blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Baarn Wilgo

Ceremonie voor Oom Wilgo Baarn

Een fotoreportage van Rathana van Klaveren van de ceremonie bij het afscheid van NAKS-icoon Wilgo Baarn, georganiseerd door NAKS Nederland, in Amsterdam Zuidoost, op dinsdag 18 juli 2017. read on…

Wilgo, Surinamer

door Sharda Ganga

Mijn hart is bezwaard, mijn gemoed vol. Wilgo Baarn is niet meer bij ons. Ik heb er geen woorden voor, dacht ik. Geen woorden? Als Wilgo me dat had horen zeggen, zou hij in een bulderlach zijn uitgebarsten. En kijk, hij zou gelijk hebben. read on…

Groot Afro-cultuurdrager Wilgo Baarn heengegaan

door Tascha Samuel

 

PARAMARIBO – Regisseur, acteur, komiek, schrijver, zanger, danser en drummer, cultuurkenner en uitdrager van de Afro-Surinaamse cultuur Wilgo Baarn is heengegaan. “Nu moet ik gaan doen wat hij me heeft geleerd. The show must go on”, snikt Clifton Braam vrijdagochtend aan de telefoon. read on…

Eer aan cultuurguru Wilgo Baarn

door Audry Wajwakana

 

Paramaribo – “Waanzinnig! Ik ben trots op Naks en iedereen die hieraan heeft meegewerkt.” Woorden van dankbaarheid schieten Wilgo Baarn te kort. Verschillende cultuurdragers hebben met de multi-getalenteerde grondlegger van Naks zijn zeventigste jaardag vrijdag op een waardige en respectvolle manier gevierd. read on…

Doro, oftewel De prijs van Vrijheid

Op zaterdagavond 31 mei 2014 presenteert ocw: de exclusieve, eenmalige videoprojectie van de Surinaamse opera fatu Doro, oftewel De prijs van Vrijheid met een informatief randprogramma.
Het Doro-decor in theater Thalia, Paramaribo. Foto @ Arnold Schalks.
Over Doro
Ruim twee jaar geleden, op 27 april 2012, vierde het oudste Surinaamse toneelgezelschap Thalia haar 175e verjaardag. De Surinaamse theatermaakster Alida Neslo werd gevraagd voor deze gelegenheid een passend stuk te schrijven en te regisseren. Het resultaat is Doro, een op het operagenre geïnspireerd theaterstuk met een eigen Surinaams karakter. Arnold Schalks was bij die productie betrokken als decorbouwer en lichtontwerper. Apintie TV maakte een televisieregistratie van de voorstelling van vrijdag 4 mei 2012, die pas in maart 2013 op de Surinaamse buis te zien was. Doro is nu ook eenmalig in Rotterdam te zien.
De prijs van de vrijheid
Verhaal
In Dorowordt het verhaal verteld van een net vrijgekomen jeugdige delinquent, een ‘first offender’, die het maar moeilijk vindt om zijn weg terug in de schoot van de gemeenschap te vinden. Hij wordt bevangen door schaamte, twijfel en een (ver)laag(d) zelfbewustzijn. De gezinssituatie waar hij uit afkomstig is, is niet rooskleurig: moeder alleenstaand, vader – die hem niet wil ‘kennen’ – een notoire dronkaard en veelvuldig opgepakt individu, dat alleen maar oog heeft voor zijn eigen belang. De vrienden van de jongen proberen hem uit zijn deprimerende situatie te halen, evenals een aalmoezenier (vertegenwoordiger van de kerk), zijn moeder (die hem niet meer herkent) en een vriendin (stagiaire), die hij via internet gevonden heeft. De zoon is echter door geen van hen echt te overtuigen, hij vindt het gewoon ‘niet makkelijk om ‘vrij te zijn’.
Doro bestaat uit 14 ‘bewegingen’, geïnspireerd door de veertien staties van de kruisweg van Jezus Christus. Het is een eigentijdse, meertalige opera die is gebaseerd op situaties die in Suriname veelvuldig voorkomen. Het thema van de opera fatu is: vrijheid, een onderwerp waarmee Alida indringend geconfronteerd werd na haar (resocialisatie-)werk met jeugdige delinquenten in de penitentiaire inrichting Santo Boma. Het door haar geschreven libretto is voor een groot deel gebaseerd op ware gebeurtenissen en bestaat mede uit teksten van die jeugdige delinquenten. Voor de muziek werden enkele beginnende en bekende componisten gevraagd. De spelers/zangers komen uit Nederland, Suriname en Duitsland. Er zijn invloeden uit alle Surinaamse culturen: inheems (sambura), hindoe (ritmes en taal), creools (loge/vrijmetselaars), winti, christendom (taal), javaans (kostuums, beweging, taal), chinees (invloeden uit de chinese opera, klassiek en modern), westers, oosters, zuiders, dus, net zoals de Caraïbische gemeenschap, die door Alida wordt beschouwd als de ‘pilot gemeenschap‘ van de wereld.
Clinton Kaersenhout
Met: Wilgo Baarn: doroman/deurman / Sandra Goedhoop: de moeder / Guy Sonnen: de vader / Clinton Kaersenhout: de zoon/ogriboi / Cora Schmeiser: stagiaire / Darell Geldorp & Harvey Klas: mati / José Parami: aalmoezenier / Tolin Alexander: schaduw / koor/de buren: Mavis Noordwijk (koorleiding), Denise Telting, Simone Bardan, José Parami, Varna Peters, Chiquita Vyent
Regie, libretto & beweging: Alida Neslo
Composities: Marcha Reumel, Liesbeth Perotie, Gregory Kranenburg, Pablo Nahar, Cora Schmeiser
 Aanvang van het programma 20:30 uur. Inloop met koffie/thee vanaf 20:00 uur. Om 20:30 uur wordt de voordeur van het pand gesloten en is toegang niet meer mogelijk, gelieve daarmee rekening te houden. Duur van het programma: circa 2,5 uur. Met het oog op het beperkte aantal zitplaatsen (33) dien je vooraf een plek reserveren via arnosch@wxs.nl_reserveringen worden door middel van een e-mailbericht bevestigd. De toegang is gratis.
ocw / podium voor kleinschaligheden / osseweistraat 35 / lokaal 11 / 3023 db rotterdam
Klik hier voor uitgebreide informatie

Tori’s tussen teloorgang en opleving

The end: Verhaaltraditie tussen teloorgang en opleving

 
Vertelavonden, wedstrijden, workshops: men zou kunnen denken dat tori’s nog op ieders lippen liggen. Maar afgezien van georganiseerde events die de vertelkunst levend houden: wie vertelt eigenlijk nog verhalen? Heeft de traditie een toekomst? Een speurtocht naar plaatsen en mensen die het kunnen weten.
Guillaume Pool. Foto © Parbode
Donderdag, 14 februari. Valentijnsdag. In Tori Oso, letterlijk ‘het verhalenhuis’, wordt het langzaam druk. Vooral dames van wie het haar al grijst, zoeken naar een vrije plaats. Soms onder begeleiding van jongere vrouwen. Hun dochters? Men kent elkaar, begroet elkaar met een luid ‘Hallo’ of bosi’s. Koppels zie je nauwelijks, terwijl vanavond toch echt de kracht van de liefde centraal staat. Zodra de voorstelling begint, luisteren de gasten gespannen wat ‘Hilli en Gilli’, een alias voor Hilli Arduin en Guilliaume Pool, te vertellen hebben: over een jongeman die verliefd wordt op de ‘Watramama’, bijvoorbeeld. Maar vooral wordt gelachen: hard en vanuit het hart. En gezongen. Als Pool twee traditionele liederen in het Sranan aanheft, zingen de bejaarde dames krachtig mee. De jongeren kijken verwonderd rond. “Ik vind het jammer, dat deze mooie volkszang verdwijnt. Ervoor in de plaats komt enkel ‘tsch… tsch…tsch…’”, schertst Pool, en imiteert een HipHop-performance. Een grap, maar wel een met een kern van waarheid. Hoe staat het eigenlijk met de orale traditie, en vooral met de verhaaltraditie?
Hilli Arduin. Foto © RNW
Verhalen verdwijnen
“Mijn ervaring is dat het vertellen van verhalen verdwijnt. Dat is jammer”, vindt Hilli Arduin. De vertelkunstenares, met als woonplaatsen Amsterdam en Paramaribo, geeft naast voorstellingen ook workshops waar mensen kunnen leren een boeiend verhaal te vertellen. Bovendien gebruikt Arduin als psycholoog en orthopedagoog haar verhalen bij het werken met kinderen en jongeren. Wat van de orale traditie blijft bestaan, is volgens haar een bijzondere manier van communicatie: “Terwijl ze in Europa informatie zakelijk doorgeven, brengt men in Caribische landen en in Suriname de boodschap vertellend door.” Volgens haar collega Guillaume Pool leeft de traditie alleen nog in het binnenland. “De verhalen zijn er noodzakelijk om kennis over te brengen aan volgende generaties.” De beroepsverteller weet dat sommige Inheemsen het vertellen nog gebruiken in hun opvoedingssysteem. “Er zijn stammen waarin kinderen niet bestraft worden bij gedragsproblemen. In plaats daarvan probeert men met verhalen het gedrag te corrigeren.” Dat geldt volgens hem echter niet voor Paramaribo. “Helaas! In de stad zijn er hier en daar nog oudere mensen of leerkrachten die verhalen vertellen. Soms ook ouders, die er nog tijd voor hebben. Maar de massa doet het niet meer.” Zowel Arduin als Pool kan zich nog goed de tijd herinneren dat het vertellen van tori’s in hun gezinnen een belangrijk ritueel was: “Mijn moeder en oma vertelden altijd verhalen. Altijd!”, benadrukt Arduin. Zij hebben haar de liefde voor verhalen met de paplepel ingegoten. Pools grootmoeder maakte van een verhaal een klein feestje: “Wij moesten daarbij zingen en spelletjes spelen.”
Schalen met lekkernijen staan klaar voor een Dede Oso (Avond voor de begrafenis) in het Surinaamse binnenland. Foto © Marco Bleeker
Rouwplechtigheden
Een grote rol speelde het vertellen ook bij de rouwbijeenkomsten, herinnert de verteller zich: “Acht dagen naar een begrafenis vond een sessie plaats, de aitidei, waarbij de hele nacht tot de ochtend door verhalen werden verteld. Vaak sliep ik als kind erbij in en wanneer ik weer wakker werd, waren ze nog steeds bezig met vertellen.” Het ritueel begon altijd met een vaststaande formulering, waarop een raadsel volgde. Daarna begon het eigenlijke verhaal, waarbij het publiek mocht interrumperen, op de manier van ‘ik was er ook’. “Daardoor ontstond een fantastische dialoog”, vertelt Pool in vuur en vlam. “Er waren professionele vertellers, die niets anders deden dan dat. Voor hun voordrachten kregen ze te drinken en te eten, en zo liepen ze van de ene naar de andere rouwceremonie.” Wilgo Baarn en Humbert Oosterwolde, beiden verbonden aan de Afro- Surinaamse vereniging Naks, weten dat er bij rouwfeesten in de stad nog wel eens verhalen worden verteld. Zowel op de singi neti als op de aitidei daarna.
Tegenwoordig kiezen families echter voor een kortere ceremonie op de vooravond. Vroeger begon de avond om acht uur, en ging door tot vijf uur in de ochtend. Tegenwoordig is het vaak al om twaalf uur voorbij. “Dat heeft te maken met fysieke omstandigheden: want op de dag van de begrafenis moet er nog zo veel worden gedaan en daarvoor willen de gezinsleden graag uitgerust zijn.” Juist na twaalf uur begint men traditioneel te vertellen, dus wordt het steeds vaker weggelaten. “Maar vooral in de districten staan de ouderen er nog op, dat de ceremonie tot vijf uur doorgaat”, aldus Oosterwolde. De aitidei moet de mensen afleiden en een gezellige sfeer brengen. “Dat is eerder een lekker feestje, en vertellen mag dan ook voor twaalf uur”, legt Oosterwolde uit. Hij is zelf trouwens een van de weinige jonge vaders die nog traditionele verhalen aan zijn kinderen vertelt. Inspiratie daarvoor krijgt hij van zijn schoonvader: “Hij kent heel wat verhalen, die hij me vaak vertelt als wij op de kostgrond bezig zijn. Zijn eigen kinderen hebben er geen belangstelling voor, maar ik wel.” Van deze verhalen maakt hij aantekeningen, om ze later thuis aan zijn kinderen op zijn eigen manier te vertellen. Meestal zijn het Anansitori’s. Op de vraag of vertellingen ook in de toekomst nog een rol spelen in het stadsleven, reageert Baarn sceptisch: “Ik ben bang van niet. Alleen de rouwrituelen blijven voorlopig nog, en zelfs daarbij wordt het niet meer zo veel gedaan. Echte vertellers zijn er eigenlijk niet meer.” In de Marrondorpen valt het nog erg mee, volgens Ifna Vrede van de Stichting Fonds Ontwikkeling Binnenland. Behalve bij de rouwplechtigheden, worden ook bij andere ceremoniële activiteiten zoals geboortes, huwelijken, en het volwassen verklaren van jongeren nog verhalen verteld, met zang of iets anders als intermezzo. “Maar ook tijdens de vrije uurtjes, onder een boom of bij de veranda van de hut is er altijd een grootoom of -tante die aan overdracht doet, die zijn of haar wijsheid met je deelt”, weet Vrede.
Michiel van Kempen. Foto © Sanne Landvreugd
Pyjai-verhalen
Als je over de verhaaltraditie in Suriname wilt praten, praat je echter niet alleen over de traditie van de stadscreolen en Marrons. Zo rijk het land aan culturen is, zo rijk is het ook aan vertellingen. Michiel van Kempen heeft in 2003 de verschillende genres in zijn standaardwerk Een geschiedenis van de Surinaamse Literatuur verzameld: zo kennen de Inheemsen bijvoorbeeld verhalen over het dagelijkse leven, over zeden, geschiedenis en de magische pyjai-verhalen. In de orale cultuur van Marrons en Creolen vind je de beroemde vertellingen over de spin Anansi of fostentori, ‘vroegeretijdverhalen’ met een bijzondere sacrale kracht. De hindoes verbinden hun epen Ramayana en Mahabharata met vertelkunst en de Javaanse verhalen over het konijn Kantjil zijn vergelijkbaar met de Anansitori’s. Verhalen uit de hele wereld dus, die in Suriname samenkwamen, lange tijd naast elkaar bestonden – en zich soms ook vermengden.
Nardo Aluman
“Mijn vader was bijvoorbeeld niet specifiek een Karaïbse, maar een Surinaamse verteller: hij vertelde Anansitori’s”, herinnert Nardo Aloema zich. De schrijver uit Christiaankondre in Galibi was werkzaam bij de afdeling Cultuurstudies van het ministerie van Onderwijs en was voorzitter van de Organisatie van Inheemsen in Suriname (OIS). Het is interessant, wat Michiel van Kempen in de jaren negentig over het dorp Galibi ontdekte. De Karaïbse cultuur kwam volgens hem tijdens het militaire regime en de Binnenlandse Oorlog onder druk te staan. De sociaaleconomische crisis zorgde ervoor dat vele jonge mensen de dorpen verlieten, zodat die uiteindelijk vergrijsden. Met het overlijden van de oudere inwoners verdween dus ook de culturele kennis. Alleen Galibi, grotendeels onaangetast gebleven door de oorlog, kon zijn oorspronkelijke cultuur bewaren. En dat is volgens Aloema ten dele nog steeds zo: “Iedereen beheerst nog de Karaïbse taal, zelfs de kinderen leren die nog vanaf hun geboorte. Er bestaat zelfs een eigen radiozender in het Karaïbs.” Hij schat dat er nog zo ongeveer twintig vertellers bestaan, met een leeftijd van vijftig jaar en ouder. Echte, ouderwetse Karaïbse vertellers zijn er echter heel weinig. “Want daarvoor moet je pyjai zijn.”
Een pyjai (sjamaan). Foto © Ingrid Moesan
Om pyjai, een geestelijke leider of sjamaan, te worden, is een jarenlange opleiding nodig. Tijdens deze training leer je bijvoorbeeld met de geestenwereld te communiceren, maar ook de oude Karaïbse verhalen en liederen. Op initiatief van jongere dorpsbewoners werden er in de jaren tachtig culturele organisaties opgezet, die zich onder andere met het vastleggen van orale vertellingen bezighielden om ze voor verdwijnen te behoeden. Sinds 1983 bestaat onder andere Stichting Oemari, waaruit de toneelgroep Epakadono ontstond, met Aloema als mede-oprichter. “In deze tijd begon zoiets als een bewustwordingsproces in heel Suriname: bij de inheemsen ontstonden bijvoorbeeld organisaties voor Karaïbse en Arowakse zang en dans”, bevestigt hij. Ondanks die initiatieven lijkt er ook in Galibi niet meer vaak meer verteld te worden. “Verhalen levend houden is moeilijker dan liederen en dansen, omdat ze vroeger niet opgeschreven werden.” Tegenwoordig wordt volgens Aloema, behalve bij feesten, bijna niet meer verteld. Soms nog in gezinsverband, maar daar schijnt het eveneens te verdwijnen. En ook als opvoedingselement raakt het in onbruik. Volgens Aloema kennen de jongeren de oude Karaïbse verhalen uit Galibi niet meer. Om dit te veranderen, is werkt hij aan een boek over deze vertellingen. Ze zullen tweetalig, in het Karaïbs en in het Nederlands, verschijnen. “Het zijn zulke mooie verhalen. Het is jammer dat ze niet meer verspreid worden, niet in Galibi en niet in Suriname.”
Veranderde maatschappij
De redenen voor de teloorgang van de verhaaltraditie in Suriname liggen volgens de deskundigen in de veranderde maatschappij. Er blijft gewoon geen tijd meer over voor verhalen: “De vader werkt, de moeder werkt, oma’s werken, opa’s werken. Vroeger was het al om zes uur avond, om acht uur ging men al slapen. Vandaag werkt men dan nog – en daarna kijkt men tv en luistert men naar de radio in plaats van naar verhalen”, beargumenteert Arduin. Ifna Vrede bevestigt deze visie: “Dat de verhaaltraditie in de kuststreken aan het verdwijnen is, komt volgens mij door de nieuwe technologische ontwikkelingen, dus radio, tv, dvd’s en zo verder. Men stopt tijd in studie, sociale media, disco, muziek en andere moderne bezigheden. Hierdoor heeft men weinig ruimte om naar elkaars verhalen te luisteren, vooral op een traditionele manier.”
JawJaw: een merkteken op een herbouwde woning geeft
aan hoe hoog het water kwam
Michiel van Kempen brengt de oorzaken terug tot de formule ‘kerstening, urbanisatie, verwestersing en technologisering’. Bovendien benoemt hij een specifiek Surinaamse reden: de transmigratie die volgde op de aanleg van het stuwmeer. Daardoor werden veel mensen naar de stad gedreven, waardoor zij zich vervreemdden van het traditionele leven. ‘Maar ook voor degenen die aan de rivieren bleven wonen, heeft de transmigratie een grote mentaliteitsverandering teweeggebracht. Weinig jongeren vonden wat zij verwacht hadden, met als gevolg afbrokkeling van het gezag van de ouderen, onverschilligheid en criminaliteit’, constateert Van Kempen in zijn boek. Het vertellen van verhalen raakte daardoor op de achtergrond.
Jacobkondre, Saramacca
Uitdrukkingsmiddel 
Als de verhaaltraditie in Suriname uitsterft, verdwijnen niet alleen de verhalen, maar ook een heleboel functies ervan. Pool geeft net als Arduin workshops voor toekomstige verhalenvertellers. Hij laat de handout voor de colleges zien, waarin hij ook belangrijke kwaliteiten van verhalen heeft opgesomd. “Door verhalen geef je zoveel normen en waarden mee. Het is niet alleen zonde, het is bijna een misdaad dat deze traditie verdwijnt.” Daarnaast dienen ze ter amusement, voor het doorgeven van informatie, maar ook voor het bewaren van cultureel erfgoed. Volgens Pool zouden verhalen goed tot hun recht komen in het onderwijs: “Daarin moet het ten eerste worden opgenomen.” Zo bevordert het de taalontwikkeling en het concentratievermogen. Bovendien kunnen gedragscorrecties via verhalen bereikt worden, omdat een kind tijdens een vertelling openstaat voor een leerproces, aldus Pool. Daarnaast kunnen verhalen ook een middel zijn om zorgen en spanningen te verwerken en om zich uit te drukken. Dat ervoer Pool toen hij uitgenodigd was om in jeugddetentiecentrum Opa Doeli te komen vertellen. “De meisjes waren in het begin bange vogeltjes, maar ook de jongens waren timide. En aan het einde dansten ze! Dat was een openbaring!” Hij zou graag zien dat het verhalen vertellen een vaste ritueel wordt bij Opa Doeli: “Daarmee kan je de jongeren enthousiast maken om zelf het verhaal achter hun ‘misdaad’ te maken. Want een kind wordt niet zomaar crimineel.”
Wilmart
Wilmart Jacobus is zeventien jaar oud en zit op de Mulo in Paramaribo. Hij is bescheiden en toch een kleine ster op zijn school. Want: hij is een verteller. Een goede verteller! Het mag zo zijn dat de verhaaltraditie aan het verdwijnen is en dat mensen klagen dat de jongeren er geen belangstelling meer voor hebben: Wilmart bewijst het tegendeel. Zijn verhalen verzint hij zelf, of hij vertelt verhalen die hij van vroeger kent, maar zijn publiek niet. Vroeger, daarmee bedoelt hij zijn kinderjaren in Jaw Jaw: “’s Avonds zaten wij regelmatig samen en vertelden verhalen. Dat gebeurde spontaan, meestal in de weekenden.” Vooral de verhalen van zijn opa, maar ook van de radio in het binnenland zijn inspiratie voor hem. Wanneer hij samen is met zijn vrienden vragen ze hem altijd om iets te vertellen. “Tijdens vrije lesuren moet ik voor de klas gaan staan en mijn verhalen voordragen.” Dat gebeurt dan in het Nederlands. Het zijn vertellingen over Anansi, maar ook over Wilmarts vrienden en hemzelf. Al toen hij acht jaar was begon hij tori’s te verzinnen en aan zijn vrienden te vertellen. “Wanneer ik thuis ben en rustig zit, dan komt er vaak een idee voor een nieuw verhaal. En als ik aan het vertellen ben, heb ik steeds nieuwe invallen over hoe het verder moet gaan. Dat kan dan een heel lang verhaal worden”, beschrijft hij enthousiast. Op de vraag of hij nu spontaan iets wil vertellen, kijkt hij een momentje geconcentreerd naar beneden, dan uit het raam. Hij glimlacht en begint een verhaal over een tocht door het bos met zijn vrienden, waarbij ze een dier schieten en ontdekken dat het een gouden tand heeft. Wilmart wil later niet per se terug naar het binnenland: “Ik vind Paramaribo leuker.” En van de oude tradities, zoals de rouwceremoniën, houdt hij ook niet. “Nee, nee, dat is niets voor ons jongeren.” Maar verhalen op zich vindt hij belangrijk: “De mensen willen soms lachen, plezier hebben, dat kunnen verhalen bereiken.” Volgens hem zijn ook jonge mensen enthousiast over verhalen – hijzelf en zijn publiek zijn het beste bewijs. Ook in toekomst wil hij verhalen vertellen, misschien ook iets schrijven. “Ik wil het tenminste proberen.”
Einde
Mensen houden van verhalen – maar vertellen, dat doen de meesten, vooral de jongeren niet meer. Ja, er zijn uitzonderingen zoals Wilmart. Ja, er zijn regelmatig bijeenkomsten en er worden boeken gepubliceerd waarin de oude verhalen vastgelegd zijn. En ja, er wordt door vertellers als Arduin en Pool veel gedaan om verhalen in de opvoeding te integreren. Of daardoor het vertellen een heropleving tegemoet kan zien, dat weet niemand. Je kunt maatschappelijke veranderingen niet tegenhouden. Je moet met de tijd meegaan. Dat weet ook Wilgo Baarn van Naks: “Als je je tradities kent, kan je alles ermee doen. Wie weet, misschien komt ook de rapmuziek van onze oude verhalen, daar steekt toch ook altijd een vertelling in?” Hij knippert met zijn ogen, lacht – en begint te rappen.
[uit Parbode, 1 mei 2013]

Ju Ku Jume Maro: Drie decennia’s de inheemse cultuur overbrengen

door Charles Chang

Paramaribo – Een winkel aan inheemse craft had hij in zijn tas. Aan eenieder die hij naar voren riep en het verdiende, gaf Gerard Roberts uit dankbaarheid één van de producten uit die tas. Tijdens zijn speech over het samenbrengen van inheemse volkeren uit het noorden en die van het zuiden, werden de emoties hem soms teveel.

De Canadees en andere spirituele inheemsen uit Amerika en Trinidad waren de eregasten van Thelma Christiaan(71) in verband met Inheemsendag, maar meer nog voor het dertigjarige bestaan van de sociaal culturele vereniging Ju Ku Jume Maro van tante Thelma, zoals de inheemse vrouw in de samenleving bekendstaat.

De 71-jarige Thelma Christiaan tijdens de dag der Inheemsen vorige week
is een een bron van kennis
over de Inheemse cultuur. (Foto: Stefano Tull)

Bron van kennis
Op 9 oktober 1982 werd de vereniging opgericht door Dorus Banga, tante Thelma en haar echtgenoot Gustaaf Christiaan om het leren van inheemse liederen en samburamuziek aan anderen te stimuleren. Ju Ku Jume Maro betekent ‘we gaan met de mieren mee’. “De vereniging heeft ups and downs gekend, maar uit het laatste is juist meer kracht geput om door te gaan,” zegt Anouschka. Zij en zus Audrey zullen het moeten doen, gezien de leeftijd van hun moeder. Maar nog steeds ontvangt tante Thelma studenten en zij die meer willen weten over de inheemse cultuur. “Ze is een lopende bron van kennis,” zegt Hillary de Bruin van Cultuurstudies. “Er zijn ook wel andere verenigingen, maar zij weet alles over zang, dans, kruiden, sieraden, kleding en het spirituele. Daarom werd zij altijd gevraagd door Directoraat Cultuur om te participeren in binnen- en buitenland, vanwege haar grote kennis.”

Inheemsendag op Nieuw-Amsterdam. Foto: Elly Kasanradji

Grote bewondering
Van wie tante Thelma al de kennis heeft, wordt pas duidelijk wanneer de weduwe het zelf vertelt. “Niet van mijn moeder, want die was heel vroeg overleden. If yu pina, dan kijk je hoe anderen het doen. Zo heb ik alles geleerd.” De cultuurkenner geeft aan dat ze wel een huis heeft, maar nog steeds arm is. Ze vraagt zich af hoe iemand die zoveel betekent voor het land een leven lang in deze situatie verkeert. “Ik heb geen man meer, alles moet ik zelf doen, en mijn dochters wonen nog bij mij.” Bekende personen die grote bewonderingen hadden voor tante Thelma waren de cultuurguru’s Wilgo Baarn, James Ramlall en Henk Tjon. De laatste verwerkte de cultuur en liederen van Thelma in zijn theaterstukken. “Voordat Directoraat Cultuur werd opgericht, werkten we al samen met tante Thelma, bevestigt Wilgo Baarn. De artistiek leider van Volkshogeschool NAKS geeft collega en ex-directeur Cultuur, James Ramlall, alle credit voor het huis van Thelma. “Hij heeft hemel en aarde bewogen en zelfs zijn salaris ingezet om te zorgen dat deze vrouw een huis kreeg! Maar tante Telma is het waard, zij is iemand die puur is gebleven.” De feestelijke avond werd na de speeches en gesponsorde foerage voortgezet met gezamenlijke optredens. De buitenlandse gasten, die op Inheemsendag te bewonderen waren in de Palmentuin, vertrokken pas de volgende ochtend.

[uit de Ware Tijd, 13/08/2012]

Thalia 175 jaar: Opera Fatu Doro, ‘De prijs van Vrijheid’

door Els Moor

Thalia, midden 19de eeuw
Op 27 april 1837 werd het Toneelgezelschap Thalia opgericht. De eerste voorzitter was N.G. Vlier. Er waren vier bestuursleden, belangrijke heren in de koloniale maatschappij van toen. Doel was dan ook: ‘de uitbreiding van beschaving en verlichting’. Thalia is genoemd naar de Griekse godin Thaleia, de Muze van het blijspel. In 1840 was het theatergebouw gereed, een houten gebouw. Er konden 700 mensen in de zaal. Tussen toen en nu zijn er vaak verbouwingen geweest. Het gebouw was soms zo verwaarloosd dat men overwoog het af te breken. Maar Thalia bestaat nog, is een aan de eisen van deze tijd aangepast toneelgebouw en vierde de afgelopen week haar jubileum met Opera Fatu Doro De prijs van Vrijheid.
In de 19de eeuw werden er soms echt Italiaanse opera’s opgevoerd in Thalia. Toen was het repertoire Nederlands en Europees en het publiek wit of lichtgekleurd. Geen kinderen, geen slaven.
In de 20ste eeuw ging dat allemaal veranderen en na 1950 dekoloniseerde ook Thalia. Het publiek werd steeds breder en het repertoire Surinaamser. Een bijzondere opvoering was, al in 1956, Watra Mama, een bewerking in het Surinaams-Nederlands door Albert Helman van een Engelstalig stuk. Vanaf 1972 trad het Doe Theater van Thea Doelwijt en Henk Tjon regelmatig op. Thalia heeft een geschiedenis van vallen en opstaan, maar is rechtovereind gebleven en biedt nu voor ‘elck wat wils’. Het jubileumstuk De prijs van Vrijheid – libretto en regie: Alida Neslo – mag best een topper genoemd worden, een eigentijdse volksopera, wel geïnspireerd door de echt Italiaanse opera, maar tegelijkertijd wordt daarmee de spot gedreven.
Op het toneel staan ‘fatu banyi’, zoals de van restmateriaal in elkaar getimmerde banken, die men in volkswijken aantreft en waar de bewoners elkaar de laatste roddels en andere zaken uit de buurt vertellen. Vanaf twee zulke fatu banyi wordt de Opera Fatu Doro verteld en gezongen.Dat is een prachtige vondst: iets elitairs wordt volks gemaakt.
 De thematiek is gericht op de jonge mens. ‘Maar het is niet makkelijk om vrij te zijn’, zegt de hoofdfiguur Ogriboi vaak, nadat hij na opsluiting in de gevangenis de vrijheid gekregen heeft. Oudere en jonge mensen spelen in het stuk. Wilgo Baarn en Mavis Noordwijk, kopstukken op het gebied van cultuur, volkstoneel en film (Wilgo Baarn) en muziek (Mavis Noordwijk) en de superactieve Nederlandse acteur Guy Sonnen spelen samen met acteurs en musici van verschillende leeftijden. Jongeren vormen de meerderheid. Het vakmanschap van Clinton Kaersenhout die de rol van Ogriboi vertolkt is groot, maar ook alle anderen vervullen hun rol bewonderenswaardig en met veel enthousiasme. Het geheel is een moksi patu van toneel, muziek, beweging en beeldende kunst, met veel herkenbare symboliek.
De ‘Opera Fatu Doro’ bestaat uit veertien ‘Bewegingen’, gebaseerd op de veertien staties van de kruisweg. Een rake symboliek! Ogriboi ziet het leven in vrijheid immers alsof hij iets zwaars moet torsen. Bij elke ‘Beweging’ hoort een psalm die als inspiratiebron dient van de uiteindelijke tekst. Die is voor een groot deel gebaseerd op waar gebeurde feiten. Jongeren, pupillen van Santo Boma, die deelnamen aan het een jaar durende Resocialisatieproject, schreven teksten over hun problemen en daar komt veel tekst uit deze voorstelling vandaan. Ook vinden we in de teksten invloeden van Surinaamse culturen en situaties.
In de eerste ‘Beweging’ komt ‘Deurman’ van de gevangenis op. Met zijn gigantische sleutel is hij de enige die de deur mag openen, zodat de ‘vrijen’ de wereld weer kunnen betreden. Hij begint met: ‘Een nieuwe dag/ zoals alle andere/ Voor mij geldt alleen: Vandáág/ Gisteren is voorgoed verdwenen/ Voorbij/ Morgen bestaat niet’. Dit doet me denken aan de kinderen van de vijfde klas van de school in een inheems dorp in het verre binnenland, aan wie ik de tijden van het werkwoord zou uitleggen. ‘Verleden’ en ‘toekomst’ zijn lege begrippen voor hen; ze kennen alleen ‘vandaag’. Zelfs de woorden ‘gisteren’ en ‘morgen’ zeggen hun niks.
De tekst wordt onderbroken door percussie en zang terwijl Deurman danst met zijn sleutel. ‘Een deurman is een vroedvrouw die je veilig van de ene naar de andere wereld helpt.’
Santo Boma
Ook de vader van Ogriboi wordt bevrijd uit de gevangenis. Pa en zoon proberen te communiceren, maar het wordt niets. Pa is een egocentrische grappenmaker met veel bombarie. ‘Voor mij is het te laat/ Ik ben een soldaat van het kwaad/ Denk aan mijn eigen belang.’ Boi heeft niets aan hem en wil naar zijn moeder, maar eerst ‘skypt’ hij met een Hollandse meid, die ook nog eens ‘Stagaire’ heet!
Mati van Ogriboi komen dansend en zingend op. Ze willen hem helpen met veel godsdienstige dyugudyugu, met ook nog een aalmoezenier erbij, maar Boi wil dat niet. Hij wil concrete zaken, werk en de liefde van een vrouw… dan ziet hij zijn moeder (met veel gevoel gespeeld door Sandra Goedhoop) die in opera-achtige aria’s tot hem zingt. Het wordt allemaal niks: vader en moeder maken ruzie (om geld), moeder is emotioneel en sterft ten slotte. Ogriboi is alleen, met zijn vader aan wie hij helemaal niets heeft. De enige in het stuk die met de vrijheid kan omgaan is Deurman met zijn enorme sleutel.
En dan sluipt ‘Schaduw’ tussen alles door (Tolin Alexander), die helemaal behangen is met stropdassen – symbool van de dood – die kwaad is, maar ook goed, en van de tijd. Voordat de mens er was, was hij er al. Deze figuur geeft aanknopingspunten met een Afrikaanse cultuur.
Stagiaires
Het einde is een filmbeeld: Schiphol: De stagiaire zal het vliegtuig naar Suriname nemen. Loopt het goed af met haar en Ogriboi? We weten het niet… er blijft twijfel… En het koor zingt, alsof het uit de verte komt: ‘Te wan doro e tapu/ Wan fensre e opo.’
Thalia, de oude Muze, geeft ons een mooi jubileumcadeau met dit stuk dat het doel van 1837 – ‘beschaving en verlichting’ – een modern  jasje geeft. Een oude Muze kiest voor de jeugd van nu, laat zien hoe problematisch het kan zijn om als jongere je ‘vrijheid’ te krijgen. Is dat wel vrijheid? Hebben jongeren geen werkelijke steun nodig? Een actueel thema, ook als we Ogriboi zien als symbool voor ons land. Zogenaamd ‘vrij’, onafhankelijk. Maar kan het land dat aan? Pa is egocentrisch, ma gaat dood, de godsdienst helpt niet echt… Zo kun je overal symboliek in zien als kunst daarvoor open staat. De prijs van Vrijheidis onbetaalbaar!

Vuurdans, hoogtepunt van Earth Hour


Vuurdans op het Onafhankelijkheidsplein zaterdagavond ter ere van de Aarde. (Foto: @ Edward Troon)

door Edward Troon

Suriname was zaterdagavond één van de 147 landen waar het licht tijdens ‘Earth Hour’ werd gedoofd. Deze wereldwijde happening, een initiatief van het World Wildlife Fund (WWF), werd net als vorig jaar op het Onafhankelijkheidsplein gehouden.

Honderden mensen kwamen op het Plein bijeen om de grootste vrijwilligers actie ter wereld te ondersteunen. Sommigen hadden kaarsen en waxinelichtjes bij zich. Velen maakten er een picknick avond van. Tarpoline zeiltjes werden uitgespreid, koelboxen met drankjes uitgestald en uit de tassen de versnaperingen genuttigd.

Spektakel
Om vijf voor half negen was het presidentieel paleis donker. De fakkeldragers omringden het eerste podium, waarop het koor plechtig en uit volle borst ‘Mi kondre tru, mi lobi yu’ ten gehore bracht. Natuurlijk zonder elektrische versterking, anders hoefde het licht toch niet uit. Terwijl het koor meer liederen zong, maakten de aanwezigen zich ongerust over de stralende verlichting van het ministerie van Financiën, De Nationale Assemblee, de Congreshal en de standbeelden van Lachmon en Pengel. Eindelijk, om kwart voor negen had men de lichtschakelaar bij deze gebouwen ook omgezet. Zelfs de vlaggen op het plein wapperden in het donker.

Inmiddels werd het publiek in beweging gebracht door de ‘Alla Kondre Dron’ gedirigeerd door Wilgo Baarn. De tabla, sambura, apinti drum en andere slaginstrumenten hoeven nooit elektrisch te worden versterkt. De tonen van de ‘Alla Kondre Dron’ vloeiden soepel over in de muziek van de capoeira (spreek uit Kapuwera). Deze Braziliaanse gevechtsdans was de perfecte inleiding naar het hoogtepunt van de avond: de vuurdans.

Succes
De vuurdans is gevaarlijk en spectaculair. De houtstapel werd netjes gerangschikt, vakkundig in brand gestoken, wat een mooie hoge vlam opleverde die het omringende publiek in een gele gloed zette. De ohhh’s en ahhhh’s klonken luid nadat de Marron artiesten het vuur hadden uitgedanst. Vakkundig werden de laatste gloeiende houtjes door een danser al zittend uitgedrukt, zodat de brandweer in de kazerne kon blijven.

Tegen half tien werden mini hete luchtballonen opgelaten waarmee de Surinaamse versie van Earth Hour werd afgesloten. Het cijfermatige succes van gisteravond zal pas komende week bekend zijn. Tijdens het evenement van vorig jaar werd in totaal 4% minder elektriciteit gebruikt dan gebruikelijk op dat tijdstip. Voor de mensen op het Onafhankelijkheidsplein was de avond echter mooi en succesvol. De verbinding met de aarde was duidelijk voelbaar.

Earth Hour is een symbolische actie, waarmee op sympathieke wijze aandacht gevraagd wordt voor de toestand waarin de aarde zich bevindt en acties ondernomen worden om dit te verbeteren. De gezamenlijke impact van de ruim 7 miljard mensen op aarde is dusdanig dat we per jaar anderhalf keer zoveel consumeren als dat de aarde kan opbrengen.

[uit Starnieuws, 1 april 2012]

Filmportret Elfriede Baarn impuls voor aanpak dichtkunst

door Claudine Saaki

Paramaribo – Gisteren was het precies een jaar geleden dat Naks’ Elfriede Baarn-Dijksteel heenging. De organisatie voor Afrikaans-Surinaamse cultuur probeert op verschillende manieren de nalatenschap van de dichteres, schrijfster, regisseur en theatermaker te beschermen en te waarderen, omdat zij tot nu toe nog een culturele inspiratie bron is voor velen.
Zo werd vorig jaar aan de hand van haar gedichtenbundel het theaterstuk Son ten na mi gepresenteerd. De organisatie lanceerde gisteren in haar minitheater het filmportret Son ten na mi, over het leven en het werk van Elfriede Baarn. Dit begon met een cultureel zangoptreden van enkele Naks-leden. “Stop jouw eigen cultuur niet weg en wees niet bang om een Afro-Surinamer te zijn.” Die woorden, die ‘Friede’ vaker zei, drukte Naks-voorzitter Siegmien Staphorst, de aanwezigen nog eens op het hart.

Het sterke karakter van Elfriede Baarn komt duidelijk naar voren in het filmportret. Haar krachtige gedichten en odo’s werden door middel van zang en dans op een zeer creatieve wijze door Naks-leden tot uiting gebracht. Al vanaf het begin van het filmportret, wanneer de warme stem van de schrijver Gerrit Barron te horen is, wordt geleidelijk de aandacht van aanwezigen getrokken. Je kon een speld horen vallen. Na het filmportret kwamen de reacties.

Volgens Ismene Krishnadath, voorzitter van de Schrijversgroep ‘77, moet verplicht gesteld worden dat mensen die zich bezighouden met de dichtkunst, poëzie op dezelfde krachtige wijze naar voren brengen als in het filmportret. Dave Edhard, directeur van Fa Waka Creations, die voor de totstandkoming van de dvd heeft gezorgd, is het eens met Krishnadath.

Ook hij ziet graag dat de dichtkunst serieuzer en sterker moet worden aangepakt. De Naks-voorzitter onderstreepte deze belangrijke opmerkingen en zei er werk van te maken. De organisatie is trots dat zij Elfriede Baarn als voorbeeld heeft. De eerste dvd werd overhandigd aan de familie Baarn, in de persoon van Wilgo Baarn.

Na het overlijden van Elfriede Baarn-Dijksteel, is haar familie als een ondersteunende tak voor de organisatie Naks. Ook Stanley Dijksteel, Stanley Sidoel, Ismene Krishnadath en Gerrit Barron ontvingen een exemplaar.

Gisteren werd het twintig minuten durend filmportret van Elfriede Baarn via Apintie Televisie vertoond. De film zal ook op YouTube verschijnen.

[uit de Ware Tijd, 02/02/2011]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter