blog | werkgroep caraïbische letteren

Nydia Ecury – een portret

door Zaza de Ridder

Biografie
“Nydia Ecury, ofwel volledig Nydia Maria Enrica Ecury, is op 2 februari 1926 geboren op Aruba als negende van dertien kinderen (Joubert 2013, 7). Haar vader, Segundo ‘Dundun’ Ecury, was ereconsul van Haïti en van Arubaanse afkomst, met voorouders in Afrika. Haar moeder, Shon Annie Ecury-Ernst, was een weeskind uit Curaçao van waarschijnlijk Duitse komaf, haar vrije tijd besteedde zij graag aan het maken van gebak. Nydia studeerde in Canada en schreef als journaliste stukken voor de Lago-raffinaderij op Aruba. In 1957 verhuisde zij naar Curaçao, waar ze Engelse les ging geven op onder andere de Nilda Pintoschool en ook privélessen gaf in Papiaments. In 1960 trouwde ze met de Nederlandse Wilhelm Eduard Isings. Zij kregen twee kinderen: Caresse Isings Ecury en Wilhelm Alexander Isings. In 1964 scheidde Nydia van Wilhelm Eduard, waarna ze in haar eentje de kinderen opvoedde.

 

Nydia Ecury

Naast haar taallessen speelde zij toneel en leidde ze ook een toneelgroep voor kinderen (Anoniem 2012a). Nydia was medeoprichter van theatergroep Thalia in 1967, waar ze regisseerde, acteerde en adaptaties maakte van Engelse, Franse en Spaanse stukken om ze toegankelijker te maken voor de lokale bevolking door ze in het Papiaments te vertalen. De groep richtte zich op het lokale publiek, maar speelde ook op internationale festivals (Rutgers 1994). Ook vertaalde ze bekende buitenlandse boeken naar het Papiaments, om ze leesbaarder te maken voor de bevolking daar. Ze heeft bijvoorbeeld Shakespeares Romeo en Julia en Carlo Godoni’s Il bugardio vertaald.

 

Nydia Ecury’s familie

In 1972 publiceerde zij haar eerste eigen werk: Tres Rosea, ofwel drie ademtochten. Dit boek schreef zij samen met Mila Palm en Sonia Gamers en ging over alledaagse onderwerpen. Hierna schreef ze nog verschillende bundels in het Papiaments, Nederlands en Engels; in 1976 Bos di Sanger, stem van het bloed, in 1978 Na mi kurason mará, aan mijn hart verkocht, en in 1984 de bundel Kantika pa Mama Tera / Song for Mother Earth. Deze bundel was tweetalig in het Papiaments en het Engels. De bundels verschenen allemaal in eigen beheer, zoals gebruikelijk is op de Antillen. In 1995 verscheen de bundel Un sinta den bientu en in 2003 Luho di speransa. Na haar overlijden verscheen in 2013 de tweetalige bundel Een droom die ik heb / Un soño ku mi tin met een voorwoord van Sidney Joubert. In deze bundel, uitgegeven door Uitgeverij In de Knipscheer, staan eerder gepubliceerde gedichten, gecombineerd met een vertaling van elk van de 23 gedichten.

 

In 1980 speelde Nydia een eenpersoonstoneelstuk Luna di Papel, ofwel papiermaan, samen met het Salsbach Jazz Trio. Hierin combineerde ze haar poëzie met imitaties, stand-up comedy en zang. De cabaretvoorstelling speelde in Willemstad, maar ook op Aruba, Bonaire en in Nederland. Op het podium stond zij vaker; Nydia representeerde de Nederlandse Antillen met regelmaat op literaire festivals in het Caraïbisch gebied, Noord- en Zuid-Amerika en Europa.
In de jaren ’80 schreef Nydia Ecury vertalingen en boeken voor het onderwijs en kinderboeken in het Papiaments. Ook was zij gedetacheerd voor het Departement van Onderwijs, waar ze tot 1987 advies gaf. In 1984 schreef zij samen met Jenny Fraai een orthografie van het Papiaments, waarin ze de officiële spelling wilde vastleggen. Zij kwam nog steeds vaak op culturele festivals en verscheen op radio en televisie, bijvoorbeeld bij het programma ‘Un gota literario’ op Radio Hoyer I (Rutgers 1994). In 1984 mocht ze voorlezen uit haar werk voor koningin Beatrix.

 

Nydia Ecury in haar One Woman Show

Haar werk werd veel geprezen en ze ontving dan ook verschillende prijzen. In 1986 speelde Nydia in de film Almacita di desolato, die in 1991 de FESPACO Paul Robeson-prijs ontving, een prijs voor de beste film van een regisseur van Afrikaanse afkomst. Ook ontving zij in 1972 een gouden eremedaille van het Koninkrijk der Nederlanden en werd ze in 1999 lid van de orde van Oranje-Nassau. Ze werd geridderd in de orde van Oranje-Nassau in 2002. Verder ontving zij in 1996 de Chapi di Plata van de Fundashon Pierre Lauffer en in 2007 de Cola Debrotprijs, een prijs voor culturele bijdragen aan de Nederlandse Antillen. Nydia Ecury is op 2 maart 2012 in Willemstad overleden aan de gevolgen van Alzheimer.
Literatuurhistorische plaatsing
Vanaf de Tweede Wereldoorlog was het Papiaments in opkomst; het werd steeds meer gesproken en geschreven en vanaf 1970 kwam er ook linguïstische aandacht voor de taal. Vanwege het toonaspect van de taal was het lastig om de precieze spelling te bepalen; op een gegeven moment ontstonden er ook twee spellingsvormen, een voor Aruba en een voor Bonaire en Curaçao (Broek 2007). Hierbij is de eerste spelling gebaseerd op de etymologie van woorden en de tweede op de precieze uitspraak van de woorden. In de taal zouden specifieke aspecten van de eilandcultuur naar voren komen. Vanuit een orale traditie op onder andere de radio, ontstond volgens Broek steeds meer een geschreven literaire traditie in het Papiaments. Veel aandacht was hierin voor het onderhouden van het typische toonaspect van de taal in schrift. Ritme en melodie waren bijvoorbeeld erg belangrijk bij de dichters Elis Juliana en Pierre Lauffer. Hun ritmische poëzie was niet alleen aantrekkelijk voor de lokale bevolking, maar ook voor mensen die geen Papiaments spreken.

 


Elis Juliana en Pierre Lauffer waren beide dichters van Curaçao die in dezelfde tijd schreven als Nydia Ecury en veel hebben bijgedragen aan de culturele ontwikkeling van het Papiaments. Lauffer gebruikte volgens Broek bijvoorbeeld veel oude woorden om zo de taal weer te verrijken. Nydia Ecury heeft ook les gehad van Lauffer op de lerarenopleiding Papiaments en zal dus waarschijnlijk niet alleen pedagogische lessen hebben gehad, maar ook door hem haar taalgevoel verder hebben ontwikkeld (Joubert 2013, 16). Samen met Luis Daal behoorden Juliana en Lauffer tot de Grote Drie van de poëzie in het Papiaments. Daarnaast kwamen ook Henry Habibe, Carel de Haseth en René de Rooy van Curaçao en schreven zij in dezelfde tijd als Nydia Ecury in het Papiaments (Broek 2006). Schrijver Tip Marugg kwam bijvoorbeeld ook uit dezelfde tijd, maar schreef zijn romans en gedichten vooral in het Nederlands. Daarnaast waren er ook andere schrijvende vrouwen op de Antillen; Diana Lebacs schreef toneel in het Papiaments en daarnaast ook jeugdboeken. Ze speelde een grote rol bij de ontwikkeling van de taal en jeugdliteratuur. Verder schreven na de Tweede Wereldoorlog ook de Curaçaose Oda Blinder en Alette Beaujon poëzie in het Papiaments. Blinder schreef onder andere over diepe gevoelens en de liefde, waar Beaujon, het nichtje van Cola Debrot, vooral over typisch Antilliaanse verschijnselen en gevoelens schreef. De kans is groot dat de schrijvers elkaars werk gelezen hebben en hierdoor zijn beïnvloed. Ook is het waarschijnlijk dat Blinder, Beaujon en Ecury elkaar kenden. De twee dichteressen en Nydia Ecury schreven ongeveer in dezelfde tijd op een eiland; daarnaast verschenen Ecury en Blinder ook vaak op het toneel op Curaçao, waar de toneelwereld niet heel groot was.

 

 

Sonia Garmers, Ninfa Palm en Nydia Ecury tijdens de boekpresentatie van ‘Tres Rosea’, Bloemhof 1972.

In 1998 verschenen enkele gedichten van Ecury in Callaloo, een tijdschrift voor Afrikaanse en Afrikaans-Amerikaanse literatuur. Ook in The Literary Review, een Amerikaans literair tijdschrift, zijn in 1992 verschillende gedichten verschenen. In 2001 verschenen twee gedichten en drie verhalen in het tijdschrift Calabash (Hasham e.a. 2007). In 2005 publiceerde zij een Engels gedicht in The Oxford Book of Caribbean Verse en in 2007 verscheen een tot dan toe onbekend gedicht in Journal of Caribbean Literature.
Beschouwing van het werk
Voor de Tweede Wereldoorlog was er maar beperkt gebruik van het Papiaments als culturele taal. De taal werd als een ‘noodzakelijk kwaad’ gezien en de katholieke kerk en de regering beperkten het gebruik ervan (Eckkrammer 2003, 100). Door het beperkte gebruik van Papiaments probeerden zij een eendrachtige culturele identiteit te scheppen. Na de oorlog werd de status van de taal beter, onder andere door de inzet van Ecury (Eckkrammer 2003). Door het vertalen van buitenlandse werken en het opvoeren van toneelstukken kon Ecury andere auteurs motiveren om cultureel werk in het Papiaments te creëren (Claassen 1992). Ook haar eigen toneelspel in het Papiaments zorgde ervoor dat de taal bekender werd als literair vehikel. Hierdoor droeg zij veel bij aan de ontwikkeling van het Papiaments als culturele taal. Nydia Ecury representeerde de Nederlandse Antillen vaak op literaire festivals om de Nederlands-Caraïbische literatuur en cultuur te promoten. Vanwege haar inzet voor het taalbehoud en de literatuur heeft ze koninklijke onderscheidingen gekregen. Haar moedertaal was het Papiaments en daar sprak ze ook vol lof over: “Het Papiaments is zo ritmisch, zo klankrijk, zo beeldend! Ik ben constant verliefd op het Papiaments. Ik ontdek er steeds nieuwe dingen in. Dit is zo stimulerend.” (Rutgers 2016). Om deze reden vond zij het ook fijn om de gedichten te mogen voordragen of te publiceren in het buitenland. In het buitenland kreeg het publiek wel een vertaling van het gedicht in hun eigen taal, maar doordat zij ook het origineel hoorden of lazen, droegen deze publicaties toch bij aan de verspreiding van haar moedertaal.
Ecury’s gedichten zijn dus grotendeels in het Papiaments geschreven. De thematiek van de bundels wisselt met de jaren, schrijft Claassen (1992). De bundel Tres Rosea bespreekt onderwerpen uit de familiekring, zoals de kindertijd met kindermeisjes en vriendschap; alledaagse onderwerpen met hier en daar gedichten met wat meer diepgang. Hierbij wordt vooral het contact met medemensen uitgelicht. Waar haar gedichten in het begin van haar carrière nog vrij luchtig zijn, worden ze in de bundel Bos di Sanger uit 1976 al serieuzer. Hier is Nydia Ecury zich bewust geworden van haar afkomst en de veelzijdigheid hiervan, wat terugkomt in haar dichtkunst. Zij vraagt zich bijvoorbeeld af wat haar voorouders voor haar hebben achtergelaten, of wat voor opdracht zij voor haar hebben (Anoniem 2012a). Dit komt terug de antitheses die zij vormt; leven – dood, heden – verleden en droom – werkelijkheid.

 

De doop van “Kantika pa Mama Tera”

Volgens Rutgers geven de bundels ook aan in welke fase van haar leven Nydia zich bevond (2014). Tres Rosea ging veel over het gezinsleven, wat te maken had met haar alleenstaand moederschap en vrouwzijn. De uitdagingen die hierbij dagelijks opkwamen gaven inspiratie en voldoening als ze problemen oploste (Rutgers 2016). Bij het schrijven van Bos di Sanger ging zij terug naar haar geboorte-eiland Aruba, waar herinneringen en emoties haar overvielen. In deze bundel staat de zoektocht naar haar afstamming centraal. De reis die ze hiervoor gemaakt heeft, heeft dan ook aan de thematiek bijgedragen; ze schrijft op een nostalgische manier over Aruba. Deze bundel liet Nydia ook dopen, alsof het haar kind was (Rutgers 1994). De bundel hierna, Na mi kurason mará, liet zien dat zij juist zaken uit het verleden achter zich had gelaten en vrolijk verder ging. De tweetalige bundel Kantika pa Mama Tera / Song for Mother Earth toonde de doorbreking van de taalbarrière; zij schreef niet slechts in het Papiaments, maar ging ook in het Engels schrijven. Hiermee wilde ze ook de rijkheid van haar taal delen met Engelssprekende mensen, die al wel een geschiedenis deelden met het Caraïbisch gebied (Joubert 2013, 8-9). De vraag is hier natuurlijk wel of dit slechts haar enige reden was om in het Engels te schrijven; er is immers een veel groter Engels dan Papiaments publiek. Het duurde daarna een hele tijd voor haar bundel Un sinta den bientu gepubliceerd werd, in de tussentijd had zij vooral kinderboeken geschreven en vertaald. Deze bundel schippert tussen dood en leven, de geboorte van haar kleinzoon, maar ook de dood van haar zus, die Nydia haar eigen sterfelijkheid deed beseffen.
Bij haar laatste bundel, Een droom die ik heb, heeft zij een strenge keuze gemaakt uit de ruim honderdtwintig eerder gepubliceerde gedichten in haar andere bundels. Deze gedichten werden vertaald in het Nederlands, maar Nydia zag ze eerder als hertalingen; gedichten met dezelfde thematiek, maar wel verschillende versies. Volgens Nydia drukt elke taal immers zijn eigen stempel op een gedicht (Rutgers 2016). In deze bundel onderzoekt zij weer haar eigen positie met betrekking tot oorsprong en levenseinde (Rutgers 2014). De thema’s van de gedichten gaan hier in omgekeerde volgorde; het eerste gedicht begint bij een begraafplaats, het laatste stelt vragen naar Nydia’s multiculturele oorsprong. In de bundel komt naar voren dat haar leven veel strijd en mislukking kende, maar dat Nydia een vastberaden vrouw was die nooit op zou geven. Hoewel zij misschien wist dat bepaalde dromen onbereikbaar waren, bleef ze streven naar haar idealen (Rutgers 2014).

 

Nydia Ecury. Foto © Huygens Instituut.

Nydia was een vrouwelijke auteur in een periode waarin er weinig vrouwelijke schrijvers waren; dit liet zien dat ze over veel moed beschikte om in de eilandelijke gemeenschap toch te publiceren (Rutgers 2016). Hiermee legde zij haar ziel bloot, zonder te weten of het gewaardeerd zou worden. Haar eigen schrijven is dus te zien als emancipatie van de vrouw in de literaire gemeenschap. Tegelijk zijn de vrouwen waar zij over schreef te zien als vooruitstrevend en geëmancipeerd. De vrouwelijke personages in veel Caraïbische literatuur en de manier waarop zij een Kurasoleña-identiteit kunnen creëren staan immers vaak ter discussie (Cornet 2013). Kurasoleña is een woord uit het Papiaments dat de lading heeft van wat het betekent om een vrouw uit Curaçao te zijn. Hieronder vallen bepaalde impliciete karakteristieken waar men het over eens is die bepalen of je wel of niet tot de Curaçaose vrouwen behoort. Dit hangt natuurlijk samen met de vraag wie een ‘echte’ Curaçaoër is en wat dat betekent. Hierbij lijkt er een ontwikkeling te zijn in hoe de Kurasoleña vóór de twintigste eeuw was en hoe zij nu is; haar identiteit wordt steeds complexer en zij probeert de huidige normen te veranderen. Hierbij krijgt de Curaçaose vrouw steeds vaker zelf een stem; dit is het geval in de poëzie van Nydia Ecury. Haar gedichten reflecteren de psychosociale omstandigheden waarbinnen de emancipatie plaatsvond. De emancipatie van de vrouw binnen de literatuur en de emancipatie van de volkstaal binnen de literatuur vallen op dit punt samen in haar werk.
Haar literaire werk

Un soño ku mi tin                      Een droom die ik heb
N’sobra uña.                               Ik heb geen nagels meer.
Ku man sunú                              Met blote handen
m’a koba tene                            heb ik gegraven, vastgehouden.
wanta                                          gewacht,
subi                                             geklommen,
koba                                            gegraven,
slep                                            ben ik uitgegleden,  geschrokken,
spanta                                      teruggegleden,
sak                                            boos geworden,
rabia                                       weer opgestaan,
bolbe lanta                            heb ik gegraven, vastgehouden,
koba tene                              gebeden,
resa                                        gezweet,
soda                                       gehuild,
yora                                      gebloed,
sangra,                                 ben ik
te subi para riba muraya     op de muur
di mi limitashonnan,             van mijn beperkingen
rèk, purba tochi                    geklommen,
maske ta plant’i pia             heb ik me gestrekt
di ekselensia.                         en probeerde ik tenminste
T’un soño ku mi tin.             de voetzool
Te ainda, nada.                       van voortreffelijkheid
Ma mi ta                                 aan te raken.
un muhé kaprichoso
i n’ta pòrnada                         Dit is een droom die ik heb.
ku palabra i ehèmpel            Tot nu toe: niet gelukt.
mi tata a siñami                     Maar ik ben een eigenzinnige vrouw
koko ta wes’i lomba.              en het is niet voor niets
dat mijn vader mij leerde
Tanten tin rosea.                   wat een ruggengraat is.
tin di digui rèk.
Bo n’sa nunka;                        Zolang men ademt
kisas kualke dia asina,           moet men zich blijven
promé ku menta frusa,           strekken –
promé ku kurpa                        je weet maar nooit,
dobla pa tera,                            misschien kan ik een dezer dagen,
lo mi por sikiera                       voor het denken roestig wordt
kishikí                                       en het lichaam zich buigt
su ded’i pia grandi.

(Ecury 2013, 98-99)               naar de aarde,
ten minste
van voortreffelijkheid
de grote teen
kietelen. (Ecury 2013, 52-53).

Zoals Ecury zelf wilde, zijn de gedichten niet naast elkaar afgedrukt in de bundel, maar op verschillende pagina’s in twee delen. De gedichten staan immers op zichzelf en zijn niet slechts vertalingen van elkaar. Zoals te zien is, zijn de strofen ook niet gelijk aan elkaar en is de Nederlandse versie van het gedicht langer dan die in het Papiaments.
Het eerste wat opvalt bij dit gedicht is het gebruik van de vele werkwoorden; er staan wel zeventien werkwoorden achter elkaar. Dit gebruik van werkwoordsequenties is een typische karakteristiek van het Papiaments (Joubert 2013, 16). Daarnaast is er ook nog veel sprake van eindrijm. In het Nederlands komt dit tot uitdrukking door het veelvuldig gebruik van het voltooid deelwoord. Door de herhaling van “ge”, ook wel acconsonantie genoemd, is dit te zien als een anafoor. Hierdoor ontstaat er coherentie en verbindt de lezer de werkwoorden met elkaar. Door deze verbintenis lijkt het graafproces oneindig te duren.
Door deze werkwoorden wordt de taal ook heel beeldend; je ziet de handen van de hoofdpersoon voor je waarmee ze zo hard heeft gegraven. Dit metaforisch gebruik van taal draagt bij aan het begrijpen van het gedicht; juist door het je voor te stellen alsof zij in aarde wroet, begrijp je dat dit graven niet fysiek, maar mentaal gebeurt. Deze beeldspraak wordt weer benadrukt door het gebruik van ‘aarde’ in de laatste strofe: “en het lichaam zich buigt naar de aarde” (Ecury 2013, 52-53).

Wim Rutgers beschrijft een verband tussen het slotgedicht van de bundel Een droom die ik heb en bovenstaand gedicht (2014). In dit gedicht zou er antwoord worden gegeven op de vraag of er een taak of missie voor de hoofdpersoon is weggelegd, of zij de schakel is die generaties moet verbinden. Uit het gedicht Een droom die ik heb blijkt dat hier inderdaad altijd naar gestreefd moet worden. Hoewel de ik-figuur haar best heeft gedaan te graven, te klimmen en vast te houden, is zij uitgegleden, geschrokken en teruggegleden. Dat haar poging mislukt is, betekent echter niet dat zij het niet weer probeert. Hierop volgt dan ook dat zij is “boos geworden, weer opgestaan” (Ecury 2013, 52-53). Na elke mislukking begint zij weer een strijd om tot haar droom te komen. Dit blijkt uit: “ben ik op de muur van mijn beperkingen geklommen, heb ik me gestrekt en probeerde ik tenminste de voetzool van voortreffelijkheid aan te raken” (Ecury 2013, 52-53). Hoewel zij misschien nooit helemaal zal slagen, wil ze een glimp van voortreffelijkheid opvangen, geuit in de metafoor van een voetzool aanraken. Het onderste puntje van perfectie is een goed begin.

De vastberadenheid om niet op te geven blijkt uit de zinnen: “Dit is een droom die ik heb. Tot nu toe: niet gelukt. Maar ik ben een eigenzinnige vrouw en het is niet voor niets dat mijn vader mij leerde wat een ruggengraat is” (Ecury 2013, 52-53). Zij zal niet opgeven, ook al weet ze dat het een droom is die misschien niet werkelijkheid zal worden. Haar vader heeft haar geleerd rechtop te blijven staan en door te gaan. Uit zijn geschiedenis kan je afleiden dat hij een belangrijke baan had en hiervoor vaak zelf ook zijn rug moest rechthouden. Uit het noemen van haar ruggengraat blijkt dat ze hem hierin probeert te volgen. De eigenzinnigheid die ze noemt, lijkt een aanwijzing te zijn dat dit een autobiografisch gedicht is. In het voorwoord van haar bundel noemt Sidney Joubert Ecury ook een eigenzinnige vrouw (2013, 9-10). Dit vanwege haar tegendraadsheid en het feit dat zij anders was dan veel mensen op het eiland, wat niet altijd als positief gewaardeerd werd. Zij liet zich niet weerhouden door de sociale beperkingen die vrouwen op Curaçao ervoeren, maar besloot zelf hoe ze wilde leven als werkende, gescheiden vrouw. Dit bleek ook uit haar beslissing om in haar eentje een cabaretvoorstelling te maken, waarbij ze de regels van de schouwburg ook nog naar haar hand zette. Ook de vastberadenheid van Nydia Ecury zelf, die Rutgers (2014) noemt in het Antilliaans Dagblad, komt terug in dit gedicht; dit duidt erop dat het haar eigen droom is die ze – zolang als ze kan – zal blijven nastreven. Deze autobiografische aanwijzingen zorgen er naar mijn idee ook voor dat je als lezer empathie voelt richting Ecury, omdat zij zich zo kwetsbaar opstelt. In combinatie met de indrukwekkende beeldspraak voel je bij het lezen van het gedicht mee met de worstelingen die zij meemaakt en ervaart.

Nydia Ecury. Portret door Nicolaas Porter

Literatuurkritische receptie
Volgens Brenda Hasham e.a. is Nydia Ecury “considered the grande dame of poetry in Papiamentu” (2007, 129). Nydia had een goede reputatie en won daarom ook veel literaire prijzen. Geliefd was onder andere haar humor, die naar voren kwam bij haar cabaretvoorstellingen, maar ook in haar gedichten (De Haan 2013). Aan de andere kant zorgde Ecury met haar gedichten voor zelfreflectie bij haar lezers. Zij zagen zichzelf terug in haar poëzie en leerden hierdoor zichzelf kennen. Ook kritiek op het Nederlandse leven en Nederlandse mensen was Ecury niet vreemd; zij beschrijft het eilandse leven met liefde en warmte, tegenover het kille Nederland. Dit is een fenomeen dat vaker terugkomt bij Caraïbische schrijvers; Jos de Roo schrijft over het terugkerende verlangen naar Nederland in de Caraïbische literatuur en de uiteindelijke teleurstelling wanneer het daar tegenvalt of anders blijkt te zijn (De Roo 2002). In Ecury’s gedichten komt haar afstamming dan ook vaak terug. Hoewel de poëzie vaak vrolijk of speels is, zijn de onderwerpen soms zwaar en vol van historie.

Levity Peters roemt Een droom die ik heb – niet om de onderwerpkeuze of het taalgevoel, maar om de echtheid van de bundel (2014). Het is poëzie die volgens hem aan zijn leven raakt; eenvoudig en volmaakt. Vanwege de openheid van Nydia Ecury zijn haar gedichten zo warm en levendig; zij had “haar hart op de tong, en de taal leefde in haar hart” (Peters 2014). Zij kon haar eigen zwakheid blootgeven, wat juist een teken van kracht is. Deze dapperheid noemt ook Joubert in zijn voorwoord bij Een droom die ik heb (2013, 15). Haar jeugd op Aruba en de trots over het eiland en haar afkomst komen geregeld terug. Daarnaast komt ook de dood voor in haar gedichten en ze is hierbij niet bang voor haar eigen verouderingsproces. Het gaat bij Ecury om haar verhouding met de wereld, die zij aan ons blootgeeft (Peters 2014). De poëzie is helder en humorrijk volgens Peters, en daarnaast voel je dat zij een sterk gevoel voor verhoudingen heeft. Dit blijkt doordat niet zijzelf het middelpunt is van haar poëzie; dat is het leven waar zij zich in bevindt. Hierdoor kan je blijven lezen zonder het gevoel te hebben dat je alles al gelezen hebt.
Ook Rutgers (2014) noemt de combinatie van speelsheid en blijdschap tegenover ernst en verdriet die de poëzie van Ecury kenmerkt. Het is een dichtkunst van tegenstellingen: “idealisme én mislukking, door menselijke relaties in het algemeen, maar ook het persoonlijke familieverleden én de verre historie van de slavernij” (Rutgers 2014). De poëzie is op haarzelf betrokken, maar tegelijkertijd ook op de eilandelijke uiterlijkheden. Zij gebruikt de ruimtes om haar heen om op haar eigen bestaan te reflecteren, zonder zichzelf daarbij vol in het middelpunt te zetten.

Nydia Ecury schrijft mijns inziens inderdaad over redelijk simpele onderwerpen die iedereen aanspreken en daardoor voor een breed publiek toegankelijk zijn. Iedereen kan zich in haar gedichten herkennen, maar vaak blijft het daarbij. De thematiek blijft op de oppervlakte en de boodschap van haar gedichten is vrijwel meteen duidelijk. Door dit gebrek aan vervreemdende elementen en de noodzaak om langer te moeten nadenken, blijven de gedichten ook niet in je hoofd hangen. Hoewel dat op zich niet verkeerd is, vraag ik mij af of zij ook zo bekend zou zijn geweest als ze zich niet had ingezet voor het Papiaments en de culturele ontwikkeling van de Antillen, maar slechts beoordeeld werd op de kwaliteit van haar poëzie. Toch brengt het lezen van het melodieuze Papiaments een prettige sfeer en zijn ook de Nederlandse gedichten soms grappig en bovenal herkenbaar.
Vanuit een waarschijnlijk bevoorrecht milieu heeft Nydia Ecury – uiteraard met veel inspanning – kennisgemaakt met taal en proza en poëzie. Haar onderwerpen groeiden met haar levensloop mee. Waar haar poëzie van huiselijke zaken naar haar afkomst en grote onderwerpen als het leven en de dood ging, veranderde zij zelf ook van beginnende dichter die een groter publiek aan wilde spreken in een serieuzere geëngageerde vrouw.

Primaire bibliografie
Ecury, Nydia, Sonia Garmers en Mila Palm (1972). Tres rosea. Willemstad: Sentro Kultural Korsow.
Ecury, Nydia (1976). Bos di Sanger. Curaçao: eigen beheer.
Ecury, Nydia (1978). Na mi kurason mará. Curaçao: eigen beheer. 28 pagina’s.
Ecury, Nydia (1978). Na mi kurason mará. Curaçao: eigen beheer. 47 pagina’s.
Ecury, Nydia (1981). “Di kon anasa tin korona e fruta di Abrakazòr”. Dos kuenta ku prenchi pa klùr. Illustraties door Ph. Rademaker. Curaçao: eigen beheer.
Ecury, Nydia (1984). Kantika pa mama tera – Song for Mother Earth. Illustraties door José M. Capricorne. Curáçao: eigen beheer.
Ecury, Nydia (1986). Ai, mi dushi, bunita kaptan. Willemstad: Teritorio Insular di Kòrsou.
Ecury, Nydia (1986). Bestia por siña nos hopi. Curaçao: Teritorio Insular di Kòrsou.
Ecury, Nydia (1986). Bo sa kon, no? Etikèt pa mucha. Curaçao: Female Jaycees.
Ecury, Nydia (1986). Tres kuenta di ada. Illustraties door Wob Sijtsma Willemstad: Teritorio Insular di Korsou. Vertaling.
Ecury, Nydia (1986). Un deseo kumpli. Willemstad: Teritorio Insular di Kòrsou.
Ecury, Nydia en Jenny Fraai (1986). Di A te Z: Ortografia ofisial di Papiamentu. Curaçao: eigen beheer.
Ecury, Nydia, Ruth Zefrin en Pierre Lauffer (1986). Pa nos no lubidá: 100 jaar fraters op Curaçao. Curaçao: Comité eeuwfeest fraters.
Ecury, Nydia (1987). Alafan, alafan. Kuenta pa mucha. Curaçao: Kiwanis Club Piscadera.
Ecury, Nydia (1992). “Kantika Pa Mama Tera”. The Literary Review 35.4: 612.
Ecury, Nydia (1992). “Old lady”. The Literary Review 35.4: 573.
Ecury, Nydia (1992). “Song for mother earth”. The Literary Review 35.4: 572.
Ecury, Nydia (1997). Libertat, bo t’ei?. Breda: De Geus.
Ecury, Nydia (1998). “Ruina (Home Sweet Home)”. Callaloo 21.3: 560-561.
Ecury, Nydia (1990). Tres kuenta italiano. Willemstad: Teritorio Insular di Kòrsou.
Ecury, Nydia (1995). Un sinta den bientu. Curaçao: eigen beheer.
Ecury, Nydia (2001). “Mi amor, un sinta den bientu / My Love, a Ribbon in the Wind”. Calabash. Journal of Caribbean arts and letters 1.2: 63-64.
Ecury, Nydia (2001). “No Matter What”. Calabash. Journal of Caribbean arts and letters 1.2: 59-60.
Ecury, Nydia (2001). “Pashènt aki banda / Next-door Patient”. Calabash. Journal of Caribbean arts and letters 1.2: 62.
Ecury, Nydia (2001). “Promises Should Be Kept”. Calabash. Journal of Caribbean arts and letters 1.2: 57-58.
Ecury, Nydia (2001). “Which Other One?”. Calabash. Journal of Caribbean arts and letters 1.2: 61.
Ecury, Nydia (2003). Luho di Speransa. Willemstad: De Curaçaosche Courant.
Ecury, Nydia (2005). Luho di Speransa. Willemstad: De Curaçaosche Courant.
Ecury, Nydia (2005). “The Visit”. The Oxford book of Caribbean verse. Ed. Stewart Brown en Mark McWatt. New York: Oxford University Press, 90.
Ecury, Nydia (2006). Kuater kuenta di Grimm. Curaçao: De Curaçoasche courant. Vertaling.
Ecury, Nydia (2007). “Dividivi”. Journal of Caribbean Literatures 5.1: 130.
Ecury, Nydia (2007). “Transformashon / Transformation”. In: “Papiamentu, Cultural Resistance, and Socio-Cultural Challenges: The ABC Islands in a Nutshell”. Ed. Eva Martha Eckkrammer. Journal of Caribbean Literatures 5.1: 85-86.
Ecury, Nydia (2013). Een droom die ik heb. Haarlem: In de Knipscheer.

Secundaire bibliografie
Anoniem (2012a). “In memoriam Nydia Ecury (1926-2012)”. Caraïbisch Uitzicht (Werkgroep Caraïbische Letteren). 2 maart 2012.
Anoniem (2012b). “Nydia Ecury overleden”. Amigoe. 2 maart 2012.
Benjamin, Alan en Sue E. Estroff (1997). Ethnic identities and classifying practices among Jews of Curaçao. (Diss.)
Broek, Aart G. (2007). “Ideology and writing in Papiamentu: a bird’s eye view”. Journal of Caribbean Literatures 5.1: 1+.
Broek, Aart G., Daniel Balderstom en Mike Gonzalez (2005). “Ecury, Nydia Maria Enrica”. Encyclopedia of Latin American and Caribbean Literature 1900-2300. Londen: Routledge.
Bruenner, Charlotte (1998). “The Whistling Bird: Women Writers of the Caribbean”. World Literature Today 72.4: 881.
Claassen, Anton (1992). “VII Overige dichters Bennett, Ecury, Kock en Croes”. De navelstreng van mijn taal. Haarlem: In de Knipscheer.
Cornet, Florencia V. (2013). “21st century Curaçaoan Woman Writers: Revisiting, Destabilizing and (re)imagining the Kurasoleña”. Dutch Crossing 37.1: 93-108.
Cornet, Florencia, Jeanne Garane, Kwame Dawes, Jie Guo, Maria Mabrey en Kimberly Simmons (2012). Decolonizing transnational subaltern women: The case of Kurasoleñas and New York Dominicanas. (Diss.)
Eckkrammer, Eva Martha (2002). “Aart G. Broek/Lucille Berry-Haseth/Sidney M. Joubert: Pa saka kara”. Iberoromania 55.2: 187-189.
Eckkrammer, Eva Martha (2003). “On the Perception of ‘Creole’ Language and identity in the Netherlands Antilles”. In: A Pepper-pot of Cultures: Aspects of Creolization in the Caribbean. Ed. Gordon Collier en Ulrich Fleischmann. Amsterdam: Rodopi. 85–108.
Ecury, Giselle (2012). “Nydia Ecury: ver weg en toch dichtbij”. Antilliaans Dagblad. 10 maart 2012.
Ecury, Giselle (2012). “Nydia Ecury is niet meer”. Caraïbisch Uitzicht (Werkgroep Caraïbische Letteren). 2 maart 2012.
Garrett, Helene en George Lang (2000). Identity in the Papiamentu haiku of Elis Juliana. (Diss.)
Garrett, Helene en George Lang (2004). Translating Papiamentu. (Diss.)
Haan, Ezra de (2013). “Voor het denken roestig wordt”. Hebban.nl. 6 december 2013.
Hasham, Brenda, Olga E. Rojer, Joseph O. Aimone en Nydia Ecury (2007). “Nydia Ecury”. Journal of Caribbean Literatures 5.1: 129-133.
Heiligers, Bernadette (2012). Pierre Lauffer. Het bewogen leven van een bevlogen dichter. Haarlem: In de Knipscheer.
Homar, Susan (1982). La memoria del mundo en el fondo del lenguaje: lengua e identidad en tres novelas del Caribe. (Diss.)
Joubert, Sydney (2013). “Inleiding tot Nydia Ecury”. In: Een droom die ik heb. Ed. Nydia Ecury. Haarlem: In de Knipscheer, 7-17.
Mondada, Joke en M. Jill Brody (2000). Narrative structure and characters in the Nanzi stories of Curaçao: A discourse analysis. (Diss.)
Peters, Levity (2014). “Wereldpoëzie uit Aruba. Nydia Ecury – Een droom die ik heb”. Meander, literair e-zine. 18 februari 2014.
Rodríguez, Emilio Jorge (2016). “Ecury, Nydia (1926–2012)”. In: Dictionary of Caribbean and Afro–Latin American Biography. Ed. Franklin W. Knight en Henry Louis Gates Jr. Oxford: Oxford University Press.
Roo, Jos de (2002). “Hollandse hovaardij. Moderne Surinaamse schrijvers over Nederland”. Europa buitengaats: koloniale en postkoloniale literaturen in Europese talen. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker.
Rutgers, Willem (1994). Schrijven is zilver, spreken is goud: oratuur, auratuur en literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba. Utrecht. (Diss.)
Rutgers, Wim (1996). Beneden en boven de wind. Literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba. Amsterdam: De Bezige Bij.
Rutgers, Wim (2014). “Hertaalde poëzie – Nydia Ecury: Een droom die ik heb”. Antilliaans Dagblad. 4 januari 2014.
Rutgers, Wim (2016). “Nydia Ecury: verliefd op het Papiaments”. Caraïbisch Uitzicht (Werkgroep Caraïbische Letteren). 21 januari 2016.
Sanchez, Tara en Gillian Sankoff (2005). Constraints on structural borrowing in a multilingual contact situation. (Diss.)
Van Haesendonck, Kristian (2014). Carribeing. Amsterdam: Editions Rodopi.
Van Putte-de Windt, Igma M. G. (2001). “Forms of Dramatic Expression in the Leeward Islands”. In: A History of Literature in the Caribbean. 2: English- and Dutch-speaking regions. Ed. A. James Arnold. Amsterdam: John Benjamins Publishing Company, 597–614.

3 comments to “Nydia Ecury – een portret”

  • De vader van Nydia was niet van Afrikaanse, maar van Arubaanse afkomst.
    Ook de moeder van Nydia was geen Duitse banketbakker, maar een weeskind uit Curaçao, die zich de luxe permitteerde om puur als hobby taarten, schuimpjes en pasteien te bakken, wanneer ze daar zin in had als gedistingeerde echtgenote van de zeer welvarende koopman die Shon Dundun
    Ecury dan ook was.

    Als u zich hier nu zo eens afvraagt waarom Nydia in het Engels schreef, dan had u dat toch kunnen vragen aan velen die weten dat Nydia in Canada heeft gestudeerd? Aan velen die weten dat ze, voordat ze in de jaren 60 vertrok naar Curaçao, in het Engels schreef als journaliste voor de Lago raffinaderij op Aruba. Aan de velen die weten dat de taal haar zo enorm dicht bij het hart lag, dat ze als enige kostwinner tóch haar LO en MO Engels behaalde, om daarna les te geven in het Engels, terwijl ze als lid van de Female Jaycees ook altijd zeer actief was met haar schrijven en presentaties in het Engels… Dus nee, mevrouw de Ridder, het was niet zomaar, omdat ze misschien toch graag meer aandacht had gewild van een groter publiek.

    Dat hier nu dan ook nog zomaar oppervlakkig getwijfeld gaat worden aan de mogelijke diepgang van Nydia’s poëzie, is in feite triest en ronduit beledigend. Vooral wanneer je beschouwt dat er geen vergelijkbare dichteres is binnen onze cultuur die schreef wat Nydia schreef in de talen waarin ze schreef en die kon voordragen zoals Nydia dat deed in de talen waarin ze dat passievol vloeiend deed. Dit heeft dan helaas toch écht te maken met het feit dat u zich ondanks deze hele stroom aan woorden niet al te persoonlijk heeft weten te verdiepen in Nydia en haar schrijven. Zowel voor wat het correct weergeven betreft van meerdere aspecten die hier toch echt om aandacht vragen, als ook in het verkennen en herkennen van de enorm intrigerende rijkdom die Nydia heeft kunnen weergeven met haar werk. Dit fenomeen is vergelijkbaar met de presentatie van haar laatste boek “Een droom die ik heb” in Amsterdam. Er werd doodleuk en razend plat verwezen naar het feit dat Nydia zeer gefascineerd zou zijn met onze jaargetijden, alvorens haar gedicht “Sekura” “Droogte” voor te dragen, terwijl het gedicht ging over de moordende droogte die haar ziel openscheurde, toen ze besloten had te scheiden van de grote liefde van haar leven.

    Wanneer we iets niet zien, betekent het niet gelijk dat het er niet is. Het kan ook juist een uitnodiging zijn om toch éven verder te kijken dan je neus lang is. Misschien moet ook ik hier niet zo mee op mijn neus staan kijken. Indien u eventueel nog interesse zou hebben, ben ik in ieder geval meer dan bereid anytime haar werken te bespreken, zodat u zich toch niet zomaar afsluit voor de diepgang die Nydia tot na haar dood zowel u als andere lezers zeer gul kan blijven bieden. Verschil in jaargetijden hebben we amper op onze prachtige eilanden onder de zon, maar met de eindeloos boeiende kleuren, geuren en nuances van onze taal, cultuur en literatuur zijn we werkelijk de wereld te rijk.

  • Hartelijk dank voor uw commentaar. We hebben de auteur op uw commentaar geattendeerd en verzocht correcties aan te brengen. De Werkgroep Caraïbische Letteren is graag bereid besprekingen van het werk van Nydia Ecury te plaatsen. Indien u die zendt naar dit adres, zullen we die plaatsen:
    info@werkgroepcaraibischeletteren.nl
    Met vriendelijke groet,
    Werkgroep Caraïbische Letteren

  • Beste mevrouw Isings,

    Bedankt voor al uw opmerkingen en de moeite die u heeft genomen om te reageren. Mijn excuses voor onjuiste informatie in de tekst, waar mogelijk heb ik deze foutieve informatie aangepast. Daarnaast heb ik nog een keer naar de tekst gekeken, en de tekst geschreven zonder afbreuk te willen doen aan uw moeder. Mocht u nog geïnteresseerd zijn in een gesprek over Nydia Ecury, lijkt dat me erg leuk!

    Met vriendelijke groet,
    Zaza de Ridder

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter