blog | werkgroep caraïbische letteren

De emigratie van Chinezen naar Suriname

door William Man A Hing

Algemeen
Over Chinezen in Suriname is in de literatuur relatief weinig geschreven. In het algemeen is er weinig onderzoek gedaan naar deze bevolkingsgroep. Dat komt met name omdat er weinig mensen zijn die zich hiermee bezighouden en ook weinig middelen beschikbaar zijn voor onderzoek. Bovendien is het onderwerp volgens William Man A Hing ook bijzonder gecompliceerd en veel meer gelaagd dan de meeste mensen op het eerste gezicht denken. De oudere immigranten, die naar Suriname zijn gekomen, zijn voornamelijk afkomstig uit een bepaald deel van China, namelijk uit Zuidoost China (Hakka-Chinezen). Hoewel ze een grote invloed hebben op de maatschappelijke ontwikkeling in Suriname, vormen ze een minderheid. En dat is niet alleen in China en Suriname het geval, maar ook in de andere landen waar ze naar toe zijn geëmigreerd. Suriname was een van de uitzonderingen waar ze meer invloed hadden op het reilen en zeilen, zowel binnen de Chinese als binnen de Surinaamse gemeenschap. Dat maakt de situatie van de Chinezen in Suriname uniek.

 

 

Chinese winkel in Coronie. Foto © Michiel van Kempen

 

Contractarbeid vanuit China
De Chinese emigratie naar Suriname is begonnen met contractarbeid. Omdat de slavernij werd afgeschaft moest de koloniale overheid destijds zorgen voor vervanging van arbeid, die goed en betaalbaar was. Op verzoek van het toenmalig koloniaal bestuur in Suriname is de Nederlandse regering gaan kijken waar ze arbeiders vandaan kon halen.
Voor Nederland was het makkelijk arbeiders te importeren uit Nederlands Oost-Indië. Daar waren behalve de inheemse (eiland)bewoners ook Chinezen die het goed deden en vooral in de landbouw. De Nederlandse regering heeft toen aan het bestuur in Nederlands Oost-Indië gevraagd een aantal Chinese arbeidskrachten te sturen naar Suriname. Dit met het doel om te kijken hoe het zou gaan met deze groep in de Surinaamse landbouw. Het duurde wel een tijdje voordat een beslissing werd genomen, maar uiteindelijk heeft het bestuur in Oost- Indië in 1853 achttien mensen gestuurd met een boot die na drie maanden in Suriname is aangekomen met 14 personen van de oorspronkelijke groep. Vier van hen werden onderweg ernstig ziek en kwamen te overlijden.
De mensen werden in Nederlands Oost-Indië niet van te voren gekeurd. Niet alle personen voldeden bovendien aan de eisen voor het werk. Sommigen waren oud, anderen waren ziek of helemaal niet geschikt voor het werk in Suriname. De Oost-Indische regering moest de kosten zelf betalen om de mensen te vervoeren naar Suriname en na afloop van het contract ook de kosten voor de terugreis. Dat zinde de Oost-Indische regering niet en daarom ging de Nederlandse regering op zoek naar arbeidskrachten uit andere landen. Men kwam toen uit op China.

 

Chinese familie in Suriname.

Nederland was niet het enige land dat behoefte had aan arbeidskrachten. Ook Amerika, Spanje, Portugal en Engeland waren op zoek naar arbeidskrachten voor hun plantages, met name in Zuid-Amerika en soms ook in Afrika. En men dacht dat de benodigde werkers in overvloed te krijgen waren in China. Zo werd de Nederlandse consul in Macau gevraagd om te helpen arbeidskrachten te werven voor Suriname. Het probleem bij het werven van arbeidskrachten was vaak het sluiten van een arbeidscontract, waarbij men voor vragen kwam te staan voor hoeveel jaren men een contract moest sluiten, hoeveel men de arbeidskrachten moest betalen, welke voorzieningen getroffen moesten worden, etc. Het een en ander is zeker in het begin wat moeizaam verlopen, o.a. vanwege allerlei misstanden in andere landen, waardoor de mensen wat moeilijk deden. Uiteindelijk werden 1858 ongeveer 500 arbeiders bereid gevonden om vanuit Macau te vertrekken naar Suriname op kosten van de koloniale regering in Suriname. De voorwaarden waren misschien niet erg gunstig, maar de Chinezen die een contract sloten waren deels op de vlucht voor problemen in eigen land. Verondersteld wordt dat ze willens en wetens wilden vertrekken omdat ze een contract hadden gesloten, maar de mensen wisten niet wat in het contract stond, want ze konden niet eens lezen.
De planters (plantage-eigenaren) gingen ervan uit dat ze een substituut zouden krijgen voor de slavenarbeid en dat ze dus weinig hoefden te betalen voor de arbeidskrachten uit China, want dat was immers min of meer de regel in het verleden voor het zaken doen met de planters. De koloniale regering had het echter niet als zodanig begrepen.

 

Foto van waterverftekening uit 1876. Dit is de vroegst bekende tekening van een Chinese immigrant in Suriname. (Buku Biblotheca Surinamica.)

Toen de 500 Chinese arbeidsmigranten waren aangekomen, werden ze aangeboden als een soort waar zoals dat ook ging op de slavenmarkt. En de planters mochten hun arbeidskrachten uitkiezen. De sterksten onder hen werden dan gekocht of geveild tegen een bepaalde prijs. Een aantal bleef over dat niet geschikt was om te werken maar niemand wist dit van te voren, ook de koloniale overheid niet, omdat ze voor vertrek niet gekeurd waren. De vraag was dus toen wat met deze (rest)groep gedaan moest worden want ze konden niet doorverkocht worden. Het resultaat was dat men door deze tegenvallers verlies leed. De koloniale overheid zal waarschijnlijk toen gedacht hebben om dit niet meer voor een tweede keer te doen. Daarna heeft het ongeveer zeven tot acht jaar geduurd voordat er weer contractarbeiders uit China werden gehaald. Die stap kon worden gedaan omdat er in Nederland een maatschappij werd opgericht die zich speciaal met de werving van contractarbeiders bezig ging houden met winstoogmerk. Op die manier zijn er tussen 1865 en 1869 circa 3.000 Chinezen naar Suriname gekomen. Van deze 3.000 personen is niet iedereen in Suriname gebleven want na afloop van hun contractperiode van vijf jaar mochten ze kiezen of ze terug wilden naar China of wilden blijven. En als ze bleven, kregen ze bijvoorbeeld een kostgrondje. Ongeveer een derde deel van de arbeidscontractanten heeft gebruik gemaakt van het recht om terug te keren naar huis.
De Chinezen waren een kleine groep in de samenleving, ze vormden een echte minderheid in het toenmalige Suriname. Intussen werd er ook aan gezinsvorming gedaan en kregen de immigranten kinderen met plaatselijke partners. Man A Hing noemt enkele cijfers vanaf 1915.
In 1915 waren er 961 Chinezen in Suriname, in 1920 waren dat er 784, in 1924 plotseling 1454. Deze toename was te verklaren door het feit dat er in het kielzog van de contractarbeiders ook vrije migranten naar Suriname vanuit China kwamen, evenals familie en kennissen die hadden gehoord dat je in de West kon werken. Wie zich aanmeldde voor werk kreeg bovendien een premie.
In 1936 woonden er 2144 Chinezen in Suriname en na de oorlog in 1945 bedroeg dit aantal inmiddels 2312.

Chinese man met creoolse vrouw in kotomisi-klederdracht

 

Naoorlogse migratie vanuit China
Na de oorlog kwamen nog meer Chinezen naar Suriname omdat de situatie in China niet zo gunstig was, o.a. doordat de Japanners vanwege hun expansiedrift China waren binnengevallen. Verder hielden velen het niet uit door de dreiging van het communistisch bewind omdat hun grond werd afgepakt. Mensen die vermogen of bezittingen hadden moesten dat aan de staat afstaan. In die tijd werden zelfs kinderen aangezet om hun ouders te verraden als zij vermogen of bezittingen of een andere politieke opvatting hadden. Het klimaat in China was dus niet gunstig en velen probeerden het land te verlaten. Op die manier kwamen na de oorlog nog enkele tientallen Chinezen per jaar naar Suriname. Maar veel was dat niet en de toelating was niet ruimhartig in Suriname. Men liet niet veel Chinezen toe, de markt was klein, de opnamecapaciteit van Suriname was niet groot, men had speciale regelingen voor vreemdelingen en je moest aan bepaalde voorwaarden voldoen, bijvoorbeeld een waarborgsom storten voordat je kon worden toegelaten. Ook vanuit Nederland was het overigens destijds niet makkelijk om zich in Suriname te vestigen.
In 1950 waren er 2850 Chinezen in Suriname, in 1963 waren dat er 5.300 en in 1971 inmiddels 6.400. Deze cijfers moeten we volgens Man A Hing voorzichtig interpreteren want je weet niet wat precies wie onder een Chinees wordt verstaan. Zijn het bijvoorbeeld alleen degenen die in China zijn geboren en in Suriname wonen of behoren ook hun kinderen hiertoe die in Suriname zijn geboren en zo ja, worden ook kinderen van gemengde afkomst hiertoe gerekend, dus kinderen van een Chinese ouder en een ouder van een ander ras?

 

De Chinese vereniging Kong Ngie Tong Sang aan de voormalige Drambrandersgracht, tegenwoordig Dr Sophie Redmondstraat. Foto © Michiel van Kempen

Een deel van de Chinezen was gekerstend en vormde een eigen Christelijke gemeente. Een ander deel was Confucianist. Veel Chinezen die in hun tienerjaren (15 -16 jaar) naar Suriname gingen, hebben hun ouders in China naderhand niet meer (kunnen) zien. En ook al schreven ze brieven naar hun ouders, hun ouders konden deze toch niet lezen. Dat werd gedaan door zgn. brievenlezers. De Chinezen die na de periode van contractarbeid en rond 1945 naar Suriname zijn gekomen hebben vrij veel invloed gehad op het culturele leven in Suriname en op de eigen Chinese gemeenschap. Ze konden in alle rust de voorzieningen treffen die nodig waren voor de eigen groep. Zo hebben ze met eigen middelen drie sociëteiten laten bouwen, evenals een sportfaciliteit, een school en de enige Chinese begraafplaats in Suriname die beheerd wordt door de drie grote Chinese verenigingen gezamenlijk.
Hoewel het misschien niet direct zichtbaar is, heeft de Chinese bevolkingsgroep zowel aan de Surinaamse als Nederlandse samenleving een belangrijke bijdrage geleverd. Surinaamse Chinezen worden in Nederland vaak gezien als Indonesische Chinezen of Chinezen uit Hongkong, maar gaan hierover niet in discussie omdat zij dit niet zo belangrijk vinden.

 

Foto © Michiel van Kempen

Geschiedenis en cultuur Hakka-Chinezen
De Hakka-Chinezen, zoals een bevolkingsgroep uit Zuid-China wordt genoemd, heeft een lange geschiedenis in China. Ongeveer 1100 of 1200 na Christus zijn ze door allerlei oorlogen en misstanden in Midden-China naar het zuiden van China vertrokken. Daar zijn ze terecht gekomen in enkele zuidelijke provincies en verder gedeeltelijk in Taiwan. Ook personen die behoren tot deze Hakka-groep zijn naar Suriname gegaan. De Hakka-Chinezen zijn gewend te leven als minderheidsgroep. Ze weten wat het is als je wordt onderdrukt door een dominante groep. Ze gaan hier niet tegen in omdat ze het tijdverlies vinden aandacht te besteden aan oeverloze discussies over racisme, onderdrukking e.d. Ze willen meer tijd besteden aan zaken om vooruit te komen en zich te ontwikkelen. ‘Als minderheid heb je immers toch niets te vertellen. Je zit altijd in een hoek’. Van de groep die overwegend naar Suriname is gegaan, de Hakka-groep, leven er naar schatting nog ongeveer 80 miljoen in en buiten China op een totale bevolking van ongeveer 1.350 miljoen. Als minderheidsgroep moet je hard werken, soms zelfs twee maal zo hard om te laten zien dat het jou ook lukt om vooruit te komen, net als andere etnische minderheden.
De Hakka-groep heeft door hard werken in Suriname veel invloed uitgeoefend, o.a. op het culinaire vlak. Zo zijn er diverse Chinese gerechten bekend geworden, zoals Tjauw Min; Tjauw Fan; zoetzure doks; gevulde sopropo en geroosterd varkenvlees. Ook het afsteken van vuurwerk op Nieuwjaarsdag en hoogtijdagen werd geïntroduceerd. Door hen raakten eveneens allerlei spelen bekend en populair, zoals matjok (mahjong) en het gokspel pyaw.

 

Briefje voor het pyawspel.

De Chinese groep in Suriname heeft twee hoogtijdagen waarmee ze zichtbaar tevreden zijn, namelijk het Chinees Nieuwjaar en het Chinese Allerheiligenfeest. Het Chinees Nieuwjaar is bijna heilig en wordt tussen 21 januari en 20 februari gevierd. Op het Chinese Allerheiligenfeest neemt men twee dagen vrij om het graf van overleden familieleden schoon te maken, te onderhouden en bloemetjes naar het graf te brengen. Dit gaat gepaard met opvallende rituelen: diverse gerechten worden klaargemaakt, vuurwerk wordt afgestoken, kaarsen worden aangestoken en voedsel, wijn, nep- of namaakgeld wordt achtergelaten voor de voorouders als offerande. En dat allemaal gaat niet voorbij aan de samenleving, want daarna gaan de deelnemers terug naar hun sociëteit waar niet alleen de leden maar ook hun vrienden en vooraanstaande mensen uit de Chinese en Surinaamse gemeenschap, dus ook niet-Chinezen, worden uitgenodigd om deel te nemen aan een feestelijke maaltijd.
Omdat de groep relatief klein is, is de cultuur enigszins aan erosie onderhevig. Sprak de eerste generatie de taal nog goed, bij de tweede generatie was dat al veel minder het geval en bij de derde generatie zien we dat de taal bijna niet meer gesproken wordt.
In de Chinese cultuur is er een verschil tussen spreek- en schrijftaal. Beide moet je apart leren. Spreken zou de tweede generatie nog kunnen leren, maar schrijven wordt een zware opgave. Dat is ook in China zo. Mensen schrijven niet zo makkelijk meer maar typen liever op hun toetsenbord. Sommigen denken dat de Hakka-taal op den duur haast niet meer gesproken zal worden en dat de Hakka-cultuur als gevolg hiervan zal lijden. Maar zo’n vaart zal het niet lopen, want er zijn nog miljoenen Hakka-Chinezen die de Hakka-taal of een variant hiervan spreken. Bovendien zijn er buiten China, vooral in Maleisië en Taiwan, voldoende belangstellenden die ook de Hakka-taal willen leren, waardoor de taal zeker niet zal verdwijnen.

 

Prestaties van Hakka-Chinezen
Soms laat men zich neerbuigend uit over de Hakka-groep die naar Suriname is gegaan. Velen denken dat de Hakka’s een stelletje boeren zijn die een vreemd dialect spreken en weinig kunnen, terwijl men vergeet dat ongeveer 80% van de Chinese bevolking plattelanders zijn. Onder de Chinezen die naar Suriname gingen, hadden velen niet gestudeerd. Maar uit onderzoek van Man A Hing is gebleken dat er binnen de groep ook enkele leerkrachten waren die niet direct werden opgemerkt en een leidende rol binnen de Hakka-gemeenschap hebben gespeeld. Zij moesten natuurlijk wel wat kwaliteiten hebben gehad om leiding te kunnen geven, bijvoorbeeld goed kunnen schrijven en goed kunnen praten om anderen te overtuigen. Deze groep heeft het daarnaast gepresteerd om twee kranten uit te brengen.

De Hakka-Chinezen met een lange geschiedenis achter zich, hadden in de provincie Fujian een eigen opvallende architectuurstijl ontwikkeld die vrij uniek is in de wereld. Het gaat o.a. om ronde en geometrische gebouwen die drie tot vijf verdiepingen hoog zijn met muren van twee meter dikte en een open binnenplaats die voor o.a. tuinbouw en veeteelt geschikt werd gemaakt. Er konden wel 800 mensen in zo’n complex terecht. In de Koude Oorlog (omstreeks 1960) deed zelfs een anekdote de ronde dat de Amerikanen geheime satellietfoto’s hadden genomen van de gebouwen, omdat ze dachten dat het atoomsilo’s waren. Ze wilden weten of de Chinezen toentertijd al de beschikking hadden over kernenergie. Zelfs hebben ze een speciale expeditie gestuurd, bestaande uit o.a. een Chinese vrouw en een fotograaf, om te kijken wat die gebouwen voorstelden. Maar dat viel dus allemaal uiteindelijk reuze mee.

Deze nieuwe en aparte architectuur (ronde, geprononceerde gebouwen in geometrische vorm, soms vierhoekig en soms achthoekig) heeft er toe geleid dat de UNESCO al die gebouwen, dus in China, in 2008 op de Werelderfgoedlijst heeft gezet. Dus zo slecht was de situatie van de Hakka-Chinezen over het algemeen niet. Het probleem is meer dat buitenstaanders wellicht bepaalde vooroordelen hebben over de groep of hun situatie niet kunnen of willen begrijpen.

 

Feiten en misverstanden
Zoals bekend is een deel van de kinderen van de Chinese Surinamers evenals een deel van de kinderen van andere Surinamers naar Nederland gegaan om te studeren. In 2011 is van het CBS een artikel verschenen van Ko Oudhof en Carel Harmsen over de maatschappelijke positie van de Surinaamse bevolkingsgroep in Nederland. In het voorwoord van het artikel stond dat de Chinese Surinamers met veel hoogopgeleiden de aandacht trekken. Man A Hing heeft toen het CBS aangeschreven en gevraagd op basis van welke gegevens of studies men deze conclusie heeft getrokken. Hij kreeg toen als antwoord dat men door het geheel van CBS-studies en statistieken tot deze conclusie was gekomen.
Een ander voorbeeld van onduidelijkheid over Hakka-Chinezen in Nederland is een studie van sinoloog Jeroen Wiedenhof, die het boek Grammatica van het Mandarijn heeft geschreven dat in 2012 (3e druk) is uitgebracht. Ergens voor in het boek staat: ‘de Hakka-sprekers in Nederland zijn vooral afkomstig uit Suriname’. Maar nergens staat een bron of verwijzing opgenomen met betrekking tot deze uitspraak. Het is een oordeel waarachter je vraagtekens kunt plaatsen omdat een groot deel van de Hakka’s in Nederland niet afkomstig is uit Suriname. Misschien komt de helft van hen uit Suriname, maar de andere helft komt uit China, Taiwan, Hongkong of Maleisië. Maar dat weten velen niet. En de Hakka’s spannen zich ook niet in om hierin duidelijkheid te verschaffen, want velen binnen deze groep interesseert dit soort zaken niet zoveel. Ze kunnen dit soort verklaringen niet eens lezen. Dat is vaak het probleem van minderheden. Man A Hing maakt een analogie met andere minderheidsgroepen zoals de Marokkanen: ‘Er worden dikke boeken geschreven over Marokkanen, maar de Marokkanen lezen deze niet eens. De mensen zelf worden niet geconfronteerd met wat er over hen geschreven wordt. Dat is een nadeel want op die manier komt er geen discussie op gang.’

Bekend is de uitspraak van de huidige president van China over Chinese Surinamers. In 2013 had de huidige president van Suriname (Desi Bouterse) de president van China (Xi Jinping) ontmoet op Trinidad. President Xi Jinping heeft toen gezegd dat Suriname de meeste overzeese Chinezen in het Caribisch gebied herbergt en dat de Chinese cultuur een belangrijk onderdeel is van de Surinaamse pluralistische cultuur. Die uitspraak is nog door geen enkele Surinaamse auteur gedaan.

Na de onafhankelijkheid is de Hakka-groep in Suriname in omvang en betekenis wat achteruit gegaan. Ze waren eerst in de meerderheid, maar nu maken ze op z’n gunstigst gezegd ongeveer de helft uit van de Chinese bevolkingsgroep in Suriname. Door daling van het aantal Hakka-Chinezen spreken minder mensen het Hakka en neemt de verspreiding van de taal af.  Door deze ontwikkeling wordt het Mandarijn, de officiële omgangstaal in China, langzamerhand de meer algemene taal onder de Chinezen in Suriname. Het Hakka zal overigens nog gewoon deels gesproken (kunnen) worden naast het Mandarijn.

Sommige deskundigen doen voorkomen dat de Chinezen in China alleen maar Mandarijn spreken, maar dat is niet correct. Het Mandarijn is dan weliswaar de officiële omgangstaal (en misschien beschaafder!?) maar daarnaast spreken de mensen ook hun eigen dialect. Je kunt het best een vergelijking maken met de Nederlandse situatie waar naast het ABN ook nog Limburgs, Fries, Brabants, Twents, etc. wordt gesproken. Friezen spreken uiteraard Nederlands maar onderling spreken ze vaak en het liefst Fries dat overigens een officiële taal is naast het Nederlands. Zo zijn er in China ook verschillende gebieden waar men een eigen taal of dialect heeft.

 

Chinese juwelier aan de Maagdenstraat in Paramaribo. Foto © Michiel van Kempen

De “nieuwe” Chinezen
De nieuwe Chinezen, over wie nogal wat ophef wordt gemaakt, zijn vooral naar Suriname gekomen door de Surinaamse regering. Als gevolg van de aanbesteding van projecten kreeg de Surinaamse regering vanuit China geld en goedkope krachten. De fabrieken en maatschappijen die hiervoor werden ingezet rekruteerden arbeiders vanuit alle delen en provincies van het land voor Suriname. Deze “nieuwe” Chinezen, een bijzonder gemêleerd gezelschap, spreken een andere taal dan de oudere Hakka-Chinezen in Suriname. Wellicht wisten ze bij aankomst niet eens dat er al Chinezen in Suriname waren. Als ze in China op school hebben gezeten, spreken ze misschien wel een beetje Mandarijn, want Mandarijn is niet hun moedertaal. Als ze Mandarijn spreken, kunnen de traditionele Chinezen in Suriname ze nog een beetje verstaan.

De immigranten die de afgelopen 20-25 jaar zijn gekomen, zouden het land nieuwe perspectieven bieden, zo werd verondersteld. Maar daarvan is tot heden nog niet veel terecht gekomen in de ogen van Man A Hing.  De oude groep heeft drie grote sociëteiten waar je kunt vergaderen, bijeen kunt komen, etc. Ze hebben een begraafplaats, twee kranten in het Chinees die vrijwel iedereen kan lezen. Dus hoe dan ook, je kunt niet om de oude groep heen. Misschien is de nieuwe groep veelbelovend, maar in sociaal opzicht is er door hun komst nog geen verandering of verbetering merkbaar. De vraag is ook wat ze anders zouden moeten of kunnen doen wat de oude groep al heeft gedaan. Bovendien zijn veel van die nieuwelingen niet in Suriname gebleven. Ze wilden ook niet eens in het land blijven, maar beschouwden Suriname als een soort springplank naar Amerika. Want ze beseften ook wel dat, als je vooruit wilt komen, je naar Amerika moet gaan. Want daar kun je het in hun ogen ‘maken’ en ‘beter hebben’. Dat is hun ideaalbeeld. Ze hebben dus meer Amerika in het vizier dan Suriname.

Het Caribisch gebied is eigenlijk niet zo van belang voor China. De opnamecapaciteit van het gebied is beperkt. Vanuit China hebben ze dus niet zo veel op met het Caribisch gebied. Maar met Suriname hebben ze wel een band. Ze hebben gezien dat daar wel wat gepresteerd is en daar kunnen ze iets mee. Bovendien ligt Suriname dicht bij Brazilië, een land dat ook aantrekkelijk is. Brazilië is rijk aan grondstoffen, heeft mineralen, hout, bauxiet, olie, goud. Er zijn ook Chinezen in Afrika, ongeveer 1 miljoen. Voor Chinese begrippen is dat nog niet eens een stad[1].
De nieuwe Chinezen in Suriname zijn bezig te integreren. Hun kinderen gaan al naar school, leren de taal(en), komen in aanraking met anderen via de school en gaan ook verder studeren. Ze zijn een geweldige motor voor de integratie van hun groep in de Surinaamse samenleving.

 

De vereniging Chung Fa Foei Kon. Foto © Michiel van Kempen

Voorbeeldgroep
De oude Chinezen zijn destijds met een “plunjezak” naar Suriname gegaan maar hebben zoveel gepresteerd dat de resultaten opvallen. Na de oorlog was ongeveer 30% van de artsen in Suriname van Chinese afkomst. Verder viel op dat ze na een generatie vaak al een zaak of winkel hadden opgebouwd en dat hun kinderen al op de universiteit terecht waren gekomen. Velen vroegen en vragen zich af hoe ze dat doen en of ze hiervoor een speciale formule hebben.

Van overheidswege leek belangstelling aanwezig voor de wijze waarop de Chinese groep uit Suriname zover is gekomen, want hiervan kon men iets leren. Met andere woorden: hoe krijg je een kleine en relatief rustige bevolkingsgroep, die niet alleen werkt en studeert, maar ook nog succesvol? Of: Hoe zouden we hun manier van leven kunnen transplanteren op andere groepen? Een vraag die nog niet echt beantwoord is.

[1] Om aan te tonen over welke schaal we het hebben als het om Chinezen gaat, noemt Man A Hing het voorbeeld van Chinese toeristen in het dorpje Giethoorn: ‘Als Nederland toeristen wil hebben uit China dan zullen ze wel komen, maar in grote groepen van bijvoorbeeld duizenden personen per keer. Als men ze bijvoorbeeld in Giethoorn wil hebben, dan hebben ze dit dorpje zo onder de voet gelopen’.

Noot: Bewerkte tekst van een lezing van 6 mei 2017 voor de Werkgroep Caribische en Aziatische Cultuur Nijmegen.

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter