blog | werkgroep caraïbische letteren

Jamaicaanse Safiya Sinclair op Poetry International

Maar graaf waar de aarde vochtig is en
plant het trotse zaad van je schandeboom

Dichter Safiya Sinclair (Jamaica, 1984) is op 30 mei 2018 te gast bij Poetry International in Rotterdam.

 

Safiya Sinclair werd geboren en groeide op in een Rastafari-gezin op Jamaica. Toen zij voor haar studie naar de Verenigde Staten verhuisde werd ze zich steeds meer bewust van haar achtergrond en identiteit. Haar poëzie verwoordt deze bewustwording. In het Engels, de taal van de kolonisator, vermengd met invloeden van het Jamaicaanse patois schrijft Sinclair over haar thuisland, het landschap, en haar herinneringen aan het opgroeien aldaar. Maar ook over het vrouw-zijn in patriarchale machtsstructuren en over haar ervaringen als zwarte student in een zuidelijke staat van de Verenigde Staten. En dit alles in haar veelbekroonde debuutbundel Cannibal op magistrale wijze verweven met invloeden van Shakespeare’s The Tempest.

Biografie & bibliografie

Zelf omschrijft ze haar poëzie als “een koortsachtige golvende lyriek” en die omschrijving is even treffend provocatief en evocatief als het werk van Safiya Sinclair zelf. Het ritme van de Caribische zee is nooit ver weg, net zo min als de verhitte en weelderige planten-, dieren- en geestenwereld van haar moederland. Geboren in Montego Bay, op Jamaica, en opgegroeid in een traditioneel Rastafari-gezin, begon ze gedichten te schrijven als “overlevingsstrategie” – elke schrijver die geen diepe wond of pijn met zich meedraagt, kan beter wat anders gaan doen, vindt ze. In de Verenigde Staten, waar ze studeerde, ontdekte ze pas goed hoe en waar ze geworteld was en werd haar poëzie ook een manier om de verborgen orale geschiedenis van haar familie en haar eiland, zoals aan haar doorverteld door haar moeder en tantes, te vertalen op schrift, om het niet verloren te laten gaan, als eerbetoon aan “de vrouwen die onze woorden en dagen tot leven hebben geweven”.

Dochter die deze wereld als horde betreedt. Vader je gestrande beest,
je weeklachten in het zand. Moeder haar rood gebeente dat komt kloppen.

Alleen al door de spagaat van taal waarin ze zich bevindt, tussen het Engels van de overheerser en het Jamaicaanse patois, is haar toon strijdbaar en zijn haar gedichten ook een aanklacht tegen de wreedheid van de koloniale patriarchale geschiedenis waarmee nog steeds in het reine gekomen moet worden.
Andere inspiratiebronnen zijn het werk van Sylvia Plath, Federico García Lorca, Toni Morrison, James Baldwin, Audre Lorde, Gabriel García Márquez, Franz Kafka, Frida Kahlo en Wangechi Mutu. En niet te vergeten The Tempest van Shakespeare, waarin de figuur Caliban (anagram van Cannibal) model staat voor het westerse witte beeld van de West-Indiër als ‘wilde’, maar ook voor haar eigen zelfbeeld, als eeuwige buitenstaander: “Zijn koortsdromen als slaaf in een gestolen koninkrijk zijn ook mijn dromen geweest, zijn jengelende instrumenten mijn eigen vreemde muziek.”
Haar taal is niet dichtgeschroeid en gekoloniseerd, maar lijfelijk en uit diepe gronden opgeborreld.

Haar debuutbundel Cannibal verscheen in 2016 bij de University of Nebraska Press en werd vele malen bekroond en genomineerd.

© Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes (Vertaald door Florian Duisjens)

Bibliografie

Cannibal. University of Nebraska Press, Lincoln, 2016

Literaire prijzen
2016 Whiting Writers’ Award voor Cannibal

Optreden

Locatie: Theater Rotterdam, Witte de With Studio
Datum en tijd: woensdag 30 mei 2018, 18.30-21.00 uur, en ook bij de opening op dinsdag 29 mei, 20.00 uur in de Schouwburg

 

Safiya Sinclair – Meermin

Caribische tijm is tien keer zo sterk als de Engelse soort – vraag maar aan Miss Queenie en haar royal navy, die geen Jamaicaans onkruid uit haar rozentuin kon rukken dat niet dik, tienvoudig en zwart geworden met de woede van een onteerde man weer teruggroeide. De futloze Amerikaan die ik met mijn ouwe sloffen in de kaken van de Atlantische oceaan joeg, heeft nooit het harde schallen van mijn lach begrepen, waarom ik ruw rimpelend fronste, hoe ik de holtes van ieder bot kende. Maar graaf waar de aarde vochtig is en plant het trotse zaad van je schandeboom; laat ze niet zeggen dat er nooit iets is opgekomen. Rol het vat pekelvis de heuvel af en laat die beukende donder galmend opstijgen naar de strandmaan, aan haar lange oorbellen naar onze zee gekletterd, tien keer zo blauw als het blauwste oog. Die muntthee die fluit in de Hollandse ketel is sterker dan sterke drank en moet met zes lepels suiker, graag – wat kan ik zeggen, het bloed van mijn overgrootvader was dik geklonterd met rietsuiker en overproof rum; toen hij bloedde, druppelde het dik als melasse, klonterde zwart als speeksel in de keel. Iedere rode mier van Negril tot de Fransozengrot kwam aan zijn ader wroeten en sabbelen, waar zijn been gehoningd was met een suikerzieke rotting, en toen hij mijn grootmoeder ving in zijn wijde visnet, diende hij haar koud op voor zijn onbezonnen zoon: “Meermin op het dek.”

© Safiya Sinclair
Uit: Cannibal
Uitgever: University of Nebraska Press, Lincoln, 2016

© Vertaling: Erik Bindervoet & Robbert-Jan Henkes
Voor het eerst gepubliceerd op Poetry International, 2018

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter