blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Algoe Kirtie

Noodzaak voor verder onderzoek van het Sarnámi

Verslag in woord en beeld van het Sárnami congres

 

Deze pagina is geheel gewijd aan de vorige week (5/6 mei 2017)  gehouden Sarnámi-conferentie, gehouden in het Universiteits guesthouse in Paramaribo. Moderatoren tijdens de discussies waren Indra Djwalapersad, Radjen Baldew, Bhola Narain en Maurits Hassankhan. Op deze literaire pagina zijn korte verslagen van de gepresenteerde lezingen opgenomen, gemaakt door Sita Patadien [SP] en Hilde Neus [HN]. Er was ook vertier. In de avonduren werden er baithak gana liederen ten gehore gebracht door Kries Ramkhelawan en zijn gezelschap. Op de tweede dag waren er diverse auteurs die voordroegen uit eigen werk. Ook presenteerde de toneelgroep Hasti Masti onder leiding van Shanti Matai een sketch die mooi aansloot bij het thema van de conferentie: grootouders die moeite hebben om te communiceren met hun kleinzoon, omdat die het Sarnámi niet spreekt. Vastlegging en overdracht is belangrijk bij het voortbestaan van een taal. Voor het Sarnámi is de prognose positief en deze conferentie draagt daar zeker aan bij. Alle foto’s: Michiel van Kempen. read on…

Promotie Kirtie Algoe over interreligieuze relaties

Na jarenlang onderzoek heeft mej.Kirtie Algoe op woensdag 26 april in het openbaar in de Centrumkerk haar proefschrift Hindu and Muslim Responses to Christian Dominance. Interreligious Relations in Suriname and Guyana 1950-2014 verdedigd. read on…

Sarnámi Conferentie in Paramaribo

Op vrijdag 5 en zaterdag 6 mei 2017 wordt er in Paramaribo het tweede Sarnámi congres gehouden Het eerste vond plaats in 1986 in Paramaribo. Het congres vindt plaats in het Guesthouse van de Anton de Kom Universiteit onder auspiciën van de Faculteit Humaniora. Vorige maand vond een enigszins vergelijkbaar congres plaats in Den Haag; en aantal van de sprekers uit Den Haag geeft ook acte de présence in Paramaribo read on…

Aanschuiven bij schrijvers

Een nieuwe activiteit van Schrijversgroep ’77: nieuwsgierige lezers kunnen aanschuiven bij een schrijver aant fale en daar al de vragen stellen die al zo lang voor op de tong lagen. De activiteit vindt plaats op woensdag 26 augustus a.s. van 20.00 tot 22.00 uur in Tori Oso, Frederik Derbystraat 76, Paramaribo.

De vijfschrijvers die ‘spreekuur’ houden zijn:

Kirtie Algoe: zij schreef de sociologische studie Suriname, schip van diversiteit en bestudeert natievorming in Suriname,
De Benjamin: zijn debuut Licht Gebroken gaat over de pijnlijke kanten van huwelijksontrouw,
Erney Landveld: publiceerde onlangs De Marroncultuurgemeenschap in Suriname, over de geschiedenis van de Marron-transmigratie;
Rappa: naast zijn humoristisch proza, vooral bekend om zijn vlijmscherpe columns in de Parbode; binnenkort – op 5 september – te gast in Amsterdam op de Tweede Caraibische Letterendag.
Kit-ling Tjon-Pian Gi (foto): kwam recentelijk uit met een fraai geillustreerde verhalenbundel, De kracht van vrouwen.

Grijp deze gelegenheid aan om meer te weten te komen over deze auteurs, over hun inspiratiebronnen en waarom zij publiceren. Stel de vragen die u altijd al hebt willen stellen en maak van de gelegenheid gebruik om een gesigneerd exemplaar van hun boekwerk tegen een gereduceerde prijs te bekomen.

Info: tel. 00 – 597 – 520513 / 00 – 597 – 8912005

Mitrasingh onversneden

Naar aanleiding van mijn eerder hier gepubliceerde artikel Wat bezielt Ben Mitrasingh? van 29 juni j.l. heeft de Werkgroep Caraïbische Letteren mij verzocht het desbetreffende artikel van Mitrasingh in zijn geheel te plaatsen opdat de lezer beter kan oordelen, aan welk verzoek ik hierbij graag gevolg geef.

Het kan inderdaad geen kwaad dat de lezer zelf kennis neemt van het onversneden racisme van Ben Mitrasingh en van het dagblad Times of Suriname, dat deze artikelen op 20 en 27 juni 2009 schaamteloos heeft gepubliceerd.

Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven (deel I)

door Benjamin S. Mitrasingh

Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan. Die misvattingen zijn niet bepaald positief voor de creolen, maar doordat ze steeds weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van streotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen, gebukt moeten gaan. Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijke literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.

Volksmonument
Aangezien Suriname nog geen nationaal museum heeft en er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven. Geen enkele sponsor zal ook geld geven voor een publicatie waarin hij moet lezen dat zijn vader of grootvader een ‘notoire schurk’ is geweest. Dit geldt ook voor de musea en archieven in Suriname. Zolang Suriname zijn musea niet zelf kan onderhouden en voeden, moet het als land genoegen nemen met alle soorten zoetsappige verhalen over zijn eigen geschiedenis. Alles mag dan in de musea en archieven mooi bewaard en tentoongesteld zijn, de pronkstukken zijn bijna altijd en aldoor ‘naast de waarheid’. Bovendien, en dat komt nog erbij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monoument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te ‘blut’ bent gebleken of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daarvan ook nooit iets komen. Zeker niet met buitenlandse hulp. Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet en als het geld er wel is, dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers. Uit vrees voor het wegvallen van de Nederlandse sponsoring, gaan de Surinaamse beleidsmakers óf de Nederlandse collega’s nadoen óf zij zetten er nog een schepje bovenop. Na 1975 wist men niet wat er op het plein moest komen te staan. Na 5 jaar ook niet en na 35 jaar, dus in 2010, misschien ook nog niet. Want op 25 november 2010 zijn de verkiezingen net achter de rug en dan moeten eerst de politieke drijfnetten uitgezet worden en dan kan het weer een jaar of wat duren alvorens men met een goed idee komt. En aangezien Surinamers houden van lustrumvieringen, lijkt het niet onwaarschijnlijk dat men dan weer moet wachten tot 2015 en dan ook nog op een datum in de regentijd met een ‘25’ erin.

Deskundigen
Het onaangename van veel gedenkdagen is ook, dat er bijna nooit een officiëel staatsorgaan valt aan te wijzen dat ook werkelijk belast is met de totale organisatie van alle activiteiten over het hele land. Waar zijn bijvoorbeeld al die ‘geweldige’ organisatoren van Carifesta 2003, toch niet bij het Directoraat Cultuur? Waar zijn ook al die ‘betweterige sweet talkers’ en waar is het evaluatieverslag van die Carifesta?

Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing van de Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen, schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk, dat 1 juli Keti Kotidag heet. Waarom doen andere wetenschappers dit ook niet met een reeks van andere onduidelijkheden rond 1 juli? Waarom worden er niet door gezaghebbende deskundigen tijdens gedenkdagen elk jaar weer rubrieken, flyers of boekjes gemaakt en ook gratis verdeeld? Drukwerk waarin de historische juistheden staan vermeld, die elke Surinamer over zijn land moet weten. Of heeft zo een soort vorming niets te maken met volksontwikkeling? Rond elke 1 juli zouden enkele historische feiten over de creolen steeds opgesomd moeten worden. Daardoor kan er een beter begrip ontstaan over het wel en wee van hun ontwikkeling.

Aan de hand van de bestaande literatuur volgen hieronder enkele historische feiten over de slavernij, die elke Surinamer heel goed moet kennen.
Het woord creool is afgeleid van het Franse créole, dat weer is afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord crioulo in het Portugees, dat ‘niet gekocht’ betekent, dus in huis geboren of opgevoed. De slaven werden al vroeg verdeeld in ‘creolennegers’ en ‘zoutwaternegers’. Creolennegers waren in het land geboren en zoutwaternegers werden van overzee aangevoerd. De Nederlandse West-Indische Compagnie monopoliseerde de slavenhandel op Suriname tot 1789 (zie foto). Tot 1844 mochten slavenkinderen geen onderwijs volgen. Pas in 1844 kregen de zendelingen van de Evangelische Broeder Gemeente toestemming tot het geven van onderwijs aan de kinderen van slaven.

Aankondiging van een aanbesteding voor de Zeeuwse Kamer der W.I.C. voor levering van goederen bestemd voor haar kolonies in de West, waaruit men kan opmaken van welke artikelen deze zoal uit Nederkand werden voorzien. Zij dienden slechts voor een klein gedeelte als compensatie voor de uitgevoerde koloniale waren, soms echter ook voor de ruilhandel in Afrika tegen de zozeer begeerde negerslaven.
(Bron van foto en tekst: Albert Helman, Avonturen aan de Wilde Kust, 1982, blz. 103)

Reeds een jaar voor de afschaffing van de slavernij, richtte het Gouvernement in 1862 in Totness (Coronie) een vestigingsplaats in voor ex-slaven. In Nieuw-Amsterdam gebeurde dit in 1875 en in Domburg in 1877.

Het West-Indische familiesysteem
Binnen bepaalde bevolkingsgroepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’, ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en van hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familieleven hebben sociologen gelarakteriseerd als het West-Indisch familiesysteem. Men treft het in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen, het gebied dat bekend staat als de West-Indische Eilanden, de ‘Deep South’ van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië.

De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouw verhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.

Verder leest men in de literatuur dat de kenmerken van het familiesysteem van de creoleen vanf de vroegste dagen van de slavernij tot op de huidige dag aan te wijzen zijn. Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie. Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd, en ook te weing verklaard, ontkend of ontzenuwt.

Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’. Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slavenhuwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij ‘s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.

De vaderloze kinderen bij creolen (deel II)

door Benjamin S. Mitrasingh

De vraag naar hedendaagse studies over creolen wordt het best verwoord op bladzijde 89 van het boek ‘Geschiedenis van Suriname’ uit 1993 van Frans Steegh en anderen, waarbij er wordt gesteld: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” Simpel gezegd komt het dus hier op neer dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen de creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven, zo een losbandig leven hebben. En dat al langer dan 146 jaar. Los van de gemakken, vooropgesteld dat losbandigheid ook gemakken kent, van de moderne term West-Indisch familiesysteem of van de sociologische term ‘matrifocaal’, is het heel duidelijk, dat Surinamers te doen hebben met met al die duizenden kinderen, die bij lange na niet kunnen zeggen wie hun vader is. Dat zulke kinderen soms op jonge leeftijd al ontsporen, baart veel Surinamers zorgen. Zolang ze nog jong zijn kan men om ze lachen, maar zodra ze jong volwassen zijn, dus na hub 15de jaar, is er helaas vaak sprake van schoolverzuim, criminaliteit, seksueel geweld en de laatste jaren ook drugsgebruik. Dan is opeens de lol ervan af. Surinamers vragen zich ook af waaraan het precies ligt dat creoolse vrouwen de losbandigheid van de mannen blijven accepteren. In Suriname is het algemeen bekend dat creoolse vrouwen heel goed geëmancipeerd zijn. Dat waren ze al voor ‘gender’ ontstond en toch moeten ze nu zo gebukt gaan onder een bijna primitief gezinsleven. Hoewel Surinamers het verschil tussen een marron en een creool wel heel goed kennen, wordt iedereen die maar een beetje op elkaar lijkt na elk maatschappelijk incident, gestigmatiseerd met de populaire Surinaamse term ‘Blakaman’. Deze onviendelijke term is afgeleid van het Engelse ‘Blackman’, wat niets anders betekent dan zwarte man, neger of Asfrikaan. Net zoals ‘baljaren’ (= dansen) is afgeleid van het Portugees/Spaanse ‘bailar’, wat uitbundig feestvieren betekent.

Een manumissie-brief uit 1857, waarin de vrijheid wordt gegeven aan de zevenjarige slavendochter Mimie. Zij kreeg hierbij de naam Maria Arkard.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)

Vrolijke cultuur
Over het algemeen staan creolen in Suriname bekend als vrolijke mensen die goedlachs zijn. Ze hebben altijd enorm veel lol en daarom houden ze van feestvieren en van dansen. Van creolen is ook bekend dat ze heel goed kunnen zingen en dat hun gevoel voor ritme de duidelijke verbinding aangeeft voor hun ‘Roots’ ergens in Afrika. De kerkdiensten bijvoorbeeld van de Evangelische Broeder Gemeente, kennen het gezang bij uitstek, in tegenstelling tot de iets saaiere diensten van de katholieken om nog maar te zwijgen over de eentonige monologen met bijna geen gezang van de hindoes en de moslims. Creolen hebben dus altijd veel lol en hun goede humeur brengt ook met zich mee dat ze veel moppen en ook veel zelfspot kennen. Ze lachen zich ‘dood’ om hun eigen zelfspot en die zelfspot kan variëren van mislukte liefdesrelaties tot de verzonnen ‘lollige’ doodsoorzaak van een kennis of van een belangrijk persoon. Hun uitbundige levensbvorm gaat vaak ook samen met lekker eten en drinken. Creolen zijn daardoor ook de consumenten bij uitstek in Suriname, en veel restaurants en cafetaria’s zou men gevoeglijk kunnen sluiten als creolen zouden besluiten een bepaald gerecht niet meer te eten. Een bekend merk bier in Suriname gaat zelfs zover dat het bijna alleen maar creoolse modellen gebruikt voor zijn reclame. Ook radio-advertenties pakken volgens marketing deskundigen (en Joost mag weten wie dat zijn) beter in het Sranantongo dan in een taalcombinatie met bijvoorbeeld een duidelijke Hollandse strekking. Het moet in Suriname nog onderzocht worden wat het effect is van deze taalvariaties op de officiële taal van Suriname. Het is wel algemeen bekend dat creoolse kinderen mondiger zijn dan bijvoorbeeld de kinderen met een Aziatische achtergrond. Maar het is nog niet wetenschappelijk aangetoond dat een ‘vlotte babbel’ ook ‘een foutloze’ schrijfwijze van de Nederlandse taal impliceert. Volgens correctoren bij Surinaamse dagbladen is het nog steeds bar en boos gesteld met een goede taalbegeersing van de Surinaamse journalist. Bovendien moet ook nog onderzocht worden in welke taal een Surinaams kind denkt en in welke taal hij zijn gedachten onder woorden wil brengen. Ten aanzien hiervan moet het sluiten van het Taalinstituut jaren geleden beschouwd worden als een van de grootste culturele blunders van het MINOV sinds de onafhankelijkheid, en ook als een flagrante miskenning van de taal als het belangrijkste vehikel van communicatie binnen elke multiculturele samenleving.

De afschaffing van de slavernij werd met behulp van deze proclamatie aangekondigd. Wie de proclamatie leest, zal kunnen constateren dat de vrijheid niet direct ook gelijkheid met zich meebracht. De ex-slaven moesten wel hun plaats weten.
(illustratie uit Evelien Bakker e.a., Geschiedenis van Suriname, Zutphen 1998)

Vaderloze kinderen
Behalve dat veel Surinamers begaan zijn met het lot van de jonge creoolse kinderen die hun vader niet kennen en misschien ook nooit zullen kennen, hebben ze ook te doen met de moeders van deze kinderen. Die staan er letterlijk en figuurlijk bijna altijd alleen voor, en zeker als het gaat om de opvoeding en begeleiding van het jonge kind. Het zijn deze zelfde jonge kinderen van wie bekend is dat zij het stadsleven door en door kennen, maar waarvan ook bekend is dat zij alles wat los en vast zit van de vruchtenbomen eraf halen en dat zij ook geen enkele loslopende straathond met rust laten. Het zijn kwajongens ten voeten uit, die de samenleving nog net geen overlast bezorgen en die leven volgens het oeroude Surinaamse principe ‘dat wij allen kinderen van een vader zijn’. Dus zijn ook deze kwajongens de kinderen van alle Surinamers. Hoewel er bij deze kinderen vaak ook van een lichte verwaarlozing sprake is, zien deze kinderen er in de naschoolse tijd zichtbaar hongerig uit. Het komt ook vaak voor dat zulke kinderen thuis moeten wachten tot moederlief in de late middaguren thuis komt. Maar het zijn uitgerekend deze kinderen in Suriname die altijd vrolijk en blij door de straten huppelen. De meeste van deze kinderen kennen helaas hun vaders niet. Papa heeft nooit naar ze omgekeken, waardoor ze ook nooit door hem zijn erkend, laat staan verzorgd. Deze kinderen hebben daardoor ook de familienaam van hun moeder. Doordat ze hun vader niet kennen en ook niet aan hem kunnen refereren zijn ze ook bijna altijd in de samenleving de ‘underdog’. Binnen het matrifocale familieleven kennen zulke kinderen vaak ook geen enkele mannelijke voorbeeldfiguur. Surinamers zouden er daarom uitdrukkelijk voor moeten waken, dat dit verschijnsel van de vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen. Dit familiesysteem heeft nog nergens in de wereld positief gewerkt en het is ook niet een systeem waarover men trots moet zijn.

Emancipatieboodschap
Over het algemeen hebben Surinamers echt te doen met deze vaderloze kinderen, maar na 146 jaar afschaffing van de slavernij, dus na tweemaal een mensenleven, kunnen de boosdoeners zich niet blijven beroepen op een slavernijverleden dat ze bovendien niet eens goed kennen. Maar om alle soorten wandaden van onmenselijk gedrag goed te kunnen praten, lenen sommige negatieve aspecten van de slavernij zich nog altijd uitstekend voor. Waar zijn al de onderzoekers die keer op keer erop hebben gewezen dat bepaalde creoolse gebruiken en gewoonten anno 2009 volstrekt onaanvaardbaar zijn geworden? De bestuurskundige August Boldewijn heeft onlangs een duidelijke uitspraak gedaan ten aanzien van de interne strubbelingen in de politieke partij SPA. Heel ongezouten verweet hij de politici van de SPA dat als zij niet eens in staat zijn orde op zaken te stellen binnen hun eigen partij, hoe in hemelsnaam willen ze dan een land besturen? Niet leuk voor de SPA, maar Boldewijn is ook niet de eerste en de beste, maar waarom zijn zulke uitspraken nooit eerder gedaan door creoolse voorbeeldfiguren ten aanzien van het creoolse gezinsleven? Waar is het creoolse intellect en waar is hun lotsverbondenheid met hun eigen zwakke zusters en broeders? En dan weer voor de zoveelste maal, en meer nog naar analogie van de uitspraak van Boldewijn, “Wat Jupiter mag, mag de os nog niet”, maar waar zijn al die creoolse Jupiters? Vooral die van de Surinaamse politiek, en ook die van de wetenschap.

Moesten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn, en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een hele rigide wijze gebeuren zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.

P.S.: de illustratie bij deel I is een keuze van de auteur; de illustraties bij deel II zijn door mij toegevoegd om de woordenbrij zo mogelijk iets te verlevendigen, RvdM.

Wat bezielt Ben Mitrasingh?

door Rolf van der MarckBij gelegenheid van de Dag der Vrijheden van woensdag 1 juli a.s. heeft Benjamin S. Mitrasingh, archeoloog en kunsthistoricus zoals hij wordt genoemd, voormalig directeur Cultuur van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling (MINOV), in het dagblad Times of Suriname twee artikelen geplaatst, één op zaterdag 20 juni en één op zaterdag 27 juni j.l., respectievelijk getiteld Creolen mogen na 146 jaar hun geschiedenis grondig herschrijven, en De vaderloze kinderen bij creolen, die alleen al door hun titel niets aan duidelijkheid te wensen overlaten: Mitrasingh provoceert (weer eens).

Misvattingen, stereotiepen en vooroordelen
Het begint al onmiddellijk met de intro van het eerste artikel: “Creolen hebben voldoende intellect in huis om de geschiedenis van Suriname te herschrijven, meer nog, om hun eigen geschiedenis eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten. Rond 1 juli manifesteert deze behoefte zich altijd weer, omdat dan weer eens blijkt hoeveel misvattingen er rond deze bevolkingsgroep in Suriname bestaan.”

Zonder deze misvattingen te benoemen vervolgt hij: “Die misvattingen zijn bepaald niet positief voor de creolen, maar doordat ze steeds maar weer worden opgesomd in wetenschappelijke werken, beginnen deze onwaarheden en misvattingen een eigen leven te leiden. Dit geldt ook voor de andere bevolkingsgroepen in Suriname, maar die hebben niet zozeer te lijden onder een reeks van stereotiepen en vooroordelen waaronder vooral Afrikanen, negers en nu ook creolen gebukt moeten gaan.”


Alhoewel Mitrasingh vaststelt dat het hier gaat om misvattingen, stereotiepen en vooroordelen, die volgens hem rond 1 juli altijd weer leiden tot de behoefte een en ander “eindelijk eens waarheidsgetrouw op papier te zetten”, doet hij er integendeel nog eens een schepje bovenop: “Voor creolen lijken al de vooroordelen en stereotiepen bijna op een vicieuze cirkel. Veel wetenschappelijk literatuur en met name die door creolen zelf is geschreven, is nooit internationaal geaccepteerd geworden, omdat zij of te agressief is of te onderdanig en dus nooit eerlijk en objectief zijn. Deze kritieken schijnen de creoolse wetenschappers enorm veel problemen te bezorgen. Zij moeten zich vereenzelvigen met de westerse waarden en normen of zij hoeven als ‘enfant terrible’ niet te rekenen op enige steun en erkenning van de kant van deze ‘beklaagden’.”

Met veel omslag van woorden, maar zonder man en paard te noemen, laat staan met ook maar een spoor van bewijsvoering, beweert Mitrasingh hier in feite dat de creolen de misvattingen, stereotiepen en vooroordelen over zichzelf hebben afgeroepen. Welk een gotspe.

Volksmonument op het Vrijheidsplein
Volgt een verward ‘tussendoortje’: “Aangezien Suriname geen nationaal museum heeft, en dat er ook weinig aandacht wordt besteed aan de nationale geschiedenis van het land, krijgen historici bijna nooit de kans om de juiste toedracht van de geschiedenis te schrijven”, uitmondend bij het verwijt: “Bovendien, en dat komt er nog bij kijken ook, als je als land in 1975 de ‘guts’ had om het monument van prinses Wilhelmina te verwijderen, maar tot 2009 je te blut bent gebleken, of erger nog, je geen idee hebt gehad om er iets anders voor in de plaats te zetten, dan zal daar nooit iets van komen.” Maar van de VHP moest op datzelfde plein wél het beeld van Lachmon komen, die mag immers niet onderdoen voor de daar al aanwezige Pengel, alhoewel het nu volledig misplaatst is.

Om dan de overstap te maken: “Zo hoeft het Surinaamse kind dus op 1 juli niet te gaan naar een museum om over de slavernij iets te leren en ook niet om te zien hoe wreed de slavernij is geweest en natuurlijk nooit niet om te weten wat het aandeel van Nederland in die wreedheden is geweest. Voor deze naschoolse vorming heeft Suriname het geld niet, en als het geld er wel is dan schort er nog een hoop aan het cultuurmilieu van de beleidsmakers.” Helaas heeft Mitrasingh als directeur Cultuur daaraan ook niets bijgedragen, althans niet voor zover mij is gebleken.

Dag der Vrijheden
Ook schiet Mitrasingh zijn giftige pijlen af op 1 juli, althans op de naamgeving van die dag: “Rond 1 juli zal men, zoals gebruikelijk, weer bekvechten over de juiste naam van die dag; is het Dag der Vrijheden, Emancipatiedag (Manspasi), Keti Kotidag of gewoon Afschaffing der Slavernij. In haar afstudeerscriptie over de introductie van Holi en Idul Fitre als nationale feestdagen schrijft de jonge sociologe Kirtie Algoe wel heel nadrukkelijk dat 1 juli Keti Koti heet.”

Algoe is daar waarschijnlijk nog te jong voor, maar Mitrasingh met zíjn jaren –en al helemaal als voormalig directeur Cultuur– had moeten weten, sterker: wéét dat in 1959 1 juli door de toenmalige regering Emanuels is gedoopt tot Dag der Vrijheden, hetgeen ook is gepubliceerd in het Staatsblad (SB). In 1959 werden in het kader van de natievorming enkele nationale symbolen bij wet ingevoerd: de vlag, de tekst van het Volkslied (Trefossa), het wapen, en de Dag der Vrijheden (1 juli). Met deze Dag der Vrijheden hoopte de regering een compromis gevonden te hebben voor de wens van de grote bevolkingsgroepen een eigen, voor die bevolkingsgroep, gedenkwaardige dag tot nationale vrije dag te verheffen. Dat deze naam nog altijd geen gemeengoed is geworden is te wijten aan mensen als Mitrasingh die keer op keer die benaming weer als probleem aan de orde stellen.

Het West-Indische familiesysteem
Aan de hand van enkele historische feiten omtrent de slavernij belandt Mitrasingh dan eindelijk bij het punt waar hij wilde uitkomen: de bandeloosheid van de creool, echter niet dan na eerst (heel even maar) te tippen aan andere groeperingen. “Binnen bepaalde bevolkings- groepen in Suriname hanteert men een term voor het familiesysteem van de groep zelf. Zo kent de literatuur voor hindostanen de term ‘joint family’ ofwel de grote familie, javanen kennen de term ‘rukun’ ofwel saamhorigheid, maar bij creolen is dat niet zo duidelijk. Wel concluderen wetenschappers dat ‘proletarisering’ als vanouds het levenspatroon heeft bepaald van de slaven en hun nakomelingen, de creolen. Het was een familiesysteem van de armoede en van de bezitlozen. In de loop der tijd waren de creolen gedwongen hun familieleven aan deze ongunstige omstandigheden aan te passen. Dit familiesysteem hebben sociologen gekarakteriseerd als het West-Indische familiesysteem.”

Wéér zo’n Mitrasingh-gotspe: “bij creolen was dat niet zo duidelijk.” Wat héét?! Hadden de creolen een ander keuze? Nee toch zeker.


Een groep slavenwoningen op (suiker)plantage Dordrecht, getekend door Winkels in 1859. (Illustratie uit Geschiedenis van Suriname, Zutphen, 1998.)

Mitrasingh vervolgt: “Men treft het West-Indische familiesysteem in heel ‘Plantation America’ aan en daarmee bedoelt men te zeggen het gebied dat bekend staat als de West-Indische eilanden, de ‘Deep South’ van de VS, de Atlantische kusten van Midden-Amerika, Columbia, Venezuela, de drie Guyana’s (dus ook Suriname) en het noordoosten van Brazilië. De belangrijkse kenmerken van dit familiesysteem zijn volgens de sociologen en antropologen:
1. De aanwezigheid van erkende alternatieve man-vrouwverhoudingen. Naast het huwelijk kent men het concubinaat, waarbij man en vrouw samenleven zonder gehuwd te zijn.
2. Veelvuldig voorkomen van vrouwelijke huishoudhoofden. De vrouw vervult een centrale rol in het huishouden.
3. De vrouw is in veel huishoudens de dominerende autoriteit, waardoor kinderen zowel gevoelsmatig als economisch van haar afhankelijk zijn.”

En dan krijgen de creolen er weer van langs: “Het systeem is nauwelijks van karakter veranderd, ondanks de vergaande sociale wijzigingen zoals emancipatie, industrialisatie en dekolonisatie. Het familiesysteem van de creolen is dan ook, zo gaat de literatuur verder, te beschouwen als een aanpassing aan ongunstige omstandigheden zoals armoede, werkeloosheid en discriminatie.” En nu komt het: “Door de creoolse intellectuelen in Suriname wordt te weinig op deze zaken de nadruk gelegd en ook te weinig verklaard, ontkend of ontzenuwd.” Zo kan die wel weer, Ben.

En dan in één adem door: “Creoolse intellectuelen hebben ook te weinig kritiek geleverd op zaken als ‘zakenrecht’ en ‘personenrecht’.” Zómaar, alsof hij ‘t over het heden heeft in plaats van over het verre verleden, toen er nog geen creoolse intellectuelen waren, lees maar verder: “Zo viel de slaaf onder het zakenrecht, wat wil zeggen dat hij geen huwelijk kon sluiten, hij mocht dus niet trouwen. Hij kon wel het ‘slaven- huwelijk’ sluiten en daarna bepaalde zijn meester of hij `s avonds of op zondagen zijn vrouw mocht bezoeken. Dit slavenhuwelijk moet worden beschouwd als het begin van de ‘vaderloze’ gezinnen. Dit verschijnsel is helaas nooit goed in Suriname onderzocht, althans niet op een wijze die een beter begrip voor de vaderloze gezinnen heeft bewerkstelligd.”

Bandeloosheid bewezen volgens Mitrasingh. De gevolgen hiervan komen in een vermoeiend tweede deel.

De vaderloze kinderen bij creolen
Om te beginnen citeert Mitrasingh in het tweede deel van zijn betoog Frans Steegh e.a., Geschiedenis van Suriname, 1993, die stelt: “Dat op deze wijze het matrifocale gezin ontstond lijkt zeer aannemelijk. Maar daarmee is niet verklaard waarom het matrifocale gezin zo lang bleef voortbestaan nadat de historische noodzaak was weggevallen.” En dan slaat Mitrasingh –zonder naar die verklaring te zoeken– weer op hol: “Simpel gezegd komt het dus hierop neer, dat historici en alle andere sociaal wetenschappers zich in gemoede afvragen hoe het komt dat alleen creolen in Suriname, populair gezegd en ook volgens de internationale normen en waarden van een traditioneel gezinsleven zo een losbandig familieleven kennen. En dat al langer dan 146 jaar.”

Waar Mitrasingh begon in algemeen verband, Plantation America, vernauwt hij zijn focus nu tot “alleen creolen in Suriname”, die zich in tegenstelling tot internationale normen en waarden (welke?) van een traditioneel gezinsleven (hoe, waar?) aan bandeloosheid overgeven. Niet meer en niet minder dan een slag in de lucht, een trap onder de gordel.

Emancipatieboodschap
Ik zei het al, Mitrasinghs verhaal is vermoeiend, eentonig, langabere. U zult mij moeten vergeven dat ik méér van hetzelfde oversla en even verder de draad weer oppak. Alhoewel, er zit weinig draad in. Na een uitweiding over de vrolijke cultuur van de creolen, dat ze houden van feestvieren en dansen, dat ze goed kunnen zingen en daarmee hun ‘roots’ aantonen van ergens in Afrika, dat een bekend merk bier (Parbo durft hij niet in de mond te nemen) zelfs zover gaat bijna alleen maar creoolse modellen te gebruiken voor haar reclame, dat ook radio-advertenties pakkender zijn in het Sranantongo, etcetera, etcetera, etcetera, komt hij tot zijn emancipatie-boodschap: “Surinamers zouden er daarom nadrukkelijk voor moeten waken dat dit verschijnsel van vaderloze kinderen geen algemene vormen begint aan te nemen.”

“Moeten de creolen als de meest geëmancipeerde Surinamers er niet voor zorgen dat elk geboren kind heel nadrukkelijk moet weten wie zijn ouders zijn en dat ook de hele Surinaamse samenleving van elke mannelijke verwekker moet eisen, dat hij zijn kind moet erkennen en tot een bepaalde leeftijd moet verzorgen. Dat moet na 146 jaar nu toch wel heel duidelijk bij wet worden vastgesteld en de uitvoering van die wet moet ook op een heel rigide wijze gebeuren, zonder aanzien des persoons. Want het kan toch niet zo zijn, dat Surinamers op alle gedenkdagen en feestdagen alleen maar in staat zijn een hoop ‘kiekeboe-achtige’ cultuurevenementen te ontplooien met ‘dromerige’ slogans op spandoeken en billboards, die zo onwerkelijk zijn als maar wezen kan. Op 1 juli 2009 zouden alle Surinaamse mannen elkaar eens eindelijk moeten beloven dat zij voortaan een duidelijk oordeel zullen uitspreken over al die andere mannen die hun kinderen niet hebben erkend en ook nooit hebben verzorgd. Dan hebben Surinamers tenminste een daad gesteld op een van hun herdenkingsdagen. Daar lijkt 1 juli als emancipatiedag uitstekend voor geschikt.”

Wat bezielt Ben Mitrasingh?
Provocatie, zoals ik in het begin al heb gesteld, is één ding. Maar er is meer. Het verband met die andere provocatie van kort geleden, het aan ons volkslied toe te voegen derde couplet in het Sarnami, is natuurlijk onmiddellijk duidelijk. Het is nog net geen georkestreerde actie om de etnische kaart te spelen, maar het zou wel de opmaat daartoe kunnen zijn.

Graag wil ik daarom verwijzen naar het eerder hier gepubliceerde artikel van Ricardo E. Meyer van zaterdag 20 juni j.l., getiteld “Een Sarnami couplet in het Surinaamse volkslied?” Meyer stelt daar, en ik sluit me daarbij volledig aan: “Volgens mij is het hoog tijd om elementen in deze samenleving die puur etnisch denken, streven en handelen voor eens en voor altijd de pas af te snijden. Zij dreigen anders het nationaal bewustzijn en daarmee de broodnodige natievorming van dit land en volk te frustreren.”

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter