naar de verloedering van onze taal op de radio heb zitten luisteren.

Hein Eersel

Allereerst mijn kanttekeningen. Waar Renata de Bies, bouwdecaan van de Masteropleiding Nederlands van de subfaculteit Humaniora van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), aan de hand van onderzoek meende te kunnen aantonen dat het Surinaams-Nederlands (SN) steeds meer afstand neemt van het Algemeen Nederlands (AN) zijn daarbij een aantal vraagtekens te plaatsen. Het alles overheersende vraagteken is wel welk Nederlands De Bies nu eigenlijk doceert aan de AdeKus. Uit de strekking van haar stelling spreekt een grote preoccupatie met het Surinaams-Nederlands, ongetwijfeld gevoed door de door haar samengestelde woordenboeken, wat haar onderzoeksverslag zo ongeveer tot een zegetocht heeft gemaak. Met andere woorden, wordt er op masterniveau aan de AdeKUS wel voldoende onderscheid gemaakt tussen AN en SN?

Welk Nederlands wordt onderwezen op de AdeKUS?
De opvolgend meest belangrijke vraag is, welk onderscheid wordt er in die opleiding gemaakt tussen Surinaams-Nederlands en slecht Nederlands? De woordenboeken van De Bies vormen nog slechts een aanzet tot een beschrijving van het Surinaams-Nederlands, de status van het Surinaams-Nederlands als een autonome taal is alleen maar een uiterst officieuze, zo is er bijvoorbeeld nog helemaal geen onderzoek gedaan naar de verschillen op het gebied van stijl en grammatica. Er zal dus nog heel wat water door de Surinamerivier moeten vloeien alvorens het Surinaams-Nederlands een autonome taal genoemd kan worden. Bij gevolg wordt straffeloos beweerd dat er Surinaams-Nederlands wordt gesproken, terwijl het over een heel grote linie niet anders dan slecht Nederlands is.

Uitgaande van deze status quo is de wens om het Surinaams-Nederlands tot onze officiële taal te maken misschien wel begrijpelijk, maar wij moeten wel beseffen dat genoemde status quo het resultaat is van de in de laatste decennia te constateren verloedering van het onderwijs in Suriname, eerst en vooral de verloedering van het taalonderwijs. Dit blijkt uit een volledig gebrek aan taalbesef, gebrek aan notie wat afzonderlijke woorden betekenen en hoe ze te gebruiken om er iets mee tot uitdrukking te brengen en dat geldt zonder onderscheid vanaf de kleuterschool tot en met de universiteit. Als de universiteit zou selecteren op een goede beheersing van de Nederlandse taal, dan kon zij haar poorten maar beter sluiten.

Voeling met taal

Door de kat of door de hond gebeten?
Tegen deze achtergrond is het niet eens meer de vraag of je door de kat of door de hond wordt gebeten, de allesoverheersende vraag is hoe de mensen weer taalbesef bij te brengen, om het even of het AN, SN of Engels is, want die keuze is arbitrair, of emotioneel om het anders te zeggen. En daar ligt mijns inziens dan ook de crux, welke taal ligt het dichtstbij voor de Surinamer van vandaag? Het lijdt volgens mij geen twijfel dat het Surinaams-Nederlands de emotionele keuze is, maar ook dat lost het probleem niet op, maar het zou wel een stap kunnen zijn in de goede richting. Het probleem is namelijk een pedagogisch probleem: op welke wijze kan de Surinamer weer voeling met taal worden bijgebracht? Daartoe moet eerst die keuze worden gemaakt en vervolgens moet ijlings worden gewerkt aan een standaard van het Surinaams-Nederlands, want anders is er überhaupt geen onderwijs mogelijk. Het is een verdomd complex probleem, nog complexer dan het probleem van de kip en het ei.

Wakaman-taal
Dan kom ik tot slot bij wat ik wakaman-taal wil noemen, stoer taalgebruik om interessant te klinken, met als pluspunt dat het het gebrek aan kennis van de taal maskeert en in tegendeel wordt geacht indruk te maken door het veelvuldig gebruik van Engelse termen. Zoals ik hierboven al zei, heb ik vandaag enige tijd naar de radio zitten luisteren, waar niet de minste onder de Surinaamse radio-omroepers, Steven van Frederikslust, commentaar gaf op het Hindoestaanse Holi-feest en de Dag van de Vrouw, die allebei vandaag worden gevierd. Daarbij is de Dag van de Vrouw aangegrepen voor een bewustwordingscampagne, de Pink Ribbon-campagne ter bestrijding van borstkanker. Bij het aanzetten van de radio moest ik beluisteren dat awareness noodzakelijk is, willen wij borstkanker bestrijden. Geen speld tussen te krijgen, behalve dan dat de gemiddelde Surinamer eerder zal begrijpen wat bewustwording is dan awareness. Maar daar gaat het dus helemaal niet meer om, het gaat erom om indruk te maken, niet om de boodschap zo goed mogelijk over te brengen. De rest van mijn luisterergernis zal ik u besparen, maar Van Frederikslust had in elke zin minstens drie Engelse woorden gevlochten, zonder dat ze tot een betere bewustwording bijdroegen.

Tien dagen geleden was ik aanwezig bij een door het Suriname Heritage Festival in samenwerking met de Kamer van Koophandel georganiseerde lezing met als titel: “De economische waarde van ons erfgoed”. De lezing met powerpointpresentatie werd gehouden door een Surinaamse landschapsarchitect die haar opleiding in Amerika had genoten, waar ze ook is afgestudeerd. Wellicht was dit mede de oorzaak van een overmatig gebruik van Engelse termen, maar los daarvan bevatte praktisch elke op het scherm weergegeven Nederlandse zin minstens één grove fout, heus niet alleen een verwisseling van ‘de’ en ‘het’. En natuurlijk ging het ook hier –in weerwil van de titel– niet om erfgoed, maar om heritage, en om awareness, niet om bewustwording.

De opvolgers van de ‘commissie-Eersel’ worden zodoende opgescheept met een hels karwei, namelijk om slecht Nederlands te beschrijven en definiëren, om er zodoende een autonome taal van te maken. Vrijwilligers vóór!

Mini-symposium toont noodzaak voor behoud moedertalen


door Donovan Mijnals

Paramaribo – In verband met de Internationale Dag van de Moedertalen organiseerde het directoraat Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling een mini-symposium. Dit symposium werd gehouden in de University Guesthouse en had als rode draad de meertaligheid in ons land.

De inleiders daarbij waren Ismene Krishnadath en Renate de Bies. Onder de aanwezigen bevond zich ook de Cultuurdirecteur Stanley Sidoel. Hij gaf aan dat zijn directoraat zich er van bewust is dat er veel werk aan de winkel is met betrekking tot het behoud van de vele talen die Suriname rijk is.

Frans

Krishnadath, die in december in Cayenne een conferentie over de meertaligheid in overzeese Franse gebieden bijwoonde, gaf aan hoe er in die gebieden met meertaligheid wordt omgegaan. “Het Frans heeft er een onaantastbare status, maar daarnaast kunnen ook regionale talen worden erkend als een Franse taal”, vertelde ze. Die regionale talen hebben geen officiële status, maar doordat ze erkend zijn kunnen er faciliteiten aan verleend worden. Krishnadath deed uit de doeken dat er in Frans-Guyana een ‘Language awareness program’ voor leerkrachten bestaat, dat speciaal gericht is op de taaldiversiteit binnen de klas. De Schrijversgroep ‘77-voorzitter adviseerde Suriname punten van het Franse taalbeleid ook hier toe te passen. Opmerkelijk was dat ze er tevens voor pleit dat het gebruik van twee lidwoorden in het Surinaams Nederlands wordt afgeschaft. “Of je nu de of het gebruikt, het verandert niets aan de betekenis van de zin”, verklaarde ze.

Multilinguaal

De Bies werd in haar speech ondersteund door Preetema Jong A Lock-Pahladsingh en behandelde het thema moedertalen in de multilinguale setting van Suriname. Ze begon haar uiteenzetting met een ietwat bewerkte quote van Nelson Mandela: ‘Speak to a man in a language he understands and you speak to his head; speak to a man in his native language and you speak to his heart’. Een moedertaal is volgens haar correlatief aan het gemak waarmee de gebruiker daarvan zich in die taal uitdrukt. Zeker is volgens haar wel dat bij de oersentimenten als angst en boosheid, de mens zich over het algemeen in zijn moedertaal uitdrukt. Dat het grootste deel van de Surinaamse samenleving uitscheldt in het Sranan, past zeker binnen deze theorie.

Volkslied

Bij de vragenronde bepleitte een van de aanwezigen, Atma Jagbandhan, ook voor meertaligheid in het volkslied. “Ik ken het Sranan wel, maar ik voel niet dat het mijn taal is. Sranan is niet de taal van het hart van alle Surinamers”, vindt hij. Frappant daarbij is dat in de Verenigde Staten van Amerika, een ander land dat bekend staat om haar multiculturele samenleving, het nooit aan de orde geweest het volkslied meertalig te maken. De Dag van de Moedertalen die door de Unesco is ingesteld, was officieel op dinsdag 21 februari. Het symposium werd afgelopen vrijdag 24 februari gehouden.

[uit de Ware Tijd, 27/02/2012]

Surinaams-Nederlands

Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands

Sinds de aanvang van dit studiejaar kent de subfaculteit Humaniora van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS) een Masters-opleiding Nederlands, die onder leiding staat van bouwdecaan Dr. Renata de Bies. De Bies, in 2008 aan de Katholieke Universiteit Leuven gepromoveerd, is de samensteller van het Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands (WSBN) evenals van het Prisma-woordenboek Surinaams-Nederlands.

Foto rechts: Renata de Bies

Op een vandaag in het kader van de Internationale Dag der Moedertalen door De Bies georganiseerd mini-symposium in het University Guesthouse van de AdeKUS, zijn de resultaten bekend gemaakt van een onder 397 respondenten van Surinaamse middelbare scholieren uit Paramaribo, Commewijne en Nickerie gehouden taalonderzoek. Uit dit onderzoek is gebleken dat het Surinaams-Nederlands een doorslaggevende rol speelt in onze multiculturele samenleving. Het Surinaams-Nederlands wordt verreweg het best beheerst en haalt op afstand de hoogste percentages op de onderzoeksdelen: taal die thuis wordt gesproken 22,4%, beste uitdrukkingstaal 61,5% en enige moedertaal 34,3%. Indien men meerdere talen als moedertaal mag aanwijzen, blijkt dat het Surinaams-Nederlands als enige taal in alle combinaties voorkomt. Alleen als scheldtaal haalt het Sranan hoge percentages, maar nog altijd níet méér dan het Surinaams-Nederlands. Dit onderzoek is uitgevoerd door studenten Nederlands aan het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL). Volgens De Bies is het Surinaams-Nederlands overal aanwezig en sluiten de gepresenteerde resultaten aan op een dergelijk in 2004 gehouden onderzoek

Wat leert ons dit onderzoek?

Om de onderzoeksresultaten te kunnen interpreteren zullen we eerst een definitie moeten geven van het Surinaams-Nederlands (SN). Die heb ik gehaald uit genoemd WSBN van De Bies: “Het Surinaams-Nederlands is de nationale variëteit van het Algemeen Nederlands (AN), gesproken door Surinamers in en buiten Suriname. Een gedeelte van het SN valt samen met het AN, het andere gedeelte is exclusief Surinaams. Dit Surinaamse deel is prominent aanwezig in de woordenschat. Op de andere niveaus van taal, zoals grammatica en stijl, is er ook sprake van Surinaamse eigen-aard-igheden.”

Over het ontstaan van het SN zegt De Bies: “Het SN is gesurinamiseerd Nederlands, een Nederlands dat zich heeft ontwikkeld in een proces van vernederlandsing dat met de leerplichtwet is begonnen. In dat proces heeft de Surinamer het Nederlands geautochtoniseerd. Het Nederlands werd in Suriname geïmporteerd en daarna werd het aangepast aan de communicatiebehoeften van de verschillende rassen en culturen die naar dit land zijn gebracht, met als resultaat het SN, trefpunt van rassen en culturen in Suriname.”

Sinds de verzelfstandiging van de Republiek Suriname in 1975 is de officiële taal het Nederlands, de taal die elk kind op school leert en waarin alle wetten en voorschriften worden uitgebracht, onontkoombaar dus voor elke Surinaamse burger. Maar zoals De Bies heeft opgemerkt, het in Suriname geïmporteerde Nederlands werd aangepast aan de communicatiebehoeften van de verschillende in het land aanwezige rassen en culturen en dat is de taal geworden die nu Surinaams-Nederlands heet. Los van het feit dat elke levende taal lééft, dus continu in ontwikkeling is, moet het door De Bies genoemde aanpassingsproces reeds lang als afgesloten worden beschouwd. Toch is te constateren dat het SN steeds meer afstand neemt van het AN en dat hoeft helemaal niet te verbazen, want er bestaat geen enkele bemoeienis meer vanuit Nederland (behalve dan de zinloze taaltips van de Nederlandse Taalunie), het SN is immers uitgegroeid tot een autonome taal, eenzelfde proces als zich in de loop der eeuwen heeft voltrokken in Zuid-Afrika. Tegen deze achtergrond is de vraag alleen nog maar wanneer het Surinaams-Nederlands de officiële voertaal wordt in Suriname, tenminste, als het kan standhouden tegen het oprukkende Engels in.

Ook Zuid-Afrikaans is een autonome taal

Zo bezien bevatten de resultaten van genoemd onderzoek weinig nieuws, het is zoals De Bies aan de hand van voorgaand onderzoek ook laat zien een logische ontwikkeling, een zich voortzettende trend. Wellicht kan zij met volgende onderzoeken gaan extrapoleren wanneer het punt bereikt zal worden dat SN inderdaad tot officiële voertaal kan worden geproclameerd. Niet onbelangrijk voor het ministerie van Onderwijs om daarop te kunnen inspelen, want met de taalvaardigheid en -beheersing van onze huidige voertaal is het bar slecht gesteld. Wellicht dat een tijdige ingreep in de lesprogramma’s een overgang kan vergemakkelijken en gelijktijdig op termijn de taalvaardigheid en -beheersing van de Surinamer op een hoger peil kan brengen. De Bies en haar Masters-opleiding Nederlands zullen er hun handen vol aan hebben.

Wanneer mag seks? Grenzen van jeugdliteratuur (I)

[Tekst voor het openingscollege van de Masters opleiding Nederlands aan de Anton de Kom-universiteit, Subfaculteit Humaniora, 30 januari 2012]

door Ismene Krishnadath

Groet, (Vertegenwoordigers ADEK en vooral dr. Renata de Bies, Bouwdecaan van de Masters Opleiding Nederlands van de subfaculteit Humaniora aan de ADEK, dank u voor de uitnodiging om dit openingscollege te verzorgen. Gegroet dames en heren, studenten en overige belangstellenden)

Mag ik u allen feliciteren met de opening van deze opleiding waar lang naar is uitgekeken door veel betrokkenen in het taalveld. Het wordt hoog tijd dat we in Suriname komen tot een gestructureerd taalbeleid. Wetenschappelijke taalopleidingen zijn een must om daarbij de nodige inputs te kunnen geven.

En nu dan naar het college:

Mijn naam is Ismene Krishnadath. Ik ben schrijfster en boekverkoper. Sommigen vinden dat een vervelende combinatie, maar de werkelijkheid in Suriname is nu eenmaal zo. Ik ben verder docent op het IOL, waar ik het het vak Beroepsvorming verzorg, dat is een opvolger van het vroegere Pedagogisch Getuigschrift. Beroepsvorming ontleent veel inhoud aan Pedagogiek en Psychologie.

De titel van mijn lezing is: Wanneer mag seks? De grenzen van jeugdliterauur.

Aan boekverkopers wordt vaak gevraagd om hun boeken voor de jeugd in leeftijdscategorieën in te delen. Ik denk dat bibliotheekwerkers en leerkrachten dat ook doen. Ook zij worden geacht antwoord te kunnen geven op de vraag: ‘Welke boeken zijn geschikt voor welke leeftijden?’

In deze lezing wil ik deze vraag op twee manieren bekijken:
1. Vanuit de invalshoek van de lezers. Criteria bepalen van onderaf, en achteraf.
2. Vanuit de invalshoek van de ontwikkelingspsychologie. Criteria bepalen van bovenaf, en vooraf.

Van onder af: de lezer beslist

Het beoordelen van een boek is een lastige kwestie, omdat je te maken krijgt met subjectieve zaken als smaak en interesse, die weer gerelateerd zijn aan sociaal-culturele achtergrond met daarbij behorende normen- en waardenstelsels.

Wat dat betreft moeten we in feite het kind zelf laten beslissen wat het wil lezen. Als schrijfster hanteer ik zelf het simpele principe dat elk verhaal dat iemand kan boeien een goed verhaal is.

Voor mij is de meest ideale situatie die waarbij de lezersgroep zelf aanbevelingen doet over te lezen boeken.

Ismene Krishnadath in de collegebanken

Het wordt tijd om de jeugd zelf te betrekken bij de keuze van de boeken die we hun voorschrijven. De Ware Tijd Literair geeft al een goed voorbeeld met hun jeugdrecensenten. Maar het is te beperkt. Het mee laten bepalen door jongeren welke boeken ze lezen moet veel breder en gestructureerder worden aangepakt. Het ideale zou zijn als elk jaar op elke school een aantal kinderen van bepaalde leeftijdsgroepen een x aantal boeken leest en dan aangeeft welke ze de beste vonden. Dan zou je per jaar een lijst met boekentoppers kunnen maken, die richtinggevend zijn bij de adviezen van de boekhandelaar de bibliotheekmedewerkers en de leerkrachten. De boekentoplijsten zouden ook een schat aan informatie opleveren voor onderzoek. Bijvoorbeeld naar de vraag: Wat is er nu aan die boeken dat die kinderen zo leuk vinden? De boekenlijsten zouden aanleiding kunnen zijn voor activiteiten, waarbij de kinderen praten over de boeken. Daarmee komt het boek in hun scène en wordt het hopelijk weer hot om boeken te lezen. En uiteindelijk moet het de jeugd zelf zijn die de grenzen van jeugdliteratuur bepaalt. Want de jeugd, daar gaat het in feite om.

[wordt vervolgd, klik hier voor deel II]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter