blog | werkgroep caraïbische letteren

Persoonsnamen in de Hindoestaanse cultuur in Magenta

door Bris(path) Mahabier

1 Inleidende algemene opmerkingen
Mijn doel is om een beschrijving te geven van de voor-, roep- en bijnamen in Magenta van vroeger, vanaf de jaren vijftig tot 2017. Zo wil ik een deel van de lokale cultuurgeschiedenis vastleggen voor geïnteresseerden. Het gaat mij niet om een persoonlijke ontboezeming, maar hoofdzakelijk om een beschrijving van feiten.

Foto © Bris Mahabier

 

 

Waar het mogelijk is, vermeld ik de letterlijke betekenis van de genoemde roep- en bijnamen. Hier en daar komt de eigen mening om het hoekje kijken bij het geven van een toelichting en verklaring. Ik heb zoveel mogelijk rekening gehouden met de privacy, bijvoorbeeld door het weglaten van achternamen. Het ligt voor de hand, dat oudere lezers met Magentiaanse afkomst sommige of vele personages zullen kunnen identificeren. Het gaat immers om historische en bestaande roep- en bijnamen.

Het dragen van een naam is een belangrijk deel van ons mens-zijn, dat in onze cultuur is ingebed. Zo’n naam behoudt men in het algemeen zijn leven lang. Taal, met name de moedertaal, etniciteit, voor- en achternamen zijn enkele voorbeelden van identiteit beïnvloedende en zelfs medebepalende cultuurelementen. Tussen de eigen religie, de moedertaal en de (voor)naamgeving is er een direct verband. Dit geldt in Suriname voor alle bevolkingsgroepen. Het gebruik van bijnamen is niet uniek voor de Hindoestaanse Surinamers. Over de mate waarin Hindoestaanse bijnamen gebruikt worden, valt er niets met zekerheid te zeggen. Gebruikt men in Magenta en omstreken meer bijnamen dan elders, in Kwatta of Meerzorg? Ook dit weten we niet. Oudere Haagse Hindoestanen, van boven de vijftig, maken wel ‘eens’ gebruik van bijnamen, vooral op en rond voetbalvelden en in hun onderlinge gesprekken in het Sarnámi, hun moedertaal. In het Haagse Zuiderpark maak ik dit in de zomer mee als vrienden, familie en kennissen daar voetballen.

 

 

Verstedelijking in Magentaweg. Foto © Bris Mahabier

2. Hindoestaanse persoonsnamen
Hindoestaanse antroponiemen (persoonsnamen) staan al minstens een decennium in mijn belangstelling. Als ik jaarlijks tweemaal in Magenta voor zes tot acht weken met vakantie ben, denk ik aan de vele roep- en bijnamen die mijn leeftijdgenoten en ouderen hadden, maar ik hoor ook in gesprekken met familieleden en buurtgenoten telkens weer de huidige bijnamen. Ik kan ruiterlijk toegeven, dat ook mijn persoonlijke ervaring met bijnamen bijgedragen heeft aan de groei van mijn belangstelling voor dit onderwerp (zie verder onder tussenkop 5). Volgens mij is het geven van bijnamen vooral een aangelegenheid van dominante figuren in een peergroup (leeftijdsgroep). Een bijnaam kan na verloop van tijd als een roepnaam aanvaard zijn. In een gesprek – een jaar of zes geleden – met een hoogopgeleide, mondige nicht van mij gebruikte ik de naam Pradeep voor een van haar neven van vaderskant, die op een steenworp afstand van haar ouders woont. Terstond vroeg ze mij: ‘Ájá (grootvader), wie is Pradeep? O, heet Bláká zo? Dat wist ik niet.’ In mijn dagelijkse communicatie in Magenta probeer ik de bijnamen niet of zo min mogelijk te gebruiken. Sommige van deze namen zijn neutraal of onschuldig, anderen gaven iets positiefs aan, bijvoorbeeld de roepnamen Popkiyá en Popká (mooi als een pop), maar andere roepnamen vond ik vreemd, onder anderen Engelán, de roepnaam van een van mijn oudere buurjongens van de jaren vijftig. Misschien was deze roepnaam afgeleid van Engeland. Bij navraag kon niemand van zijn familie mij de juiste verklaring voor deze naam geven. Ook waren er roepnamen die in het begin plagerig of zelfs pesterig waren, bijvoorbeeld Lúll (Loell): misschien afgeleid van lul of van het Sarnámiwoord lulá, dat betrekking heeft een op een fysiek gebrek in de zin van lam, aan een hand verlamd of kreupel, terwijl de persoon in kwestie lichamelijk niets mankeerde. Dit geldt ook voor de roepnaam Káni (eenogige, slechtziende). De twee dames die Káni werden genoemd – nu in de tachtig – zijn nog altijd in het bezit van hun gezonde ogen. De jongere broer van Lull werd Gung genoemd; afgeleid van het Sarnámi woord gungá: stom. Met zijn spraak was er niets mis. Hij was spontaan en spraakzaam; heeft enkele jaren in een toneelstuk de rol van koning gespeeld. Het kan zijn, dat Gung als kleuter of later minder sprak, of niet direct reageerde als hij aangesproken werd. Vroeger gaven sommige ouders, nadat een of twee van hun kinderen jong gestorven waren, de nieuwgeborene een lelijke naam als bescherming tegen kwade geesten.

 

3. De voornaamgeving in Magenta
De wetgever heeft in Suriname en Nederland bepaald binnen hoeveel dagen de ouders verplicht zijn de geboorte van hun kind met de bijbehorende naam of namen bij de burgerlijke stand te laten registreren. Elk individu krijgt van zijn ouders – soms van een ander familielid met wie de ouders een goede band hebben – reeds enkele dagen na zijn geboorte minimaal één voornaam. In onze boiti (lintdorp) gebruikte men zelden twee voornamen. In de westerse cultuur wordt een deel van de kinderen naar hun ouders, grootouders of andere naaste familieleden vernoemd, soms als een tweede voornaam. Dit doet men uit traditie of liefde. Vernoeming naar de vader (patronymicum) of de moeder (matronymicum) komt in de Surinaams-Hindoestaanse cultuur niet of nauwelijks voor. Ook in Magenta gebeurde dit zelden: slechts één kind (Johan) is naar zijn grootvader (náná) vernoemd.

Het gebruik van westerse voor- en roepnamen bleef bij ons beperkt tot een kleine groep: Karel, Johny (tweemaal), Koen(wá), Johan, Joel(iyá), Polká, Robby, Béiyá en Jan. Slechts vier meisjes hadden een Europese voornaam: Wilhelmina/Mien, Annie, Anna, en Els. Opvallend waren de niet-Hindoestaanse voornamen van schoondochters in één familie: Francisca, Marietje, Nelly, Lientje en Louise. Vooraanstaande árya samáji’s van Magenta, waaronder twee pandits, waren in de jaren vijftig en zestig fel gekant tegen Europese en christelijke voornamen. Dit standpunt van árya samáji’s kreeg na de terugkeer van J.H. Adhin uit Nederland een flinke stimulans. Adhin, zelf drager van een oer-Hollandse voornaam die hij inventief verhindiseerd had [van Jan in Jnan (de wijze) – red. CU] , was – in het kader van het streven naar behoud en versterking van de eigen cultuur en identiteit – een groot voorstander van goed gespelde Hindivoornamen.

 

Namavali van Jnan H. Adhin, 1986.

Ouders kiezen een voornaam soms om een wens uit te drukken, een eigenschap aan te geven of omdat ze het mooi vinden. Tegenwoordig komt het voor, dat voornamen al vóór de geboorte gekozen worden. Omdat men in Suriname het geslacht van het ongeboren kind niet weet/wist, kiest/koos men een jongens- en een meisjesnaam. Sommige ouders maken hierbij gebruik van de kennis van verwanten of boezemvrienden, of van lijsten van jongens – en meisjesnamen, die te vinden zijn in het boekje Namavali van de hand van Jnan H. Adhin (1979) of in Hindostaanse voornamen van Motilal Marhé (1991). In beide boekjes wordt er van de officiële spellings- en transcriptieregels van het Hindi gebruik gemaakt. Sommige pandits zijn in het bezit van een fotokopie of een exemplaar van het boekje van Adhin of Marhé. In het boekje van Marhé staan ook de betekenissen van de hindoe- en moslimvoornamen aangegeven. In beide boekjes komen er geen Europese voornamen voor. Zelf heb ik in de jaren zestig voornamen van enkele neven en nichten mogen kiezen, zoals Ursila, Urmila, Virun, Vinod, Sandhya en Reshma. In Nederland was er bij de keuze van voornamen voor mijn eigen twee kleinkinderen – helaas – geen rol voor mij weggelegd!
Met de frequente vertoning van Bollywoodfilms na 1950, eerst in Paramaribo en later in enkele andere plaatsen (o.a. Indira Gandhiweg, Meerzorg, Commissaris Weytingweg, Groningen en Nieuw-Nickerie), werd de voornamenschat in het Hindi en Urdu flink uitgebreid. Dit betekende ook in Magenta de introductie van nieuwe voornamen. Jonge ouders begonnen moderne voornamen van acteurs, personages, muzikanten en zangers uit Bollywoodfilms te gebruiken. Deze ontwikkeling begon in onze familie al in de jaren vijftig met het gebruik van de roep- of voornamen: Dilip (naar de acteur Dilip Kumar), Johny (Johny Walker, een acteur), Shardá (naar de film Sharada 1957), Asha (zangeres Asha Bosle), Kapoer (Raj Kapoer, een acteur), Mukesh (zanger Mukesh), Mahendera (zanger Mehendra Kapoor) en Sunil (acteur Sunil Dutt).

 

Hindostaanse voornamen, van Motilal Marhé, 1991.

Sanátani hindoes van de Magentaweg (Wanica, Suriname) maakten vroeger, tot omstreeks 1950, bij de naamgeving van een pasgeborene gebruik van de astrologische kennis van hun brahmaanse purohit, de ‘huis-pandit’ of familiepriester. Na raadpleging van zijn eeuwenoude patrá, een astrologische almanak, adviseerde de pandit (hindoe geestelijke) een voornaam en ook een rási ke nám, deel uitmakend van een soort geboortebrief. De laatste was een geheime naam, die buiten de officiële registratie werd gehouden en alleen bekend was bij ouders, grootouders en enkele naaste familieleden. Mijn rási ke nám is verloren gegaan. Ooit, in mijn kinderjaren, heeft mijn jongst phuwá (vaderszuster) deze naam in mijn oor gefluisterd, want vreemden mochten het niet te weten komen; anders liep je een bepaald risico, waarvoor de gelovigen bang waren. Ik ben mijn geheime naam kwijt.
Bij de keuze van de voornamen van enkele van mijn vaderszusters lieten mijn grootouders (en de pandit) zich leiden door de geboortedag: Mangrie (op mangar = dinsdag geboren), Sanicaria (roepnaam, sanicar = op zaterdag geboren) en Soekhradjia (sukh = vrijdag). Andere voorbeelden in Magenta van vernoeming naar de geboortedag: Boedhia en Boedhoe (budh = woensdag), Atwaria (atwár = zondag), Somaroe, Somai en Somariya (sommár = maandag). Opvallend is, dat de oudste zuster van mijn vader Cicilia Martha heette en getrouwd was met de Indiër Lalsingh.
Enkele árya samáji ouders kozen namen van Indiase árya samáji’s van het eerste uur, historische figuren of rishi’s: Shardhanand, Dewraj, Ramdew, Aryamitra, Vishwamitra, Subhas, Shamráj, Bharat, Arjun, Mahipal, Pyarelal, Udaibhan, Udal enz. Voornamen kunnen ook om esthetische reden gekozen worden, bijv. Zuri.

 

Bris Mahabier voert het woord tijdens het Sarnami-congres, 6 mei 2017, Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

4. Brishpath, mijn voornaam
R. Doebe, de sanátani familiepandit van mijn grootouders en ouders, woonde in Magenta. Bij mijn geboorte kreeg ik van hem mijn voornaam Brispath en mijn geheime rási ke nám. Als jonge onderwijzer heb ik mijn voornaam – door weglating van de tweede lettergreep – afgekort tot Bris, die mijn roepnaam werd. Feitelijk is mijn voornaam een verandering (verbastering) van Brihaspati, een Sanskrietnaam die minimaal 4.000 jaar oud is. Deze naam komt in enkele mantra’s van het eerste hoofdstuk (mandalá) van de Rigveda voor.
Bij mijn afstuderen in Utrecht memoreerde de indoloog Peter van der Veer, mijn scriptiebegeleider, enkele betekenissen van de naam Brihaspati. 1. Brihaspati is een devatá (een bovennatuurlijke entiteit) in de Rigveda die een bemiddelende rol speelt bij offers aan God of andere devatá’s. 2. Brihaspati was ook de purohit, de priester van de bovennatuurlijke devatá-gemeenschap. 3. Brihaspati is de Sanskrietnaam voor de planeet Jupiter en de naam van donderdag. Misschien ben ik op een donderdag (brahaspativár) geboren, vandaar dat pandit Ramchabiele Doebe mij Brispath als voornaam gaf. 4. Andere betekenissen van Brihaspati zijn: rishi (ziener), intelligent, guru (goeroe, leermeester) en welbespraakt. Kortom: Brihaspati wordt in de Rigveda geassocieerd met spraak en kennis.

5. Mijn vier bijnamen
Reeds in mijn kinderjaren moest ik ervaren, dat in de etnisch homogene gemeenschap van Magenta en de aangrenzende Vierkinderenweg (Lielboiti) velen, vnl. jongens, naast hun roepnaam (ghar ke nám = thuisnaam) ook een bijnaam hadden. De roepnamen en de troetelnamen kregen ze bijvoorbeeld van hun ouders. De bijnamen kwamen vaak van anderen, soms zelfs van eigen leeftijdgenoten. Sommige van deze bijnamen waren – helaas – pijnlijk. Zeker in mijn beleving als puber en ook in mijn latere jaren.
In Magenta, mijn geboorte- en woonstraat, had ik geen bijnaam, maar als ik bij mijn jongste phuwá (vaderszuster) was, die aan het huidige Magentakanaalweg woonde, moest ik verdrietig ervaren wat voor gevoelens een lelijke bijnaam bij je veroorzaakte. Twee oudere buurjongens van mijn tante noemden mij, ik denk vanaf mijn tiende jaar, ban bilárá (boskater). Zij riepen, zodra zij mij zagen luidkeels ban bilará naar mij. Soms maakten zij ook kattengeluiden. Ik vond dit erg pijnlijk. Mijn oom en tante hadden niet in de gaten, dat ik op deze manier gepest werd. Meestal liep ik – zachtjes enkele regels van de Hanuman Calisa zingend (die als beschermend worden beschouwd) – zoveel mogelijk verscholen achter de struiken op de dammetjes en in de droge rijstvelden door om ongezien door deze kwelgeesten bij mijn oom en tante binnen. De boosdoeners woonden op een afstand van ongeveer 75 meter van mijn tante en vooral door de vele dicht op elkaar groeiende fruitbomen in haar tuin kon ik dikwijls ongezien blijven. Ik heb niemand verteld, dat ik op deze manier gepest werd. Dit pesten heeft een jaar of drie geduurd. Zij vroegen eens aan mijn tante waarom ik de laatste tijd weinig bij haar langs kwam. Mijn phuwá (tante) vertelde hun, dat ik op een barká skul (grote school, de mulo) in Paramaribo zat, dat ik al Hindi kon lezen en dat ik leerde om Hanumán pujá te doen. Misschien was dit de reden, dat ze mij voortaan met rust lieten. Hun familie was pujári van Hanuman.
Op de Büchnerschool, een protestantse lagere school in een volkswijk in Paramaribo-Zuid, was er een oudere creoolse jongen die mij een jaar lang met de bijnaam Bigi Ai (groot oog in het Sranantongo) aansprak. Gelukkig zat hij niet in mijn klas. Geen van mijn klasgenoten had contact met hem. Deze bijnaam vond ik niet plezierig, maar mijn ogen waren (zijn) wel opvallend groot zijn. Hij was hij de enige die deze bijnaam ongeveer een jaar gebruikte.
Op de avondkweekschool kreeg ik twee onschuldige bijnamen. Vanwege mijn lichaamslengte werd ik door medestudenten Lángá (lang in het Sranantongo, de lingua franca van Suriname) genoemd. Deze bijnaam vond ik plezierig! Ik kende de betekenis van opvallend veel moeilijke Nederlandse woorden. Als vierderang onderwijzer op de oude-plantage Bakkie in Commewijne en als eerstejaarsstudent aan de Avondkweekschool leerde ik de betekenis van heel veel vreemde worden uit het hoofd uit een zakwoordenboek van Koenen met een donkerrode omslag. Dit bezorgde mij de bijnaam Koenen, geïnitieerd door mijn vriend Remy Sriram.

 

Ratkali en Reshma. Foto © Bris Mahabier

6. Verandering van een voornaam: Rátkali vervangen door Reshma
In Magenta was er nog een figuur die in enkele gezinnen bij de keuze van voornamen een belangrijke rol heeft gespeeld. Inginia, een oude bevoegde Indiaanse vroedvrouw, koos voor enkele baby’s een voor- of roepnaam. Zo gaf zij een nicht van mij de roepnaam Els. De officiële voornaam van mijn nicht werd Rátkali, een term met een suggestieve betekenis. Inginia, de vroedvrouw, zou in plaats van Rájkali, de gewenste voornaam, Rátkali bij de burgerlijke stand hebben opgegeven. Het kan ook zijn, dat de dienstdoende ambtenaar een schrijffout heeft gemaakt. Als muloleerlinge had Els al moeite met haar voornaam Rátkali (rát = nacht, kali = loot, twijg, nakomeling). Om deze naam werd ze door schoolgenoten geplaagd. Dit werd een bron van ergernis voor haar. Toen Els op de Surinaamse Kweekschool (SKS) zat, heeft zij door middel van een rechtszaak haar voornaam Rátkali vervangen door Reshma. Ook koos zij een tweede voornaam. Rechter mr. Fred Ramdat Missier toonde begrip voor haar argumenten en willigde haar verzoek in.

7. Registratie van familienamen
In oude culturen, en ook in de Nederlandse, gebruikte men voor de persoonsaanduiding alleen voornamen, of met toevoegingen van plaats- en vadersnamen, bijvoorbeeld Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, of Jan Pieterszoon Coen. Ook in de oude epen van India komen er bijna altijd alleen voornamen voor, zoals Krishna, Karan en Kunti. Het was de Franse keizer Napoleon Bonaparte (1769 – 1821) die via de Code Civile in 1804 onder anderen het gebruik van een achternaam (familie- of geslachtsnaam) verplicht stelde voor elke burger in zijn rijk. De koloniale regering heeft – vele jaren later – deze wetgeving in Suriname ingevoerd.

De Hindoestaanse contractarbeiders uit het toenmalige Brits-Indië werden in Suriname alleen met hun voornaam aangeduid. De meesten hadden slechts een voornaam. Het contractnummer van elke man, vrouw of kind bestond in het begin slechts uit een hoofdletter en een nummer, later uit een hoofdletter gevolgd door een kleine letter daarna een schuine streep met een nummer erachter. Elke aangevoerde Hindoestaan werd op deze manier door de Agent-Generaal geregistreerd. De nummers liepen op jaarbasis door (zie in het onovertroffen handboek van C.J.M. de Klerk C.ss.R., 1953, p. 83–84). De registratie gebeurde enkele dagen na het debarkeren. Hierna volgde de distributie van de aangevoerde arbeiders.
Mijn á (vadersvader) stond geregistreerd als W/759. De hoofdletter gaf het jaar van aankomst aan. Tot 1889 gebruikte men een hoofdletter, daarna een kapitaal en een onderkast. In W/759 staat de W voor 1894, het jaar van de aankomst van mijn ájá en hij was de 759e contractant die in dat jaar in Paramaribo is aangevoerd.

De Hindoestaanse contractarbeiders en de vrije kolonisten hadden bij hun aankomst in Paramaribo nog geen familienamen. In 1916 mochten zij, van wie het arbeidscontract geëxpireerd was, en die zich in de kolonie hadden gevestigd en hun kinderen, voor het eerst een familie- en een voornaam kiezen. Bij een groep was de gekozen achternaam eventueel met een titel een directe verwijzing naar de twee ‘hogere’ kasten, de brahmaanse en de kshatryakaste (chatri). In Magenta was er een persoon met de brahmaanse kastetitel Dube (Doebe, hetgeen betekent kenner van twee Veda’s). Namen die op de uitgang singh of sing eindigen, behoren tot de chatri-kaste, bijvoorbeeld Chandrabose Lalsingh (zijn nakomelingen wonen niet meer in Magenta, dit geldt ook voor pandit Ramchabiele Doebe), Babu Nandpersad Sheombarsing en Alwin Ramtahalsing. De familienamen Lalaram (afkomstig uit Punjab in India?), Ramgoelam, Raghoebier, Somai, Mahabier, Raghunath, Ramawadh, Ramanand, Ramcharan, Sheombar, Gogar, Ganga, Kalidien en Sripal behoorden aanvankelijk tot de kurmi-kaste, terwijl Ramautar, Ganeshi, Rewat, Soekhoe, Jiawan en Paltan tot de agrarische kaste van ahirs gerekend worden. De kurmi’s en ahirs behoren tot de traditionele derde varna, aanvankelijk een klasse, later verworden tot erfelijke játi-groepen. In Magenta is het kaste-sentiment bij de kurmi’s en ahirs bijna volledig verdwenen, vooral bij de vele families en jongeren die tot de árya samáj-stroming behoren.

 

Dáni Burhiyá (bijnaam)

Bepaalde (officiële) voornamen werden in het dagelijks leven afgekort, bijvoorbeeld Dewraj tot Dew, Biesram tot Bies, Ramdew tot Ram, Saliekram tot Saliek, Maniekram tot Maniek, Ramawadh tot Audhu, Dewnarain tot Dew, Harikapoer tot Kapoer, Kaliyanchandre tot Kalyan, Tribeni (afgeleid van Trivedi: kenner van drie Veda’s) tot Beni, Chandra Bose tot Bose en Rambrich tot Rám. De ingekorte vorm werd als roepnaam gebruikt. Ook enkele roepnamen werden ingekort bijvoorbeeld Bipat Narain (= door God gegeven tegenspoed!) werd Bipat.

Sommige voornamen en roepnamen werden in het dagelijkse spraakgebruik vervormd door toevoeging van klanken ‘wa’ of een andere klank aan het eind van de naam, bijvoorbeeld Anna – Anwá, Rámdew – Ramdewá, Bies – Bieswá, Brispath – Brispathwá, Moen – Moenwá, Doháli – Dohaliyá, Chot – Chotwá, Bisoen – Bisoenwá, Chico – Chicowá, Náte – Natwá (kleine), Dilip – Dilipwá, Moti – Motiya (parel), Bél – Belwá, Tota – Totwá, Bhagdat – Bhagdatwá, Toti – Totiyá, Mahabal – Mahabala, Madan – Madanwá, Choti – Chotiyá enz.

Bepaalde troetelnamen groeiden uit tot roepnamen: Bep (baby), Gudu (schat), Betá (zoon), Betáuw (zoon), Beti of Bét (dochter), Bhoiyoi (broertje?), Bitiwá (dochter), Suguwá en Sugiyá (afgeleid van suggá = papegaai), Popká (zoon zo mooi als een pop), Popkiyá (dochter als een pop), Bucci (kleine), Mun, Munná (kleine), Barká (grote), Barkán (de grotere, de oudere), Chotkán (de kleinere), Barká bhaywá (oudere broer), Jhinká bhaywá (jongere broer), Toti (afgeleid van totá = papegaai?), Doháli, Akká, Barká en Chotká Nánh (kleine), Beebiyá (van baby afgeleid), Dheliyá (?), Celiyá, Biriyá, Phulwá, Totá, Manyoro (majoor), Mien, Bitti enz. Mijn jongste phuwá noemde mij Lakrosá (lakri = hout) omdat ik mager was. Zij was de enige in de familie die deze troetelnaam gebruikte. Mijn jongere broer werd door haar Manaiá (mens) genoemd.

Bepaalde roepnamen zijn gebaseerd op leeftijd, zoals Barkaniyá, Barká Bhái, Chotká Nánh, Nanká (jongere zoon)enz. Sommige roepnamen hebben betrekking op fysieke kenmerken, zoals Burú (afgeleid van boer, persoon met lichte huidskleur), Kallú (kálá = zwart, donkere huidskleur), Patrung (patrón, patroon, op een Chinees lijkend), Náte (nátá = korte), Natuli (korte vrouw), Lijkwá (lijkbleke vrouw), Curailiyá (heks), Jangali (bosbewoner), Dhodháre (corpulente), Sikahwá (iemand met siká’s) enz. Andere roepnamen hadden met karaktereigenschappen te maken, zoals Jahri (een vrouw met een giftige tong), Phat-Phatahiyá (praatzieke vrouw), Jalwá (listige vrouw), Gannu (onnozele man), Dalál (makelaar, minder betrouwbaar), Kan-kanaiyá (zeurderige vrouw), Káná (slechtziende, eenogige) enz.
Soms werd de naam van een kind, in Magenta meestal de naam van het oudste kind, gekoppeld aan de verwantschapstermen vader of moeder (teknonymy). Die werd dan als aanduiding van personen, ook als roepnaam gebruikt: Bhárat ke mai, Banwári ke báp, Ramdat ke mái, Bhagdat ke báp, Tehrai ke mái, Bhawáni ke mái, Pudun ke mái, Doháli ke dádá, Toti ke mái, Pyarelal ke báp, Bose ke mái, Rammurtiyá ke mái, Candriká ke mái, enz.

 

9. Bijnamen
Bijnamen impliceren meestal iets ongunstigs, plagerigs of zelfs iets pijnlijks, beledigend en krenkend. Bij beledigende bedoeling kunnen we liever spreken van scheldnamen. Vele negatieve bijnamen werden/worden niet als roepnamen gebruikt, zoals Kanwá, Dhodháre, Camainiyá (vrouw behorend tot een lagere kaste), Motu (dikkerd), Moenpop, Laywá, Bhaksahwá en Cilam (pijp).
Een aantal minder schuldige bijnamen werden roepnamen van Magentianen die niet meer in leven zijn: Anto (op een Javaan lijkend), Básrá (bastaard), Báyá, Bél (bel), Birgá (brigadier), Bhandári (kok), Bhaluwá (wolvin), Bigar, Bitan, Bomá (boa), Bomain (vrouw van Bomá), Brábhan (brahmaan, lichte huidskleur), Bucun, Buru (Nederlandse boer, lichtkleurige), Canká, Conká, Chotkua, Dalál (makelaar, …), Dáni burhiyá (gulle bejaarde), Dáge (schutter), Darhiyár (baarddrager), Doháli, Donko (domkop), Englán, Jahri, Jalwá, Jodhain (vrouw van Jodha), Jangali, Juliá, Kóp, Lamfu, Leki, Loop, Mahto, Lungháre, Manjhá (manager), Meghwá (pad), Mor-bhái (mijn broeder), Moch (snor), Peshkár (procureur-generaal), Natwá (korte), Kewwá, Patrum, Natuli, Patáká of Paták, Popká, Polká, Patarki, Symbool, Toti, Tjon-tjon, enz.

 

Chico (kind, roepnaam, eigenlijk: R. Mahabier). Foto © Bris Mahabier

 

Van een beroep afgeleide bijnamen/roepnamen: Kopmán (koopman), Oppáser (verpleger), Safeer (chauffeur), Wachter, Meester, Master (Hindileraar), Monteer (monteur), Kantoroman (ambtenaar), Dukándár (winkelier), Fowruman (kippenkoopman), Vervimán (huisschilder), Timremám (timmerman), Brandweer (brandweerman) en Ogem (werkzaam bij het vroegere energiebedrijf Ogem).

.
Enkele toponimische bijnamen die uiteindelijk roepnamen werden: Kandáli (afkomstig van Kandál, een van de Leidingen in Wanica), Kilaihiyá (afkomstig van Nieuw–Amsterdam, door Hindoestanen Kilá (fort) genoemd), Sarmakahiyá (afkomstig van het district Saramacca), Madrási Bábu (uit Madras (Chennai) in India afkomstig).
Ook in de aangrenzende Lielboiti waren er opvallende bij- en roepnamen: Bhandári (kok), Chakkan, Cinnu (Chinees), Danni, Gattu, Ghanti (bel), Gorki (blanke), Guduni, Gulár, Gapole, Gissu, Ghuturu, Melkmán, Naidu, Nèur (wolf), Pallu, Pól, Purni, Saiyádá, Sawnrá (donker van huidskleur) en Siaina (zwart als inkt?).

 

Het onderscheid tussen bijnamen en roepnamen kan in de loop der jaren vervagen. Bijnamen die anno 2018 als roepnamen in Magenta worden gebruikt zijn: Baas, Bomá, Bam-bam, Bérè, Beeyá, Bitti (dochter), Bláká (zwarte), Bláki (zwarte), Chico, Cucu, Digiyá, Gán, Gannu, Geriyá, Godvader, Hábi Fowru (heb kippen), Hondá, Kalegánw, Kárli (vrouw van Karel), Káni (beide vrouwen wonen in Nederland), Kopro (koper), Dozá, Mámá, Monteer (automonteur), Matko, Meester, Pákam, Pandit, Pasarain (de vrouw van oppasser), Páyo, Pèlè, Pullu, Suguwá (papegaai), Sumuwá, Sesh, Shaggy, Tante en Teenager.

5 comments to “Persoonsnamen in de Hindoestaanse cultuur in Magenta”

  • Commentaar is voor mij persoonlijk een te geladen woord en daarom benader ik het anders. De opsomming aan feiten, waarheden, speculaties e.d. zijn zorgvuldig gedaan. En het is zeker fijn historische kenmerken en waardigheden hierin terug te zien. Voor mij, geboren en getogen in Meerzorg, heb ik hierin zeer herkenbare en waardevolle feiten kunnen zien welke ik ook van dichtbij en van afstand heb meegemaakt. Het zij zo.

  • Leuk geschreven en goed onderbouwd. Vooral herkenbaar door spiegeling in eigen omgeving en cultuur.

  • Kwatta ,voorbij de Derde Rijweg, waar ik vandaan kom verschilt bitter weinig van Magenta. De gekoppelde historie aan een bijnaam is interressant. Helaas is er geen gemeenschapzin meer op kwatta. De bijnamen worden nu geboren op de scholen. Soms sta je verstelt van de bijnaam die voor je is gekozen, terwijl je dat niet eens bent!
    Goed artikel en verdient een pluimpje vooral omdat het herkenbaar is voor elke buurt. Mijn buurt zou ook heel wat opleveren.

  • De auteur heeft mijns inziens zijn doelstelling ruimschoots behaald. Hij heeft een belangrijk aspect van de Hindostaanse cultuur in Magenta breedspectraal voor het nageslacht vastgelegd.
    Deze beschrijving van voor-, roep- en bijnamen is naar mijn mening integraal toepasbaar voor elke woonoord in Suriname.
    De etymologische achtergrond, de emotionele bagage en de denigrerende wansmaak van vele bijnamen zijn perfect beschreven.
    Velen van ons gingen en gaan gebukt onder bijnamen met pijnlijke en krenkende wansmaak. Voor hen heb ik een pleister op de wond: what’s in a name.
    Ik complimenteer de auteur met zijn baanbrekend en helder artikel over een belangrijk aspect van Hindostaanse cultuur.

  • Een zeer rake typering en zeker herkenbaar voor de meeste Surinaamse Hindostanen. Ik heb tot mijn veertiende op Saramacca en later Paramaribo gewoond en heb ervaren, eigenlijk best onbewust, hoe uitgebreid bijnamen ingeburgerd waren. Zo weet ik dat mijn vader bij de meeste dorpsgenoten, familie vrienden en kennissen vrijwel uitsluitend met zijn bijnamen werd geduid, sterker nog, als kind heb ik heel lang gedacht dat het zijn echte namen waren! Ook ik heb er een paar meegekregen en het is best een aparte ervaring als ik heel soms door personen die mij in Suriname hebben meegemaakt, mij nog steeds met een oude bijnaam aanspreken.
    De auteur verdient een compliment voor zijn belichting van dit onderwerp.

1 Trackback/Ping

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter