blog | werkgroep caraïbische letteren

Dean Bowen – Dat kleine woordje

Mijn vriendin begint te grinniken.
Ik kijk haar verrast aan en vraag waar ze zo om moet lachen.
Ze zegt me dat ik haar zelden reden geef om stil te staan bij het gegeven dat ik onder andere een Surinaamse achtergrond heb. Dat ik dit slechts in een aspect van mijn spreken verraad.
Ik kijk verward als ze me vraagt of ik weet waarover ze het heeft en zeg haar dat ik werkelijk geen idee heb.

Ze weet me te vertellen dat ik altijd dingen in de oven zet. Dat ik vraag waar ik mijn spullen heb gezet. Dat ik haar soms instrueer om extra ‘blokje’ in het eten te zetten.

Dit kleine woordje; zet. Een kleine verrader.

Ik weet precies waar ik dit woord geërfd heb. Ik weet dat ik dit bewaren wil. Dat ik kribbig kan reageren als iemand mij verbetert. Ik ken de taal, maar wil te allen tijde mijn taal bewaken. Ik ben hier bijzonder koppig in en zie er de noodzaak van in zoals ik deze ook lees in de werken van Edgar Cairo.

Ik ben vrij laat tot het werk van Cairo gekomen. Een gevolg van een chronisch gebrek aan zwarte schrijvers in mijn jongere jaren en een opborrelende fascinatie voor deze schrijvers. Want spreken wij niet ook Nederlands? En welke verhalen hebben wij dan te vertellen? Hoe anders is een Surinaams of Antilliaans verhaal in de taal van de kolonist? Of hoe verandert een taal als het op de tong van de ander ligt?

Dit waren natuurlijk niet de vragen waar ik begon. Ze doemen op wanneer je jezelf lang genoeg afvraagt waarom je eigenlijk nooit een zwarte auteur op je leeslijst terug kon vinden. Vooral omdat ik in die jaren zelf al met een jeugdig enthousiasme en slordigheid aan het morrelen was met het Nederlands. In kleine gedichten. In rapteksten. In alle krabbels die ik kalkte in alle schriften om me vooral niet bezig te hoeven houden met de opdrachten die ik af moest ronden in de klas.

Er was eigenlijk maar een iemand bij wie ik veilig terecht kon met mijn vragen. De vrouw van wie ik dat verraderlijke woordje geërfd heb. Ik vroeg mijn moeder naar de namen van schrijvers waar zij vandaan kwam. Zo wist ze me te vertellen van Trefossa. Ze noemde onder andere Michaël Slory, Clark Accord, Hans Faverey, Dobru, Anton de Kom en in haar boekenkasten vond ik Cynthia McLeod, Astrid Roemer en Edgar Cairo.

Belangrijke schrijvers. Belangrijke voorbeelden. Toen al.

Ik ontdekte via deze en andere schrijvers een Nederlands dat gebruikt werd om on-Nederlandse taferelen te beschrijven. Een Nederlands dat daadwerkelijk ergens anders gesitueerd was. Een ander soort thuis. Een taal die ik herkende uit de woonkamers tijdens de verjaardagen van oma Betsy, tante Mavis, tante Dulci(ne), tante Olivia en Mildred (de tweeling), tante Sybil en Oralie, oom Eddy, Imro en zo verder. Een muzikaal soort Nederlands waarin er andere mogelijkheden verscholen liggen.

Het is precies hier. In het mogelijk van de taal dat ik Edgar Cairo ontmoet. Een schrijver die in zijn zoeken naar de verhalen die hij te vertellen heeft, volledig gebruik wist te maken van de registers die hij tot zijn beschikking had. Er is iets bijzonders aan regels lezen in een Nederlands waarin je de stemmen van je familie hoort echoën.

 

Een voorbeeld uit De smaak van Sranan Libre:

‘Elf uur dertig zo, ongeveer, kwam ik gisteravond thuis. P’pa Kwa, mijn vader, zat voor de duizendste keer (hij met z’n werklozengezicht!) in zijn grote nepleren stoel. Hij was aan het zuipen weer en legde een kaart met Oom Bert. Je weet: Oom Bert die geen echte bloedoom van me is, heeft wel de rasechte funktie van medicijnman. Wij uit Suriname zeggen: ‘Hij is Bonuman.’ Hij weet alles van winti-dinges.’

Het is de muziek en het gemak van dit Nederlands die me het gevoel van geborgenheid geven. Het voelt intiem. Bekend.

En precies zoals Cairo zichzelf de ruimte verschaft om in de beweging van zijn natuurlijke schrijfstijl zijn verhalen vorm te geven. Zo zoek ik zelf eveneens naar de ruimte in het materiaal van de taal om binnen mijn eigen werk te construeren naargelang het werk dit nodig heeft. Ik ben geen prozaschrijver. Althans, niet een geoefende. En hoewel ik op een totaal andere manier zoek naar het mogelijk van die taal en uit andere registers put, voel ik een onlosmakelijke verbondenheid met het zwieren van Cairo’s taal.

Mijn schrijven bestaat niet zonder stemmen als Edgar Cairo in de Nederlandstalige literatuur.

Deze benadering brengt echter ook zo zijn problemen mee. Hoe kritisch werd er niet gereageerd op de taal die Cairo hanteerde. Deze zou te Surinaams zijn. Teveel een maniertje. Veel van deze kritiek kwam ook uit de Surinaamse gemeenschap. Cairo bleef een moeilijk te kaderen auteur. Mijn moeder weet me te vertellen van felle discussies betreffende zijn boeken en wat dit zou betekenen voor hoe Surinamers gelezen zouden worden.

Maar ik denk dat Cairo iets ongelooflijk belangrijks wist te realiseren. Hij wist zijn identiteiten, de vele vormen van zichzelf in zijn schrijven te vangen.

Ook hierin voel ik een sterke verwantschap met Cairo. Op mijn eigen manier opzoek naar een on-Nederlandse lyriek kom ook ik soms ergens uit waar niet iedereen mee uit de voeten kan.

Zo schreef Janita Monna onlangs in Trouw:

‘Zou een leerling op de middelbare school deze zin in een opstel schrijven, dan zette de docent er vermoedelijk een dikke rode streep door: “we afwijzen elkaars lichaamstaal.”

Het lezen van die eerste pagina’s kostte even moeite. De wonderlijke zinsvolgorde, de gedrongen zinnen, woorden zonder enig verband bij elkaar gezet (Wat niet waar is)

Wat laat je achter / meer dan wonden DNA vertakt / spasmen onder affectieve preken aangerukt op neerlands canvas.’

Was dit poëzie?

Ze eindigt hier niet, maar het toont aan dat er nog altijd iets stroefs zit in de waardering van een Nederlands dat zich uitrekt. Dat zich spant over andere binnen- en buitenruimten. Dat de particulariteit van een positie binnen een taal bevraagt.

Het is precies hier, in het losweken van de conventies ten behoeve van het verhaal. Ten behoeve van het gedicht en ten behoeve van de taal, waar ik Cairo vind en niet los kan laten.

Wie het aandurft om te putten uit alle aspecten van haar of zijn niet-literaire taal om literatuur te creëren, doet zo met risico, maar stelt zichzelf instaat om uit het amalgaam van deze registers de taal opnieuw uit te vinden. Om binnen de beperking van die symbolen en klanken te zoeken naar waar de magie mogelijk is. Hierin is het van essentieel belang om bewust te zijn van wat deze magie in werking zet.

Persoonlijk zie ik het als een manier om eigenaarschap op te eisen van niet alleen de verhalen en gedichten die ik zelf schrijf, maar ook op de canon en hoeverre ze me wel of niet representeert. Over zij die nagenoeg genegeerd zijn en zij die de luxe van de canon niet kunnen veroorloven.

Zonder het werk van Edgar Cairo en de manier waarom hij zichzelf realiseerde in zijn werk, bestaat de fundering niet waarop ook mijn stem gebouwd is.

En daar ben ik de beste man, onmetelijk dankbaar voor.

[Column uitgesproken op de manifestatie ‘Het talige draaihoofd van Cairo’ bij de 70ste geboortedag van Edgar Cairo, theater Perdu, Amsterdam, 6 mei 2018.]

 

Dean Bowen bij het uitspreken van zijn column op 6 mei 2018. Foto © Jenny Hoolt

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter