blog | werkgroep caraïbische letteren

De kris van ome Henk

door Michiel van Kempen

Het was een magisch voorwerp uit mijn jeugd: de kris die op het dressoir in onze woonkamer lag. Het was een decoratief voorwerp, dat elke week eerbiedig, bijna ritueel met voedende olie door mijn moeder werd ingewreven en teruggelegd op een Perzisch lopertje. Ik mocht er niet aankomen, een vroeg taboe. Op sommige dagen werd het wapen uit de houten schede getrokken. De kling was levensgevaarlijk, bezwoer men mij, terwijl strelende vingers de vlakke zijde van de kling betastten en héél voorzichtig langs het snijvlak gleden. Het voorwerp kwam van héél ver; er waren dus streken waar men met merkwaardige wapens vocht, besefte ik. Ik zag er natuurlijk niets anders dan een zwaard in, en in het gesneden heft herkende ik zoiets als een mannetje met een helm, een ridder met een harnas.

 


Er waren meer voorwerpen in huis die van héél ver kwamen. Een opgezette leguaan die tamelijk agressief een plafondhoek even een proefje van onze imposante marmeren gang inschoot. Een geprepareerde kaaiman, wel twee meter lang, waarvan je de kaken kon opensperren als je héél voorzichtig deed, want de tanden waren vlijmscherp. Als kind had je geen idee van wat je nou precies zag of waar dat allemaal vandaan kwam, maar een eerste vorm van categorisering drong zich wel aan je op: je wist dat die voorwerpen van een totaal andere orde waren dan de hertenkopjes aan de boog midden in de gang, de bontjas met de altijd fascinerende nertsenkopjes die mijn moeder droeg, of de Keulse pot naast de haard.
Toen ik iets ouder was durfde ik zelf de kris uit zijn schede te halen en tot mijn verbazing was het snijvlak helemaal niet zo scherp. Die verbazing deel ik nu nog: de kling heeft eigenlijk nog het meeste weg van een fors uitgevallen papieropener (maar ook daarmee zijn vreselijke daden verricht, weet ik van Agathie Christie). De onttovering begon al vroeg meer gedaanten aan te nemen. De marmeren gang was bepleisterd met houtpanelen die door mijn opa met vaardige hand tot marmer getransformeerd waren. Ik vond het bekje van de opgezette leguaan nogal fel rood geschilderd. De kaaiman kreeg scheurtjes en mocht ik op mijn kamer hangen, ik heb er mijn zus wel eens de stuipen mee op het lijf willen jagen, door het ding onder haar bed te leggen met de bek net onder de afhangende sprei uit, maar ze trapte er niet in, en is nu dus ook al bijna veertig jaar gelukkig getrouwd.
Op enig moment tijdens die jeugdjaren moet ik hebben gehoord dat de jongere broer van mijn vader al die dingen uit Indonesië had meegebracht. Ik zag mijn oom Henk ook wel eens op zwart-witfoto’s in militair uniform, sommige gemaakt op de boot naar Indonesië, andere in een exotisch decor. Hij was al geen kletsmajoor, maar toen ik hem vroeg eens iets te vertellen over die opgezette beesten en vooral over die kris, werd ik het bos ingestuurd. Er volgde geen heldenverhaal, terwijl ik zo graag had gehoord hoe die kaaiman urenlang bevochten was, zoals Biggles uit mijn eerste jeugdboeken altijd elk moment op Borneo de rivier in konden worden gesleurd, maar het er dan uiteindelijk toch goed vanaf bracht.
Mijn ome Henk kreeg een verantwoordelijke functie in de eerst georganiseerde vorm van de multiculturele maatschappij: het Batadorp nabij Eindhoven waar ons schoeisel in elkaar werd gezet door eenzame Turkse en Marokkaanse mannen (het begrip familiehereniging werd pas vele jaren later uitgevonden). In zijn vrije tijd communiceerde ome Henk met zijn blatende geiten en blatende vrouw. Ik kan me niet herinneren ook maar één verhaal over Indonesië uit zijn mond gehoord te hebben.
Nee, dan de familie Van Nie: die trok bij ons in, links van de opgezette leguaan, omdat er nog altijd naoorlogse woningschaarste heerste. Het waren Indiëgangers, zei mijn moeder met een onverwachte twinkeling in haar ogen; ze waren protestants, maar niettemin wel erg nette en aardige mensen. (Mijn moeder was ook al, dankzij de firma Conimex, begonnen aan het introduceren van een grote pan bami of nasi goreng eens in de zoveel tijd, met spiegeleieren, augurken en zilveruitjes, dapper mijn vader trotserend, die na elke Indische maaltijd vroeg wanneer we nu eens gingen eten, want hij had nog altijd zijn aardappels niet gehad.) De familie Van Nie sprak geen Brabants maar keurig Nederlands, dat alleen al maakte hen tot exoten. Vader Van Nie, die er ook echt Indisch uitzag – voorzover wij ons daarvan een voorstelling konden maken: hij had een beetje een Conimex-uiterlijk – bracht opeens beweging in de verbeelding dankzij zijn smalfilmcamera. Er werd een scherm neergezet, de projector snorde en plotseling zagen wij een boot die een palmenkust naderde. Dat was Soerabaja, vertelde hij. En toen kwam Indië opeens heel dichtbij, want Soerabaja kenden we van Anneke Grönloh, en die woonde in Eindhoven, dat was op de fiets nog prima te doen.
Nu ik dit schrijf realiseer ik me pas hoe mijn onderbewuste tal van brokstukken naadloos aan elkaar lijmt: Pamela Pattynama vertelde in háár inaugurele rede over de herinneringen aan Nederlands-Indië – de baai, de baai, Indië herinnerd – en ikzelf wees er in míjn inaugurele rede op hoeveel postkoloniale verbeelding begint bij het moment van de aankomst van de boot. De kris van ome Henk ligt hier voor me. Ik heb er over nagedacht of het voorwerp, dat nu zo’n zeventig jaar oud is en het patina van de geschiedenis begint te krijgen, een authentiek artefact uit de Indonesische cultuur is geweest, of een voor toeristen vervaardigd hebbeding. Die vraag doet er niet zoveel toe. Hoeveel van dit soort krissen zijn er over de oceanen naar Belanda gezworven? Die vraag is misschien veel interessanter. Mijn oom Henk – die jong overleed, ‘zonder veel plezier te hebben gehad van zijn vervroegde pensionering’ zei de familie – moet ongelooflijk veel mee hebben kunnen brengen, als je alleen al denkt aan wat wij in huis hadden. Verhalenvertellers focussen altijd op de helden of de schurken, de heldhaftige Karel Doorman die de lucht in vloog, of de wrede, koppensnellende kapitein Westerling. Mijn oom Henk is een tamelijk anonieme soldaat geweest, ik meen zelfs dat er eens is gezegd dat hij hospik was – wie weet een vriendelijk eufemisme, want je kon na 1950 maar liever gewondenverzorger zijn geweest in die laatkoloniale oorlog in Indonesië dan een commando met de bajonet op het geweer. Waar de opgezette leguaan en de geprepareerde kaaiman zijn gebleven, weet ik niet – vermoedelijk zijn ze als ‘stofnesten’ kordaat door mijn moeder bij het vuil gezet. De kris is er nog. Ik heb inmiddels geleerd dat in Indonesië wordt geloofd dat iemand sterft wanneer men een kris in zijn voetsporen steekt. Dat heeft het KNIL dan duur moeten bekopen.
Ik weet nu ook dat die kris op het dressoir van mijn ouderlijk huis veel betekenissen in zich droeg die, als je erover nadenkt, heel ver uit elkaar lagen in verschillende culturen: magie, decoratie, ritueel, een voorwerp dat gevoed moet worden, eerbied, taboe, gevaar. Maar misschien liggen die betekenissen helemaal niet twaalfduizend kilometer uit elkaar, maar liggen ze veel dichter bij elkaar dan we ooit konden vermoeden.

[uit: Streven, jrg. 81, nr. 3, maart 2014, pp. 257-259.]

 

Foto: ANP

Rutte geeft gouden kris terug aan Indonesië

Minister-president Mark Rutte heeft woensdag een gouden kris teruggegeven aan Indonesië, waar hij op bezoek is. De Indonesische president Joko Widodo nam de kris in ontvangst.

De kris komt uit de collectie van Museum Nusantara in Delft, dat in 2013 de deuren moest sluiten.

Een deel van de collectie van het museum wordt aan Indonesië overgedragen, aldus het hierbij betrokken Nationaal Museum van Wereldculturen. De overhandiging van de Buginese kris loopt vooruit op de overdracht van 1465 objecten, die in 2017 plaatsheeft.

Krissen, vaak met goud en edelstenen, werden in de koloniale periode als relatiegeschenk aan Nederlandse autoriteiten gegeven door vorsten uit het toenmalige Nederlands-Indië.

Door: ANP

[van nu.nl, 23 november 2016]

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter