blog | werkgroep caraïbische letteren
Categorie: Sport & spel

De Surinaamse ‘Schone Slaper’ die niet sliep

door Harmen Boerboom

In Nederland mag het vandaag de dag van Dafne Schippers zijn, in Suriname zijn de ogen gericht op Sunayna Wahi. De 25-jarige zal vandaag, net als Schippers, starten op de 100 meter sprint. In Suriname roept het hardlopen op de Olympische Spelen niet alleen gevoelens van nationale trots op. Dat heeft te maken met een incident rond een atleet die de boeken inging als de ‘Schone Slaper’. lees verder…

Jeannette van Ditzhuijzen werkt aan boek over Enith Brigitha

Schrijfster en journaliste Jeannette van Ditzhuijzen werkt aan een boek over Enith Brigitha (1955). De van afkomst Curaçaose was in de jaren zeventig de meest toonaangevende Nederlandse zwemster, maar kwam niet verder dan brons op de Olympische Spelen. Later bleek dat de Oost-Duitse dames die naar goud en zilver zwommen dat deden met gebruik van doping. lees verder…

Suriname heeft een Sportmuseum

De opening van het Sportmuseum/Sports Hall of Fame (die ook via een SVTS-livestream te volgen was) vond plaats op de stralende middag van zondag 6 november 2016 in een voor de gelegenheid opgezette tent, die rijkelijk was gedecoreerd met ballonnen en protocollaire vertegenwoordigers van het Ministerie van Sport- en Jeugdzaken. lees verder…

‘Makhan chor’ als nationaal volksspel

Het lukt een team jongeren om de pot makhan te bemachtigen. (Foto: Ra-Ni Entertainment)
God Krishna was dol op roomboter, makhan. Zijn moeder deed er alles aan om de pot met makhan zo hoog mogelijk te bewaren. Alle inspanningen ten spijt, het lukte Krishna altijd om de pot te pakken. Het spel ‘Makhan chor (boterdief) is afgeleid van het epos van Krishna Lila (het spel van Krishna). 
Het spel is onder de Hindoes in Suriname in het vergeetboekje geraakt. Dinesh Malhoe van Ra-Ni Entertainment wil dit spel herintroduceren als nationaal volkspel. Zijn grootvader Sitari Malhoe organiseerde in het verleden dit spel op ‘Bradimofo’ in het district Saramacca.

Een pot met makhan [boter] wordt ongeveer zes meter hoog opgehangen. Jongedames en heren klimmen op elkaars schouders in een poging de pot te pakken. Het team dat succes heeft, is de winnaar van dit spel. Bij de viering van Phagwa op 27 maart krijgt de samenleving een demonstratie van een traditionele ‘makhan chor.’ Jongeren van de Shiva Hind school uit Trinidad zullen het spel tonen.

Harmonieus en gemoedelijk 
Malhoe wil dit spel een jaarlijks terugkerend karakter geven waarbij de finale plaatsvindt in de Palmentuin. De bedoeling is dat alle districten een ‘makhan chor’ kiezen, die tegen elkaar uitkomen in de finale. De winnaar krijgt dan een wisseltrofee en is de ‘Makhan Chor Kampioen’ van dat jaar. Malhoe heeft toestemming om het Holi-feest in de Palmentuin te vieren. Onder de naam ‘Nationale Phagwa Manifestatie’ zullen diverse attracties, waaronder chautal en tazza-groepen, bhaitak gana, worden gehouden.

“Het is de bedoeling om dit tot de grootste en leukste phagwa-manifestatie te maken, waarbij een ieder heel harmonieus en gemoedelijk met elkaar dit feest kan komen vieren, zonder wilde stoeipartijen,” zegt Malhoe. “Er zal heel streng worden opgetreden tegen onruststokers.”

De Palmentuin is recent volledig gerenoveerd en omrasterd. De organisator garandeert dat de bezoekers streng zullen worden gecontroleerd bij de ingangen. “Het is ten strengste verboden om iets anders dan poeder en kleursel naar binnen te brengen,” benadrukt hij. “Het moet een familiefeest worden.”

[uit Starnieuws, 14 maart 2013]

Indonesische diaspora

door Peter Meel

Wie het is ontgaan, heeft deze zomer onder een steen geleefd. Twee weken lang hield het nieuws de gemoederen bezig. Radio en televisie verkeerden in een verhoogde staat van paraatheid, sociale media waren oververhit, kranten raakten er niet over uitgeschreven. Zoals dat in Nederland met sportief succes gaat, bestond de rest van de wereld even niet en vloeiden opluchting, blijdschap, trots, vaderlandsliefde, aanstellerigheid en verdwazing onbekommerd in elkaar over. De triomfen van Ranomi Kromowidjojo op de Olympische Spelen in London waren er dan ook naar. Als winnares van twee gouden medailles (50 en 100 meter vrije slag) en een zilveren medaille (4 x 100 meter vrije slag) verzamelde ze van de Nederlandse deelnemers het meeste eremetaal en ontpopte ze zich als de koningin van de Olympische sportploeg. Kromowidjojo werd gehuldigd in Den Bosch (door ‘het Nederlandse volk’), in Den Haag (door premier Rutte), in Eindhoven (door haar zwemvereniging) en in Sauwerd (door haar thuisbasis). Ze was ook het middelpunt van een Olympisch gala dat in Amsterdam plaatsvond.

De zegetocht van Kromowidjojo vond plaats in dezelfde maand als een aantal gerelateerde gebeurtenissen waarvoor in de nationale en internationale pers minder aandacht was. Van de herdenking van de Javaanse immigratie op 9 augustus en de viering van de onafhankelijkheid van Indonesië op 17 augustus werd wel verslag gedaan, maar deze gebeurtenissen hadden vooral een routinematig verloop. Wel bijzonder was het congres van de Indonesische diaspora dat van 6 tot 8 juli in Los Angeles werd gehouden. Het was voor het eerst dat Jakarta het op zich nam om vertegenwoordigers van de over vijf continenten verspreide Indonesische diaspora bij elkaar te brengen en na te gaan wat de leden voor de ontwikkeling van Indonesië zouden kunnen betekenen. Volgens Jakarta kan de diaspora met zijn kennis, vaardigheden en kapitaal een impuls geven aan de economische groei van Indonesië, de sociale ongelijkheid in het land helpen terugdringen en bijdragen aan het realiseren van de politieke ambities van de regionale grootmacht.

De Indonesische regering volgt met deze politiek het voorbeeld van India dat vanaf de eindjaren tachtig een vergelijkbare weg insloeg. Het introduceren van twee nieuwe categorieën – People of Indian Origin and Non-Resident Indians – en het binden van beide groepen aan ‘moeder India’ was en is bedoeld om de politieke macht van Delhi te versterken en sociaal-economische vooruitgang op het subcontinent te bespoedigen. India maakt al enige tijd deel uit van de snel opkomende economieën die bekend staan onder de naam BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China). Sinds een aantal jaren probeert Jakarta zich te positioneren als een N-11 (next eleven) economie, samen met onder andere Turkije, Mexico, Zuid-Korea en Nigeria, met de bedoeling op zeker moment eveneens de status van BRIC-land te verwerven. Volgens de slotverklaring die op het congres in Los Angeles werd aangenomen, heeft de 21ste eeuw het in zich om de beste eeuw voor Indonesië te worden. De synergie van de diaspora met Indonesië en de ontwikkeling van een dynamisch partnerschap bieden de mogelijkheid om gedeelde voorspoed voor alle betrokken bevolkingsgroepen tot stand te brengen.

In The Jakarta Poststelde de spiritueel activist Anand Krishna dat het diasporacongres uitdrukking gaf aan ‘het ware gezicht van het nationalisme’. Hij herinnerde eraan dat volgens de Pancasila ideologie het Indonesische nationalisme geen benepen stelsel van opvattingen was, maar een levensbeschouwing ingekaderd in het grotere raamwerk van internationalisme en humanisme. De doelstellingen van de conferentie dienden volgens Krishna te worden beschouwd als een flinke stap in de richting van de verwezenlijking van Sukarno’s ideaal. Dat de gevoerde diasporapolitiek een gedeeld belang propageert, maar een Indonesisch belang de boventoon laat voeren, liet Krishna onvermeld. President Susilo Bambang Yudhoyono was er in zijn welkomstwoord open over. Hij sprak van de ‘grote familie van de Indonesische natie’ en benadrukte het voornemen van de Indonesische regering om (in navolging van India) visaprocedures te versoepelen en speciale visa voor de Indonesische diaspora in het leven te roepen. Op de invoering van een duaal burgerschap (een verlangen vanuit de diaspora) wenste hij zich niet vast te leggen. Yudhoyono: ‘Indonesia today is a new regional power with a global outreach. Indonesia has become the world’s third largest democracy. Indonesia has grown to be Southeast Asia’s largest economy, with the largest middle class in ASEAN. […] Let us make our nation as one of the world’s top-ten largest economies.’ Yudhoyono’s afscheidsgroet – ‘tot ziens in Indonesië’ – was een oproep om de blik naar het ‘thuisland’ te richten, maar wees tevens vooruit naar het tweede diasporacongres dat voor augustus 2013 in Jakarta staat gepland.

De Indonesische ambassadeur in de Verenigde Staten (en drijvende kracht achter het congres) Dino Patti Djalal deed evenmin geheimzinnig over de vruchten die Jakarta van de Indonesische diaspora hoopt te plukken. Hij legde zijn gehoor voor dat het per capita inkomen van de Indonesische diaspora naar schatting vijf keer hoger ligt dan het per capita inkomen in Indonesië. Jaarlijks maakte de Indonesische diaspora naar zijn zeggen 7 miljard Amerikaanse dollars aan Indonesië over. Naar het oordeel van Djalal was het geheim van de Indonesische diaspora dat deze beschikte over brain power, heart power en will power. Die zouden als cement dienen bij het opbouwen van een Indonesisch diaspora netwerk (IDN). Dit netwerk – een van de uitkomsten van het congres – heeft tot doel de Indonesische gemeenschappen beter te organiseren en hechter met elkaar te verbinden, de Indonesische regering (in het bijzonder de afdeling diasporazaken) met ideeën te voeden en strategische allianties te smeden met publieke en private organisaties om speciale diasporaprogramma’s uit te voeren. Ten slotte is het de taak van het netwerk om ‘kampioenen’ uit de Indonesische diaspora te identificeren die de diaspora-agenda verder kunnen zetten en als speciale ambassadeurs binnen en tussen de Indonesische gemeenschappen kunnen optreden.

Ranomi Kromowidjojo lijkt de juiste papieren te bezitten om zo’n ambassadeur te kunnen worden. Ze is slim, knap, evenwichtig, gedisciplineerd, representatief, communicatief en internationaal georiënteerd. Los van haar prestaties hebben haar ontspannen omgang met publieke en sociale media belangrijk aan haar naamsbekendheid en uitstraling bijgedragen. In Suriname worden haar verrichtingen al langere tijd met veel belangstelling gevolgd. In Indonesië zijn haar overwinningen in London gevierd als waren zij van een landgenoot. Veel Indonesiërs beschouwden de huzarenstukjes van Kromowidjojo als een welkome compensatie voor de teleurstellende prestaties van de eigen Olympische ploeg (één zilveren en één bronzen medaille bij het gewichtheffen). Ook de betekenis van haar achternaam (‘opeenvolgende overwinning’ of ‘voortdurende uitmuntendheid’) spreekt tot de verbeelding van de Indonesische diaspora en is medebepalend voor de aantrekkingskracht die er van de zwemster uitgaat.

Er moet tegelijk wat worden afgedongen op Kromowidjojo’s geschiktheid voor de rol van diaspora-ambassadeur. Het bleef niet onopgemerkt dat de Olympisch kampioene bedankte voor een ‘cultureel eerbetoon’ dat vanuit de Surinaamse en Indonesische gemeenschap in Nederland was voorbereid. Volgens haar zaakwaarnemer vond Kromowidjojo het wel mooi geweest, al die huldigingen, en had ze geen behoefte aan nog een feestelijk onthaal. Deze reactie is veelbetekenend. Bij alle opwinding rond haar persoon blijft Kromowidjojo nuchter, vastbesloten om zich niet van de wijs te laten brengen. Daarbij voegt zich nog iets anders. Kromowidjojo is trots op haar Surinaams-Javaanse wortels, houdt van het geboorteland van haar vader en is een liefhebber van de Javaanse keuken. Tegelijk lijkt het haar te ontbreken aan de behoefte om deze achtergrond te verbijzonderen. Daarvoor is ze teveel een kind van het Nederlandse noorden en te zeer vergroeid met de cultuur van de polder. Als topsporter appelleert zij aan mensen die zich etnisch verwant aan haar voelen, maar persoonlijk ziet zij die identificaties als secundair en beschouwt zij haar gemengde afkomst als een gegeven. Het is maar een dun draadje dat haar met de Indonesische diaspora verbindt.

Nieuwe bobi’s

door Nina Jurna

Mijn oppas Fatima kan haar geluk niet op. Voor veertien februari heeft ze vrij gevraagd. Die dag gaat haar dochter namelijk onder het mes. Een valentijnscadeautje van haar nieuwe vriend: grotere bobi’s. Brazilië is land nummer 1 als het gaat om de goedkoopste, beste en meest uitgevoerde cosmetische operaties. Voor nog geen 1.500 Amerikaanse dollar koop je al een paar grotere borsten. Met een gebaar waarmee ze de omvang van de toekomstige goedgevulde siliconenborsten, van haar dochter nabootst wordt duidelijk dat er echt wel een paar maten bij zullen komen. Zelf was het me niet direct opgevallen dat dochterlief niet zoveel had, maar nu het bijna zover is wil ik er ook alles over weten.

Het was me al duidelijk dat je lichaam verbouwen in Brazilië de gewoonste zaak van de wereld is. Net zo normaal als naar de kapper of de schoonheidssalon gaan. Niemand schaamt zich ervoor. Het stikt hier van de klinieken. De talloze grotere en kleinere shoppingmalls hebben standaard een afdeling met alleen maar plastische chirurgie. Je loopt er net zo makkelijk binnen als bij de supermarkt. Prijslijsten hangen soms zelfs in de etalages. Omdat billen hier het schoonheidsideaal zijn, is dat het eerste dat de Braziliaanse vrouw aan zichzelf verandert als ze vindt dat haar bil niet ver genoeg naar achteren staat. Fatima’s dochter schreef laatst het totaalbedrag op om er, zoals ze dat noemt, als ‘een Barbie’ uit te zien. Met nog wat liposuctie op verschillende plekken erbij zou dat op nog geen vierduizend Amerikaanse dollar komen. “Maar gelukkig betaalt mijn vriend het voor me, anders moest ik nog jaren sparen,” zei ze er lachend bij.

De discussie die toen ontstond heb ik niet gewonnen, ik zeg het er maar direct bij. Ik ben van mening dat hij haar gewoon moet nemen zoals ze is, met kleine of grote borsten. Het gaat toch niet alleen om het uiterlijk? Zij vond het juist een teken van liefde dat hij haar borstoperatie betaalt. “Ik voel me lekkerder met grotere borsten. En welke man houdt er niet van grote borsten? Het mes snijdt dus aan twee kanten. We helpen elkaar.” Was haar conclusie. Ook al zijn de Brazilianen een zeer gelovig volk, ook mijn poging om de schepping, God en de natuur erbij te halen liep op niets uit. De godsdienst van de plastische chirurgie staat hier blijkbaar boven alles. “Het is toch een wonder dat dit kan?” was haar reactie en vervolgens liet ze haar nieuwe bh’s zien, speciaal aangeschaft voor haar toekomstige D-cup. Er is wel iets waar mijn oppas zich zorgen over maakt. Het wispelturige karakter van haar dochter. De relatie met haar vriend, die de operatie betaalt, is al talloze keren aan en weer uit gegaan. Er is nog ruim een week te gaan voor de operatie plaatsvindt en Fatima duimt dat haar dochter zich rustig houdt “Maak geen ruzie, tot je de borsten hebt, daarna zie je wel hoe het allemaal gaat’. Drukt ze haar dochter op het hart. Ik probeer me een voorstelling te maken wat er gebeurt als de relatie na de operatie uit zou gaan. Gaat haar vriend dan zeggen: “geef me mijn borsten terug?”

[uit de Ware Tijd, 07/02/2012]

Voetbalclichés

door Hassan Bahara

Het is altijd smullen geblazen als sportcommentatoren zich aan antropologische duiding wagen. Als zwarte atleten winnen, komt dat door ‘natuurlijke aanleg’. Als een blanke goed presteert, komt dat door ‘hard trainen’, ‘intelligentie’ of ‘strategisch inzicht’.” Tijd om een nieuw cliché te munten. Over Sportverslaggevers.

Gisterenavond tijdens de dramatisch verlopen wedstrijd tussen Gabon en Marokko (Afrika Cup 2012) deed de commentator een memorabele uitspraak: “Wat je vaak ziet in het Afrikaanse voetbal: de drang om te scoren is erg groot.”

Het is altijd smullen geblazen als sportcommentatoren zich aan zulke antropologische duiding wagen. Struikelt een Duitser over een onzichtbare uitgestoken been, dan heet het toneelspel dat in het geniepige voetbal-DNA van de Duitser gebrand zit. Zet om het even welke Zuid-Amerikaanse voetballer een onbesuisde sliding in, dan zijn we getuige van een onbeheerste en cultureel bepaalde moordzucht.

 

Ook over onze eigen voetbalcultuur neigen we in clichés te denken. Wat er vervolgens gebeurt als het spel niet aan de clichés voldoet, beschrijft Ian Buruma heel mooi in zijn formidabele boek Dood van een gezonde roker:

“Je ziet hetzelfde fenomeen dikwijls aan de manier waarop het Nederlands elftal voetbalt. Trots op hun superieure techniek, hun multiculturele samenstelling, hun soepele, haast arrogante spel, waarmee ze spelers van saaiere ploegen, zoals Duitsland, razend maken, beginnen de sterren van de nationale voetbalploeg de wedstrijd gewoonlijk met alle branie van het geweldige Amsterdam. Ze weten dat ze de beste zijn in hun speelse individualisme, hun vergaande stoutmoedigheid. En soms zijn ze dat ook. Maar als het tegen zit en de volhardende Duitsers, de obstinate Italianen of de stugge Engelsen een of twee doelpunten maken, laten de spelers het hoofd snel hangen en zijn de verwijten niet van de lucht. En als de wedstrijd verloren wordt heerst er een zure sfeer van verongelijktheid: hoe heeft dit ons kunnen overkomen? Waaraan hebben we dit verdiend? We zijn toch zeker de besten? Fuck you!”

Gisteren schreef De reizende commentator Maarten Huygen in NRC over een heftige discussie in de publieksloge van het Utrechtse stadion de Galgenwaard. Inzet was een onderzoek van Jacco Sterkenburg die had “vastgesteld dat Marokkanen bij sport weliswaar beter worden behandeld dan elders in de media, maar dat zwarte atleten vaker dan anderen worden beschreven in lichamelijke termen. Als zij winnen, komt dat door ‘natuurlijke aanleg’. Als een blanke goed presteert, komt dat door ‘hard trainen’, ‘intelligentie’ of ‘strategisch inzicht’.”

“Verlicht racisme” noemt Sterkenburg deze verschillen in duiding van een sportprestatie.

Hilarisch en intriest tegelijk is het commentaar hierop van een sportverslaggever die de conclusie van Sterkenburg lijkt te delen:

„Zwarten hebben een fijner ontwikkeld spierstelsel en daardoor bereiken ze de finale”, zei een man. „Dat is een determinant. Schaken is een determinant voor witten. Maar mijn mening is politiek incorrect.”
Uit verder onderzoek van Sterkenburg bleek dat Marokkanen en Surinamers zich aan de sportverslaggeving storen. Aanleiding voor Sterkenburg om de NOS te vragen of ze hier geen rekening mee kunnen houden en proberen deze ergernis weg te nemen. Maar daar had sportverslaggever Jeroen Grueter weinig oren naar. Zijn werk is al druk en zwaar genoeg, hij kan ook niet nog eens rekening gaan houden met de ergernissen van een fractie van het kijkerspubliek.

Tja. Opmerkelijke afweging. Tijd dus om een nieuw cliché te munten. Sportverslaggevers: zonder uitzondering lui en volgevreten volk dat de platitude liever is dan nuance en inzicht. .

Hassan Bahara is columnist, criticus en schrijver. Hij heeft sinds kort een weblog. Deze column is eerder op zijn blog verschenen en in overleg met Hassan Bahara ook op Republiek Allochtonië geplaatst.


[vanRepubliek Alochtonië, 29 januari 2012]

Mastklimmen


Prentbriefkaart van de volksspelen op het Gouvernementsplein. Onderschrift: ‘Op Koninginnedag. Mastklimmen. Eugen Klein, Uitgever H.B. Heyde, Drukker’ Achterzijde: ‘Briefkaart uit de kolonie Suriname. Algemeene Postvereeniging.’

Locatie: Paramaribo, Suriname
Vervaardiger: Eugen Klein
Inv. Nr.: 09-42
Fotoarchief Stichting Surinaams Museum
Een van de foto’s in het historische foto-archief van het Surinaams Museum op Flickr, zie de link in de kolom rechts.

Surinaamse sportencyclopedie on-line

De eerste Surinaamse sportencyclopedie (1893-1988) van Ricky W. Stutgard is zojuist geheel on-line beschikbaar gekomen bi de DBNL. Daarmee is niet enkel dit naslagwerk doorzoekbaar, ook door het intikken van de namen van sporters op zoekmachines, komt men direct terecht bij het uit 1992 stammende werk van Stutgard.
Klik hier om de Surinaamse sportencyclopedie on-line te vinden..

Ridder

Jarenlang werd Clarence Seedorf achtervolgd door misprijzen. In de ogen van veel Nederlandse voetballiefhebbers kon hij maar weinig goed doen. Seedorf werden twee penalty’s nagedragen die hij in dienst van het Nederlands elftal miste. Zijn acties in Oranje werden als solistisch aangemerkt en weggehoond als zij in schoonheid stierven. Zijn veelvuldige argumenteren met bondscoaches en medespelers leverden hem het imago op van een lastpost, die koste wat kost zijn gelijk wilde halen. Is het moment aangebroken om een streep te zetten onder deze verguizing?

Op 28 april werd Seedorf benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In Rome ontving hij zijn Koninklijke onderscheiding uit handen van de Nederlandse ambassadeur in Italië, in aanwezigheid van Silvio Berlusconi, premier van Italië en voorzitter van AC Milan, de club waarvoor Seedorf momenteel speelt. Het was de bekroning van een grootse sportcarrière en een blijk van waardering voor de sociaal-maatschappelijke projecten waarvoor Seedorf zich al sinds jaar en dag inzet. Tegelijk leek het lintje een vorm van genoegdoening voor de behandeling die hem in het verleden als speler van het Nederlands elftal ten deel is gevallen.

In zijn residentie, waar de plechtigheid plaatsvond, verkeerde de ambassadeur in een verhoogde staat van euforie. Zijn toespraak kreeg vleugels (‘Seedorf is een groot Nederlander in het buitenland’) en de belangstelling van de pers verleidde hem zelfs tot het debiteren van een besmuikt grapje. Berlusconi wilde als humorist niet voor hem onderdoen en lardeerde zijn lof voor Seedorf (‘Seedorf is een leider, een voorbeeld en een heer’) met enkele schalkse opmerkingen, waarop hij inmiddels het patent lijkt te hebben. Om het Nederlandse karakter van het feestje te benadrukken, overhandigde Hare Majesteits hoogste vertegenwoordiger Berlusconi een paar ‘klassieke’ houten klompen. Seedorf kreeg een paar klompen in de kleuren van AC Milan. De middenvelder gaf geen krimp en speelde het spel diplomatiek mee. Hij was blij met de verkregen erkenning.

Het staat nog te bezien of de onderscheiding een omslag zal betekenen in de waardering van de Nederlandse voetballiefhebber voor Seedorf. Hij heeft deze upgrade zonder twijfel verdiend als we zijn sportprestaties in aanmerking nemen (hij won als speler alleen al vier keer de Champions League met Ajax, Real Madrid en AC Milan) en oog hebben voor zijn maatschappelijke verdiensten (in Suriname, Italië, Brazilië, Kenia en Cambodja). Te vaak wordt vergeten dat Seedorf, evenals Johan Cruijff, als clubvoetballer veel meer heeft betekend voor het internationale voetbal dan als speler van het Nederlands elftal. Natuurlijk is Seedorf ook een trotse vedette, die weet wat hij waard is en maling heeft aan valse bescheidenheid. In Nederland roept dat weerstanden op, in de rest van de wereld is dat onlosmakelijk verbonden met een sterrenstatus.

Wat mij aan Seedorf nog altijd het meeste opvalt, is zijn welbespraaktheid en zelfbeheersing. Waar Cruijff nog geen twee coherente zinnen achter elkaar kan uitspreken en recentelijk voor gangstermethoden lijkt te hebben gekozen om Ajax, de club waar hij ooit triomfen vierde, over te nemen, daar is Seedorf een wonder van balans en bezonkenheid. Al bij de start van zijn carrière gold hij als serieus, een beetje ouwelijk voor zijn leeftijd zelfs, en weloverwogen in zijn doen en denken. Je kunt je afvragen of ze bij Ajax het type Seedorf niet veel beter kunnen gebruiken dan het type Cruijff. Al overweegt Seedorf niet te stoppen met voetbal, het kan geen kwaad om El Presidente, zoals zijn bijnaam luidt, eens te polsen voor een bestuurlijke functie bij de club. Laat de erkenning van Seedorf geen symboolpolitiek blijven.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter