blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Benoit P.J.

De Dageraad: Annejet van der Zijl heeft de Weg naar Zee niet afgereden

Annejet van der Zijl is bijzonder bekend geworden vanwege haar roman Sonny Boy, die in 2004 verscheen en ook verfilmd is (2011). In Suriname verscheen in 2006 een Suriboek-versie, die zeer betaalbaar was voor studenten en gretig aftrek vond, hoewel Surinaamse schrijvers wel kritiek hadden over deze goedkope import vanuit de overkant van de oceaan. Zowel in Suriname als in Nederland is het boek bijzonder goed onthaald. Het is een bewogen verhaal over een jonge man, Waldemar Nods, van Surinaamse afkomst die naar Nederland vertrok, daar ging inwonen bij een hospita en een relatie met haar kreeg. Ze scheidde van haar man en samen met Waldemar kreeg ze een zoontje, Waldy, ook wel Sonny boy genoemd. Nadat het paar in de Tweede Wereldoorlog in het verzet ging, werden ze opgepakt en in concentratiekampen opgesloten. Waldemar wist te vluchten, maar heeft het niet gered. Hij werd neergeschoten aan de vloedlijn van de Oostzee in 1945. Aan de hand van bronnen heeft Van der Zijl de puzzelstukjes van Waldemar Nods leven aan elkaar gelegd tot een verhaal. In de Suriboek-versie van 2006 en in de luxe-uitvoering van 2009 is een kleine novelle over plantage De Dageraad ingevoegd, die nu los verschenen is. read on…

Benoits beroemde reisverslag hertaald

Voyage à Surinam, Reisverslag van P.J. Benoit, hertaald en ingeleid door Michaël Ietswaart

In april 2016 verschijnt bij uitgeverij WalburgPers te Zutphen Voyage à Surinam. Beschrijving van de Nederlandse bezittingen in Guyana door P.J. Benoit hertaald en ingeleid door Michaël Ietswaart (prijs € 19,95). Benoit maakte tijdens zijn verblijf in Suriname 100 schitterende tekeningen over het Surinaamse leven van alledag, mensen, rituelen, gebruiksvoorwerpen, muziekinstrumenten en de prachtige Surinaamse natuur. Deze tekeningen werden door twee andere Belgische kunstenaars, Jean Baptiste Madou en Paul Lauters, gelithografeerd. Elke plaat werd zodoende een klein kunstwerk. read on…

Veel kwaliteit weinig volk bij Boni Puwema Neti

door Donovan Mijnals

Paramaribo – Iwan Wijngaarde ziet er ietwat teleurgesteld uit; maar niet gebroken. De Puwema Neti die zaterdag in verband met de herdenkingsdag van de Surinaamse verzetsheld Boni werd gehouden, was veel minder druk dan de voorzitter van de organiserende Feydrasi Fu Afrikan Srananman had verwacht. read on…

‘Slavernij verbeeld’: expo Nederlands slavernijverleden

De Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname uit 1737
Amsterdam – Dit jaar is het 150 jaar geleden dat in Nederlandse koloniën de slavernij werd afgeschaft. Met de tentoonstelling ‘Slavernij verbeeld’, sluiten de Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam aan bij de officiële herdenking van het Nederlandse slavernijverleden. De tentoonstelling schetst een historisch beeld van de slavernij in West-Indië, voornamelijk in de voormalige kolonie Suriname. Een bijzondere bijdrage aan de expositie leveren Jörgen Raymann en zijn dochter Melody, studente geschiedenis aan de UvA.
Raymanns keuze
Raymann en zijn dochter, presenteren ‘Raymanns keuze’: een selectie van tien spraakmakende objecten uit de tentoonstelling die in een compilatie van video-interviews worden toegelicht. Daarvoor bezochten zij de verzameling van Kenneth Boumann. Ook gingen zij de straat op om Amsterdammers te vragen over hun kennis over het slavernijverleden. Bij de tentoonstelling verschijnt de publicatie Slavernij – Een geschiedenis (Walburg Pers) van de hand van Dirk J. Tang. Hij schetst de lange wordingsgeschiedenis van slavernij en slavenhandel. Hoe deze zich over de wereld verspreidden en uiteindelijk moeizaam verdwenen. Ook verschijnt een themanummer van het tijdschrift De Boekenwereld (Vantilt / Bijzondere Collecties UvA), met onder meer bijdragen van Kenneth Boumann en Carl Haarnack.
Gravure uit Verscheyde Voyagien, Zee- en Land-togten (1706)
Banieren tentoonstelling
Parallel aan de expositie bij de Bijzondere Collecties is in de Amsterdamse Openbare Bibliotheek een banieren tentoonstelling te zien, die daarna op reis gaat langs een aantal grote openbare bibliotheken in Nederland. In tien banieren wordt een beknopt historisch overzicht geboden van de geschiedenis van de slavernij. Een tweede reeks banieren toont ‘Raymanns keuze’, met persoonlijke teksten van Melody Raymann. Op www.bibliotheek.nl wordt een ‘digitale etalage’ ingericht met aanvullende informatie over het slavernijverleden
Omvangrijke collectie
De tentoonstelling geeft een indrukwekkend beeld van de slavernij in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw in Nederland en Suriname. De geschiedenis van de slavernij wordt zichtbaar aan de hand van unieke kaarten, boeken, manuscripten, documenten, prenten en andere objecten uit de Bijzondere Collecties van de UvA. Dit materiaal maakt deel uit van de omvangrijke collectie over de geschiedenis van Suriname en West-Indië van de UvA. Het is aangevuld met objecten uit andere openbare en particuliere verzamelingen.
De tentoonstelling, mogelijk gemaakt door een bijdrage van het Mondriaan Fonds, is samengesteld door de gastconservatoren Carl Haarnack, particulier verzamelaar en bekend van zijn blogBuku Bibliotheca Surinamic en Elmer Kolfin, kunsthistoricus bij de Universiteit van Amsterdam, en historicus Dirk J. Tang.

 

Felrealistische etsen
Uit de rijke particuliere collectie van Kenneth Boumann komen onder meer een schitterend exemplaar van de beroemde Voyage à Surinam (1839) van Pierre Jacques Benoit en een ivoren beeldje van een bevrijde slaaf met verbroken ketenen, door Boumann ‘Sjorie’ (George) genoemd. Een pronkstuk is de Algemeene kaart van de Colonie of Provintie van Suriname uit 1737, waarop de honderden plantages langs de rivieren zichtbaar zijn. Aansprekend is ook het schilderij van het fort Elmina, in Ghana, afkomstig uit het bezit van de laatste gouverneur van deze Nederlandse kolonie. Het schrikwekkende beeld dat de beroemde Engelse graveur William Blake van de behandeling van Surinaamse slaven schetste is te zien in felrealistische etsen.
[uit de Ware Tijd, 06/06/2013]

Kinderen in slavernij

door Maggie Schmeitz

De prachtig verzorgde bundel in kleur Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. is onderdeel van een groter project Kind aan de Ketting met een website, een reizende tentoonstelling en een educatief pakket voor het voortgezet onderwijs.
Aspha Bijnaar geeft in de verantwoording aan dat het thema opgroeien in slavernij niet alleen wetenschappelijk vernieuwend is, maar ook maatschappelijk relevant. Het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) wil met dit project breed gedragen maatschappelijke verontwaardiging oproepen over uitbuiting van kinderen toen en nu.
In de inleiding geeft de redacteur een helder overzicht van de verschillende bijdrages, en laat zien hoe die met elkaar verweven zijn. Het historische gedeelte wil enerzijds een beeld schetsen van de rol van kinderen in de koloniale slavernij en anderzijds inzicht verschaffen in de gevolgen van deze slavernij op de lange termijn. Het moderne gedeelte zoekt naar de kenmerken en vormen van de hedendaagse kinderslavernij, en naar de verschillen met de trans-Atlantische slavernij van toen.

De combinatie van artikelen geeft de lezer een algemeen en een specifiek Antilliaans en Surinaams beeld van kinderen in de koloniale slavernij. Dit een goede focus voor het Nederlands(talig) lezerspubliek en biedt zowel informatie voor hen die al enigszins op de hoogte zijn als voor hen die nog absoluut van niets weten. Een minpuntje van de ‘veelheid’ aan beelden is dat er hier en daar herhaling en overlap optreden. Het inzicht in de gevolgen van slavernij op de lange termijn komt minder goed uit de verf. Ik krijg de indruk dat dit er door een aantal schrijvers in de laatste alinea nog even bij is gegrabbeld; om te overtuigen was de verbinding tussen toen en nu misschien beter tot zijn recht gekomen in een apart artikel. De combinatie tussen een historisch gedeelte en een modern gedeelte over kinderslavernij is wel goed gevonden; het staat de lezer niet toe om, na lezing van het historisch gedeelte, een zucht van verlichting te slaken omdat ‘dat allemaal al voorbij is’. Het drukt je met de neus op de feiten dat met de huidige economische orde de verhoudingen niet echt veranderd zijn, alleen de vormen van uitbuiting zijn dat wel.

Jongen uit Mariënburg. Foto © Nicolaas Porter

 

Het eerste deel, Afrikaanse kinderen in de slavenhandel, bestaat uit een bijdrage van Dienke Hondius die drie vragen centraal stelt en beantwoordt: 1. Om hoeveel kindslaven ging het? 2. Wat meldden de bronnen (Europese mannen) over kindslaven? 3. Hoe werkte de gevolgen van kindslavernij door, ook na afschaffing van de slavernij? Hondius laat aan de hand van verschillende bronnen zien dat het percentage Afrikaanse kinderen dat via de transatlantische route werd gehaald in de loop der eeuwen stijgt van 18 procent aan het eind van de zeventiende eeuw tot 36 procent in de negentiende eeuw. Bovendien was de meerderheid van de volwassenen jong. Hondius maakt dit overtuigend duidelijk aan de hand van administratieve gegevens: kinderen van vier tot zeven jaar telden als een halve arbeidskracht, tussen de acht en twaalf jaar als tweederde arbeidskracht. Een volwassen gezonde slaaf tussen 15 en 35 jaar oud was de eenheid (pieza de India) waarvan deze berekeningen werden afgeleid. In Suriname werden kinderen boven de 12 echter ook als volwassenen geteld. Als mogelijke beweegredenen van de slavenhandelaren voor het steeds massaler invoeren van jonge kinderen worden onder meer genoemd: kinderen waren goedkoper, makkelijker onder de duim te houden, namen minder ruimte in, en gingen langer mee. Boven de 35 jaar werden volwassenen als te oud en ongeschikt voor de verkoop en het werk beoordeeld.
Hondius geeft daarna de opinie van een aantal Europese handelaren (1600-1700) weer over Afrikanen, die in hun ogen onbezorgd, seksueel losbandig en onverschillig ten aanzien van hun (vele) kinderen zouden zijn. Hondius verbindt het beeld dat deze Europeanen in Afrika opdoen met het in Nederland wijdverbreide beeld van zwarten, dat al heerste voor er een noemenswaardige groep zwarte mensen in Nederland was. Dit beeld van Afrikanen als kinderlijk en dierlijk wordt in de negentiende eeuw versterkt door aanhangers van de rassenkunde die Afrikanen consequent als kinderlijk en onderontwikkeld bleven neerzetten. Deze veronderstelde blanke, Europese superioriteit zette zich ook in de twintigste eeuw voort en beperkte zich niet alleen tot conservatieve of koloniale kringen. In de twintigste eeuw blijven de contrasten tussen ‘wild’ en ‘beschaafd’, ook vanuit bevoogdend humanitair activisme, het superieure zelfbeeld en het inferieure beeld van de Afrikaan in stand houden.

Hondius maakt vervolgens een sprongetje naar de groep antropologen onder leiding van Franz Boas die een totale ommezwaai maakten van rassenkunde naar anti-racistisch onderzoek. Zij maakt hierbij vooral gebruik van Herskovits die stelt dat raciaal vooroordeel is gebaseerd op de mythe van de neger als kinderlijk, en gemakkelijk in staat zich aan te passen aan de moeilijkste omstandigheden. Deze mythe rationaliseert discriminatie en beïnvloedt zowel het beleid als onderzoekstrends. Hondius trekt deze lijn door naar de etnische en raciale verhoudingen in Nederland heden ten dage.

Gravure uit Stedman

 

Het tweede deel van het boek, ‘Surinaamse kinderen in slavernij’, opent met een analyse van tien afbeeldingen uit de slavernijtijd door Aspha Bijnaar. Deze analyse is om meerdere redenen interessant: de uitleg van de schrijver prikkelt de lezer/kijker tot een eigen interpretatie van het beeld, terwijl het beeld de interpretatie toont die de schilder/tekenaar geeft aan de werkelijkheid. Bijnaar geeft aan dat de interpretatie van de kunstenaar vaak te rooskleurig is. Zo beschrijft zij een prent van Stedman uit 1796 van slaven die van een slavenschip komen als dubbelzinnig. Aan de ene kant wordt een bedreigende situatie uitgebeeld waar de slaven, voornamelijk vrouwen en kinderen, door een slavendrijver met stok en agressieve hond worden opgejaagd. Aan de andere kant lopen de slaven er zo te zien vrolijk, en zelfs bevallig bij. Alle vrouwen zijn afgebeeld met strakke borsten en volle heupen. In de tekst verbaast Stedman zich weliswaar over hun levenslust, maar het tafereel dat hij in woorden beschrijft wijkt verder sterk af van de afbeelding: ‘Men and women, and a few children were such a resurrection of skin and bones, as justly put me in mind of the last trumphet; seeming that moment to be rose from the grave…(p. 38).’
Bijnaar gebruikt vervolgens een prent van Benoit uit 1839 om de praktijken rond de veiling en verkoop van slaven(kinderen) te belichten. De daarna volgende afbeeldingen hebben allemaal te doen met het leven op de plantage en de serie eindigt met een afbeelding van een begrafenisceremonie. Hiermee is de cyclus van het slavenleven mooi verbeeld. Bijnaar koppelt de beelden aan bestaande informatie, en gebruikt ze om de lezer/kijker zich in te laten leven in de afgebeelde Afrikaanse mensen.

Alex van Stipriaan concentreert zich in zijn bijdrage over de demografische ontwikkelingen op de Surinaamse plantage gedurende de laatste eeuw van slavernij op de oorzaken van de hoge kindersterfte en de condities waarin kinderen ter wereld kwamen. Weinig verrassend constateert hij dat de fertiliteit toeneemt naarmate de leefomstandigheden verbeteren en de hoop op vrijheid toeneemt.

Elise Verhey tracht in haar bijdrage, ‘Opgroeien tussen slaven en meesters’, meerdere gezichtspunten daarover te laten zien. Zij slaagt er mijns inziens niet echt in het belang van Afrikaanse kinderen als belangrijke schakel tussen slavenhouders en ouders aan te tonen, ook de stem van de slaven komt niet echt tot uiting.
Ronald Donk relateert de droge historische feiten aan wat dit voor een willekeurig slavenkind betekend zou hebben. Dit maakt zijn betoog, dat feitelijk gericht is op de rol van de koloniale overheid en de katholieke kerk, een stuk persoonlijker. Donks analyse van het onderwijs toont pijnlijk aan dat het verlichte denken van de negentiende eeuw geenszins van toepassing was op slavenkinderen; hij trekt de verschillen in omvang en kwaliteit van het aangeboden onderwijs op Curaçao door tot 1954 en verbindt de huidige onderwijsproblematiek met dit verleden.

Rose Mary Allen tracht het leven van slavenkinderen op Curaçao te reconstrueren aan de hand van interviews uit de jaren tachtig met ouderen, die werden gevraagd wat hun voorouders vertelden over de slavernij. De methode van oral history brengt het verleden dichterbij; het relateren van de manier waarop ouders nu nog fysieke straf toepassen aan de manier waarop er vroeger zodanig werd gestraft, lijkt daardoor helemaal niet vergezocht.

Schooljeugd op Aruba; jaren ’50
Luc Alofs belicht in de vaak verzwegen slavernij op Aruba de manier waarop slavenkinderen letterlijk het kind van de rekening waren. De eigenaren verhaalden de armoede die hen trof uiteindelijk op de slaven; door hen te verkopen dan wel door op hun levensonderhoud te bezuinigen en ze in de praktijk dus te verhongeren.

De artikelen van Wim Rutgers en met name van Jaimie Mcintyre vallen nogal uit de toon; hun speurtochten in Antilliaanse literatuur en Nederlandse schilderkunst leveren helaas weinig inzicht op die bij kunnen dragen aan de opzet van deze bundel.

 

Mercita Coronel opent het deel over hedendaagse kinderslavernij met een kritische beschouwing van het debat over de cacao-industrie in West-Afrika. Zij plaatst vier onderzoeken (twee westerse en twee Afrikaanse) uit de periode 2002-2007 over mogelijke kinderarbeid in de cacao-industrie in een complexe context van onder andere kolonialisme, corruptie, migratie, cliëntelisme, tarieven en vrijhandel. Met name het Afrikaans onderzoek in Ghana en Ivoorkust wijst uit dat 97 procent van de kinderen deel uitmaakt van het huishouden waarin de cacao wordt geproduceerd. Coronel plaatst deze situatie dan ook eerder onder de term kinderwerk dan kinderslavernij, of zelfs kinderarbeid. Aan de hand van gedegen literatuurstudie waarschuwt zij tegen het gebruik van emotioneel beladen termen als kinderslavernij en cacaoplantages, waar in werkelijkheid sprake is van keuterboeren die met hulp van hun gezin en andere arbeidskrachten proberen te overleven. Zij waarschuwt verder voor de consequenties van het zwart-witte cacaoverhaal: als door westerse betutteling en culturele misverstanden de Afrikaanse cacaoproductie in gevaar wordt gebracht, zijn de kinderen van de Afrikaanse cacaoboer het kind van de rekening.

 

Kristoffel Lieten en Sarah de Vos schetsen aan de hand van ilo conventies en unicef protocollen een deprimerend overzicht van moderne kinderslavernij wereldwijd: het aantrekken van goedkope kinderarbeid op de vrije markt zonder dat daar enige regulering tegenover staat. Als alleen de onvoorwaardelijk ergste vormen van kinderarbeid worden geteld (slavernij en gebonden arbeid, kindsoldaten, kinderprostitutie en pornografie, kinderen in illegale praktijken), praten we over 8 miljoen; tellen we de kinderen mee die om te overleven zo hard en zo lang moeten werken dat hun gezonde en normale ontwikkeling geschaad wordt, dan praten we over 100 tot 170 miljoen. De casestudie van Berendra Raj Giri over gebonden kinderarbeid in Nepal sluit hier goed bij aan; zij laat de kinderen zelf aan het woord over de uitzichtloosheid van hun bestaan.
Kind aan de Ketting plaatst moderne kinderslavernij hiermee op het bord van eenieder die zich sociaal geëngageerd wenst te noemen. De bundel biedt wat het belooft: de wetenschappelijke onderbouwing voor die maatschappelijke verontwaardiging.

Aspha Bijnaar (red.), Kind aan de Ketting; Opgroeien in slavernij toen en nu. Amsterdam: KIT Publishers, 2010. 215 p., isbn 978 94 6022 061 6, prijs € 26,50.[uit Oso 2012.1]

De Oranjetuin: slepen aan een dood paard

Nee, niet de Henck Arronstraat, dit is en blijft de Gravenstraat met rechts de Nieuwe Oranjetuin.

Het verhaal van Audry Wajwakana in de Ware Tijd van vandaag, “Stichting Oranjetuin wacht op grondbeschikking”, maakt weer eens pijnlijk duidelijk hoe machteloos goedwillende burgers staan bij hun pogingen ons nationale erfgoed te conserveren. In 1985 heeft Rotary Club Paramaribo bij haar 35-jarig bestaan de Oranjetuin geadopteerd en heeft zij de taak op zich genomen de begraafplaats te beheren en te onderhouden, waartoe in 1988 de Stichting Oranjetuin werd opgericht. Het bevreemdt mij dan ook de voorzitter van de stichting, Gerard Alberga, nu te horen zeggen geen beschikkingsrecht te hebben op de begraafplaats, want hoe is beheer mogelijk zonder beschikkingsrecht? Of is het wellicht zó dat in 1985 een toezegging is gedaan die nooit is verzilverd?

Gezicht op het Oranjekerkhof van Paramaribo, buiten de stad. (Litho uit: 
P.J. Benoit, Voyage à Surinam, 1839)

In Country Report Suriname, The Atlantic World and the Dutch, 2006, publiceerden Jack Menke & Jerome Egger een casestudy “Oranjetuin”, waaruit blijkt dat Rotary ook een plan had ontwikkeld om wandelpaden aan te leggen op de begraafplaats en een er genealogisch onderzoekcentrum te ontwikkelen, plannen die veel steun kregen vanuit de gemeenschap. De eerste stap bestond uit een inventarisatie van alle daar begraven personen. Netwerken van de leden van het stichtingsbestuur hebben waardevolle gegevens uit in het verleden gedaan onderzoek boven water gebracht. Een goed aanknopingspunt werd bovendien verkregen met de publicatie van Grafzerk en Suikerwerk*), namen op oude grafstenen in Suriname en Brits Guyana, door de Stichting voor Surinaamse Genealogie in 2006.

In dit boek zijn te vinden:
      * de namen en andere gegevens op de grafzerken in de begraafplaats Nieuwe Oranjetuin in Paramaribo;
      * de namen en andere gegevens op de grafzerken in en rond de Hervormde Kerk in Paramaribo;
      * de namen en andere gegevens op grafzerken elders in Suriname en in Brits Guyana, op plantages en in Georgetown;
een en ander zoals opgeschreven door Frederik Oudschans Dentz in het begin van de vorige eeuw. Er zijn de namen in aan te treffen van de eerste generaties van oude Surinaamse families, zoals Halfhide, Wesenhagen en Stuger. Sommige van de door Oudschans Dentz beschreven grafstenen zijn inmiddels niet meer terug te vinden, omdat de begraafplaats is opgeruimd, of omdat de stenen op andere wijze zijn verdwenen, bijvoorbeeld omdat ze door omwonenden zijn gebruikt als stoeptegels.

Helaas heeft ook dit aanknopingspunt nergens toe geleid, althans níet voor de Oranjetuin. Mencke & Egger concluderen dan ook dat 18 jaar later (inmiddels zijn we 24 jaar later!) nog praktisch niets van deze plannen is uitgevoerd. Want zeggen ze, het geeft aan hoe moeilijk het is een dergelijk project te ontwikkelen wanneer het geld niet beschikbaar is en wanneer de specialisten om alle aspecten van het plan aan te pakken niet of niet makkelijk zijn te vinden. Bovendien klinkt het eenvoudig: samenwerking tussen de diverse specialismen, maar zoiets is slechts moeizaam te realiseren.

Graf van Cornelis Jongba 

Punwasi wilde Oranjetuin wegbulldozeren
De in 1926 gesloten Nieuwe Oranjetuin werd in 1951 weer opengesteld, echter voor slechts tien jaar. In die periode werden de medeoprichter van de Nationale Partij Suriname (NPS) Frederik Lim a Po en de oprichter van de Surinaamse Luchtvaart Maatschappij (SLM) Rudi Kappel er begraven. Minder bekend is dat er ook christelijke Hindoestanen in de Nieuwe Oranjetuin werden begraven. In de archieven van Centraal Bureau Burgerzaken (CBB) zijn 1.600 graven geteld, maar Alberga vond er slechts 900 terug. In 1985 trachtte een cultuurbarbaar, de toenmalige minister van Justitie Subhaas Punwasi, de begraafplaats weg te bulldozeren om er een paleis van Justitie neer te zetten. Maar door tegenstand vanuit de gemeenschap werden deze plannen godzijdank niet doorgevoerd.”

Onbegrijpelijk is voor mij de afsluitende frase van Alberga tegenover Audry Wajwakana: “Ik ben hoopvol gestemd dat deze president wel een open oor heeft om de investering voort te laten gaan.” Dit is geslijm. Nog nooit in die ruim 32 jaar heeft Bouterse zich ingezet tot behoud van ons erfgoed. Zijn minister Subhaas Punwasi wilde in 1985  nota bene de Oranjetuin – duidelijk met instemming van Bouterse – wegbulldozeren, en dan zou hij nu opeens een open oor hebben? Come on Alberga! Nee, het blijft voorlopig slepen aan een dood paard.

*) “Suikerwerk” is de oude benaming voor suikerplantage. Voor het begraven op de oudste begraafplaatsen van Suriname moest met ponden suiker worden betaald.

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname

door Carl Haarnack

Bijdragen tot de Kennis van de Kolonie Suriname. Tijdvak 1816 to 1822. Door Mr Adriaan François Lammens. Amsterdam: Vrije Universiteit,1982
Over de geschiedenis van Suriname is nog lang niet alles gezegd. Veel daarvan ligt nog verborgen in archieven, dagboeken, brieven en ongepubliceerde manuscripten. In het Surinaams Museum in Paramaribo worden in achttien banden de Memoires en onuitgegeven werken van Adriaan François Lammens bewaard. Mr Adriaan François Lammens (1767-1847) speelde een belangrijke rol in het koloniaal bestuur van Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Precies dertig jaar geleden (in 1982) werd een deel van het manuscript van Lammens door de Vrije Universiteit Amsterdam en het Koninklijk Institituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) gepubliceerd. Het werk van Lammens is een rijke bron van informatie over het leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw. Belangrijk hierbij is dat Lammens ook veel informatie geeft over het leven in de stad Paramaribo. Tot dan toe gingen de meeste verhandelingen meer over hetgeen zich op de plantages afspeelde.
Stadsplan Paramaribo ca. 1767 (Tirion)
 
Lammens was geen vluchtige bezoeker die, zoals veel van zijn voorgangers, een oppervlakkige beschrijving geeft van hetgeen hij om zich heen zag. Hij verbleef bijna twintig jaar (1816-1835) in Suriname en was er o.m. President van het Hof van Justitie en het Militaire Gerechtshof. Door tijdgenoten zoals Teenstra wordt Lammens omschreven als één der eerlijkste en verdienstelijkste ambtenaren van de kolonie. Hoewel hij natuurlijk deel uitmaakte van de elite die het systeem van de slavernij in stand hield was hij tegelijkertijd kritisch over de uitwassen er van. Hij veroordeelt de onbetamelijke en wrede wijze waarop sommige eigenaren hun slaven behandelen. Lammens wijst bijvoorbeeld op het doodschieten van een slavin door directeur Balfour van plantage Berlijn die daarvoor ‘aan het zwaard der gerechtigheid of aan de koord’ ontsnapte.
Plantage Berlijn
 
Het verval van de Kolonie komt door dat de gemaakte winsten naar Nederland worden doorgesluisd: “De Kolonie is als een melkkoe, welke men steeds melkt, en die men bijna niet te eten geeft.”  In zijn opvattingen over slaven onderscheidt hij zich niet van zijn tijdgenoten. De slaaf is traag en lui, zo stelt Lammens, maar zijn afkeer van werken heeft hij afgekeken van zijn meester. De negerslaaf “vormt het eenig werksaam deel der bevolking, in het belang van Nederland, zonder hen bestond de kolonie niet.”
In het eerste deel beschrijft Lammens de geografie van het land. Lammens heeft zelf ook deelgenomen aan tochten naar Nickerie, hij bevoer de Corantijn en de Marowijne. Interessant zijn ook de beschrijvingen van verschillende wandeltochten door en om Paramaribo. De weg naar de plantage Ma Retraite, met aan weerszijden Kombées of tuinen, is beplant met sinaasappelbomen, manjebomen, zuurzak en broodbomen. Van Ma Retraite loopt men naar de plantage Tourtonne waarvan men in een half uur weer in de Gravenstraat komt. Deze laan door een wild bos en is met hoge bomen beplant.
Nog interessanter wordt het als Lammens de bevolking van de kolonie onder de loep neemt. Zo beschrijft hij dat de blanke inwoners zich verre houden van de kleurlingen en met verachting op hen neerkijken. Zij stellen ‘den neger verre boven den mulat (kleurling, ch)’. De kleurling verenigt volgens de blanken de gebreken van blank en zwart. Dat is volgens Lammens niet alleen onstaatkundig maar ook dom (als de kleurlingen en de zwarte bevolking zouden samenspannen zouden de blanken geen schijn van kans hebben) en ongerijmt.
Blanke mannen wonen vrij samen met ‘vrouwen kleurlingen of negerinnen’. Vaak gebeurt dat onder het mom van ‘huishoudster’. In een land waar de middelen van bestaan beperkt zijn moet, zo stelt Lammens, ‘onderkruijping en afgunst’ een grote rol spelen. Dat Adriaan François Lammens zo’n fijngevoelig oog had voor de betrekkingen tussen blanken en kleurlingen is opmerkelijk. Ongetwijfeld heeft zijn huwelijk (na het overlijden van zijn eerste vrouw) met een kleurlinge daar een rol in gespeeld. Waarschijnlijk was zij een zuster van de bekendste 19e eeuwse Creoolse kunstenaar Gerrit Schouten.
Jeriman (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)
Op de de markten en ‘wooijwooijen’ (wojo, ch) worden groenten, vruchten, vis en vogels aangeboden. Maar er zijn ook vrouwen die langs de deuren hun waren uit venten. Het gaat hierbij om snuisterijen, droge provisie, gebak, zeeschilpad (calpé). De slavinnen zijn er zeer op gesteld om als uitvenster (Jeriman) te werken want dan kunnen ze langs de straten wandelen, elkaar bezoeken en praatjes maken.
De slaven zijn ‘vol bijgelovigheden’, zegt Lammens. Zij beschouwen het als een ongeluk wanneer bosganzen ’s nachts over het hoofd vliegen. Men mag als men op de rivier vaart niet naar de naam van de plantage vragen die men voorbij vaart. Daarvan krijgt men ‘kras water’. Ook hebben de slaven veelal een treef. Het is hun dan verboden bepaalde zaken te eten of aan te raken. Voor sommigen is de schildpad treeft, voor anderen, vlees van een hert of de pingo.
Stadsslaaf (uit: Benoit, Voyage a Surinam, 1839)
Het zichtbare onderscheid tussen slaven en vrijen is dat slaven geen schoeisel mogen dragen. Veel slaven gaan naakt door het leven en bedekken alleen de schaamdelen met een kamies. Soms draagt ‘de neger’ een groflinnen genaamd ‘makka’ bestaande uit een kort rokje en een lange linnen broek. Maar meestal loopt hij zonder broek. Soms geeft men hem een ‘duffelsche rok zonder panden’ (regenrok).
De vrouwen dragen meestal zeer ruime lange rokken ‘welke zij boven de borst vastmaken, dat de gestalte misvormt en lelijk staat.’  Soms in combinatie met een los jak dat van voren open is. De borsten worden soms in een doek gevangen die achter op de rug is vastgeknoopt. Ook slaan ze wel eens een aantal doeken (paantjes) boven de heupen om het lijf. Om het hoofd hebben zij een doek gewonden. In plaats van braceletten dragen zij snoeren kralen om de armen. Aan de benen dragen zij die ook, net boven de enkel. Onder de knie draagt men een knieband.
In deze publicatie uit 1982 is slechts geput uit deel XIII, aangevuld met enkele passages uit de delen XII en XIV, van het werk van Lammens. Dat de overige delen ook waardevolle informatie bevatten over het politieke- en sociaal-culturele leven in Suriname aan het begin van de 19e eeuw laat zich raden. Nu,  bijna tweehonderd jaar na de aankomst van Adriaan François Lammens in Suriname, wordt het tijd om ook uit de overige delen te publiceren.
Verder lezen:
  • Adriaan François Lammens. Bedenkingen bij het lezen van het artikel: Koloniën, voorkomende in het 7de deel der bijdragen tot de huishouding van staat van G.K. Grave van Hogendorp. Amsterdam, G.S. Leeneman van der Kroe, 1824.
  • Dr. J. Voorhoeve, De Handschriften van Mr Andriaan François Lammens. Mededeling Surinaams Museum, no. 3. Overdruk uit Nieuwe West-Indische Gids, jrg. 40, 1960. ‘s-Gravenhage: Martinus Nijhoff.
  • Jan Voorhoeve en Ursy M. Lichtveld, Suriname: Spiegel der vaderlandse kooplieden. Uitgeverij Martinus Nijhoff, Den Haag 1980 (2de herziene druk).
  • Marten Douwes Teenstra, De negerslaven in de kolonie Suriname. H. Lagerweij, Dordrecht 1842
Zie ook verder: www.buku.nl

Het pijnlijke Nederlandse slavernijdebat, nu en toen

Lezing door Bert Paasman in het KIT

De activiteiten van nakomelingen van Surinaamse en Antilliaanse slaven hebben de discussie over de Nederlandse rol in slavenhandel en slavernij volop in de publieke belangstelling geplaatst. In 2013 is het 150 jaar geleden dat de slavernij in de West-Indische koloniën werd afgeschaft. Heeft Nederland een slecht geweten en een ereschuld? Waarom is het huidige debat zo uitzichtloos en hoe kan daar verandering in komen?

Bert Paasman stelt, na een inleiding over het Nederlands aandeel in slavernij en slavenhandel, dit slavernijdiscours in heden en verleden aan de orde, probeert misverstanden recht te zetten, taboes aan te snijden en gaat de discussie aan met het publiek.

Illustratie uit: Voyage à Surinam van P.J. Benoit, 1839.

Programma
16.30 uur Inloop met koffie & thee
17.00 uur Lezing door Bert Paasman
18.15 uur Einde en afsluiting met een drankje

Prof. dr. Bert Paasman is emeritus hoogleraar Koloniale en Postkoloniale Cultuur- en Literatuurgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam. Hij publiceerde over de Verlichting, de Oost- en West-Indische letteren, over Nederlandstalige literatuur van Zuid-Afrika en over moderne migranten-literatuur. Zijn dissertatie was gewijd aan het Nederlandse slavernijdebat.

Datum en tijd: donderdag 15 maart 2012, aanvang lezing 17.00 uur
Locatie: Leeszaal KIT Bibliotheek, Mauritskade 63, Amsterdam
Toegang: € 7,50 (KIT-leden en studenten € 5,-)
Reserveren is noodzakelijk: Tel. (020) 568 8462 of via: library@kit.nl

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter