blog | werkgroep caraïbische letteren
0
 

Pim de la Parra – Schaamte

In mijn tienerjaren, toen er in de Domineestraat nog boeritji wagi’s [ezelkarren – red. CU] mochten rijden en er in heel Suriname niet meer dan vijfduizend auto ’s waren, is me voor het eerst een gevoel van schaamte aangepraat. Als leerling van de Hendrikschool, en daarna de AMS, werd ik geleidelijk aan vanzelf beïnvloed door de opvattingen en attitudes van diverse leraren, onder wie ook een paar Nederlanders.

 

Cees Dubelaar, onze leraar Nederlands, beweerde eens dat er nooit een kunstwerk van enig belang, of ook maar enige opzienbarende uitvinding, zou zijn ontstaan in een land met een gemiddelde temperatuur hoger dan zestien graden. Dat kwam, zo zei hij, omdat wetenschappelijk was berekend dat de meest vruchtbare geestelijke arbeid verricht werd bij een kamertemperatuur van zestien graden Celcius… Ik was toen toevallig klasse-oudste en voelde me verplicht de bordenwisser naar zijn kop te slingeren, uit wraak voor deze vernedering. Een grove belediging ook van onze aangeboren verbeeldingskracht en intelligentie. Dat leverde me toen een schorsing op van drie dagen door de toenmalige directeur, een strenge Nederlandse leraar wiskunde genaamd Lub.

Gelukkig heb ik de heer Dubelaar vele jaren later weer ontmoet in de stad Groningen, Nederland. Hij beijverde zich toen voor het uitgeven van een boek over het Afaka-schrift, waar hij veel onderzoek naar had gedaan. Hij durfde me te bekennen dat hij zich lang had geschaamd voor zijn gedrag van destijds en blij was dat hij dat aan mij kon opbiechten. Ik had hem juist uit de doeken gedaan, dat hij en enkele andere Hollandse leraren mij en mijn klasgenoten langzamerhand, bewust of onbewust, een zeker minderwaardigheidsgevoel hadden aangepraat. En dat we ons vaak hadden geschaamd over dingen waar we ons helemaal niet voor hoefden te schamen.

Schaamte kan ontstaan door afwijzing, of minachting. Sommige mensen schamen zich voor hun huidskleur. Of voor hun haar. Of voor hun uiterlijk. Of voor hun afkomst. Je kunt je schamen voor iets wat je hebt gedaan, of juist niet hebt gedaan. Je kunt je schamen voor je onbekende en onderontwikkelde land van herkomst Suriname, vooral wanneer een Nederlandse man of vrouw er kennelijk behagen in schept om je geliefde Mama Sranan en haar inwoners subtiel te kleineren. Gelukkig heb ik op de AMS ook heel wat Hollandse leraren gekend die zich nooit en te nimmer respectloos hebben betoond tegenover hun Surinaamse leerlingen.

Het meeste heb ik me in mijn tienertijd geschaamd voor iets dat ik niet aan een Nederlandse leraar te danken heb, maar aan mijn eigen vader Richard Leonard. Ik was dertien jaar oud en zat in de tweede klas van de Hendrikschool. In de eerste pauze kwam altijd de ‘bollenman’, die voor tien cent per stuk overheerlijke warme berliner bollen verkocht. Ik kreeg nog geen zakgeld en kon dus nooit een van deze gesuikerde bollen met binnenin guave jam kopen. Al een paar keer had ik mijn vader laten blijken hoeveel ik naar zo’n bol smachtte, maar hij wilde er niets over horen en zei dat al dat zoet slecht voor mijn gebit zou zijn. Met mijn broertje Henk woonde ik in het ouderlijk huis van mijn vader, achter en boven de apotheek van mijn grootvader aan de Zwartenhovenbrugstraat, dichtbij de hoek met de Prinsenstraat. Elke ochtend rond zeven uur deponeerde mijn oma Elisa twee dubbeltjes op het dressoir, waarmee het dienstmeisje bij de winkel van Tjon A Tam pal naast de apotheek vier puntbroden van vijf cent moest kopen…

Op een ochtend toen ik met mijn broertje op het punt stond naar school te gaan, pikte ik zonder dat mijn oma dat zag de twee dubbeltjes. We waren nog geen driehonderd meter verder toen het dienstmeisje achter ons aan kwam hollen en zei dat mijn vader me wilde spreken. Terwijl ik achter haar aanliep kreeg ik nog het idee de dubbeltjes naast de stam van een van de hoge koningspalmen te verstoppen, maar om de een of andere reden heb ik dat voornemen niet uitgevoerd. Nog zie ik bij aankomst thuis mijn vader in zijn pyama op de trap van boven komen en me met wijdgesperde ogen aankijken. Hij wees naar het dressoir en zei: “Heb jij die twee dubbetjes daar weggenomen?” Ik loog en schudde mijn hoofd, maar hij vond ze in de zak van mijn overhemd en wenkte me mee naar boven. In zijn slaapkamer moest ik met mijn buik op bed gaan liggen en mijn billen ontbloten. Met een mattenklopper gaf hij mij er ongenadig van langs. “Dit zal je leren om nooit, nooit, nooit van zijn leven meer 1 cent te stelen, hoor je!” Hij was heel erg kwaad en hoewel ik veel pijn had zei ik provocerend: “Ik voel helemaal niks!”

Omdat ik toen nog alleen korte broeken droeg, waren de striemen van de mattenklopper op mijn achterbovenbenen de niet te verloochenen tekenen van een geweldig pak slaag. Al mijn medeleerlingen en alle leraren, iedereen die ik op school of op straat voorbijliep, begreep direct dat ik door een ouder was getuchtigd. Het was een grote gene voor mij! Vijf of zes dagen heeft het geduurd voordat de striemen niet meer te zien waren. De halve stad heeft kunnen zien dat Pimmy was gestraft. Toch heb ik me niet zoveel voor mezelf geschaamd, als wel voor mijn vader. Vanaf dat moment was hij voor mij van zijn voetstuk gevallen. Hoewel we er nooit meer over hebben gesproken, voelde ik dat hij zich ook diep heeft geschaamd dat hij mij dit moest aandoen. Schaamtegevoelens zijn wellicht niet te vermijden. Het is mijn wens dat niemand op aarde zich ooit voor mij zal schamen.

[Column verschenen in de reeks Hallo Paramaribo! in dagblad De Ware Tijd van zat 8/zon 9 april 2017.]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter