blog | werkgroep caraïbische letteren

Caraïbische Zeekapers aan Hof te Suriname voorgeleid

door William Man A Hing

Tot in de 19e eeuw bleef het onveilig in het Caraïbische Zeebekken. Koopvaarders werden er vaak het doelwit van piraten.  Onder deze omstandigheden besloot Nederland maatregelen te treffen voor het beveiligen van de internationale vaarroutes rond de eigen Antillen. Na aanhouding werd een kaper in 1829 met bemanning en buit naar Suriname meegenomen voor berechting van de schuldigen.

 

De Oost-Indiëvaarder Kent in gevecht met het kaperschip Confiance onder het commando van de Franse kaper Robert Surcouf in oktober 1800, op een schilderij van Ambroise Louis Garneray.

 

Van commissievaarders, boekaniers en hun misdrijven
Commissievaarders of kapers waren zeevaarders die handelden met een officieel document. Het ging hier om een kaapbrief of commissiebrief houdende vergunning van een vorst, landsbestuur of ook wel een grote onderneming om een vijand zoveel mogelijk nadeel toe te brengen op zee door roof danwel aan land door brandstichting of brandschatting. Van de opbrengst ontving de principaal of volmachtgever een afgesproken aandeel.
Ook de West-Indische Compagnie (1621-1674 en 1674-1791), een grote multinational, heeft zich aan de zeer lucratieve kaapvaart gewijd.  Volgens Prud’homme van Reine heeft de WIC gestaan voor: ” kaapvaart, kolonisatie en koophandel “. Voorts werd in 1808 door Adriaen Teyler van Hall een nieuwe kaapvaartrederij opgericht onder de naam “Kruistogt en Kaapvaart”. De laatste nederlandse commissiebrief werd op 14 juli 1810 uitgegeven. (Prud’homme van Reine, 1996)

 

Piet Hein, een olieverf kopie uit 1629 naar een verloren gegaan origineel uit 1625 van Jan Daemen Cool

In deze categorie moge worden volstaan met twee voorbeelden van bekende zeehelden uit de Lage Landen:
a. Piet Heyn (Pieter Pietersz. Heyn, 1577-1628) die als vice-admiraal in dienst van de West-Indische Compagnie 1628 een grote Spaanse zilvervloot in de Baai van Matanzas bij Cuba wist te veroveren;
b. Abraham Crijnssen (Vlissingen, ? – 01 februari 1669, Paramaribo) die in dienst van de admiraliteit van Zeeland 25 februari 1667 en 28 april 1668 de kolonie Suriname op de Engelsen heeft veroverd. Door hem is het verdedigingsfort te Paramaribo aan de Suriname-rivier naar zijn werkgever tot Zeelandia vernoemd;
Zeerovers, boekaniers of piraten waren zelfstandige zeevaarders die de zeeën doorkruisten “op de vrije nering “. Zij gingen op zoek naar willekeurige slachtoffers en handelden op eigen gezag en voor eigen rekening. Deze zeelieden waren door het universaliteitsbeginsel in het recht als het ware vogelvrij verklaard voor wetshandhavers van alle overheden. In het Caraibisch gebied werden zeerovers “boekaniers” genoemd naar de wijze waarop dezen hun vlees bereidden in navolging van de onbeschaafde roodhuiden: boucaneren.
Twee bekende voorbeelden in deze categorie zijn:
a. Captain Henry Morgan (1635(?), Wales – 25 augustus 1688, Jamaica) was als boekanier begonnen maar trad later in dienst van de Engelse overheid om zijn vroegere kompanen te bestrijden. Hij was zo succesvol in zijn nieuwe functie dat hij werd geridderd en tot 1688 heeft gefungeerd als Gouverneur van Jamaica;
b. Captain Robert William Kidd (1645, Schotland – 1701, Londen) was een Amerikaanse immigrant die aanvankelijk actief was op de kaapvaart maar later uit onvrede met zijn resultaten zeerover werd. Hij werd uiteindelijk 1701 in Londen ter dood veroordeeld en opgehangen.

 

Captain Henry Morgan

Nieuwe bestuursregeling voor de West
Bij Koninklijk Besluit van 21 juli 1828 no. 222 werd het “Reglement op het beleid der Regeering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen” afgekondigd waarbij het bestuur van de Antillen en Suriname administratief werd samengevoegd en onder het gezag gesteld van een gouverneur-generaal met zetel te Paramaribo.  Daarvoor was reeds bij een afzonderlijk besluit het rechtswezen voor dit gebied gewijzigd met de instelling van het “Hof van Civiele en Crimineele Justitie” dat:
a. in beroep oordeelde over vonnissen van een “Regtbank van Kleine Zaken”, en
b. in eerste en hoogste instantie rechtsprak inzake misdrijven.
Na zestien jaar werd bij K.B. van 09 april 1845 no. 8 deze omslachtige en onpraktische bestuursstructuur opgeheven. Op deze wijze werden de Antillen en Suriname bestuurlijk opnieuw gescheiden en ieder onder een eigen landvoogd geplaatst.

 

Kaart van de Île de la Tortue, in de tijd van de boekaniers, 17de eeuw

Aanhoudende onrust
Goed beladen schepen van de koopvaardij waren niet opgewassen tegen bewapende vaartuigen van gewelddadige zeeschuimers die de Caraïbische wateren doorkruisten.  Vaak dienden de Nederlandse Antillen als aanloop- of vluchthaven voor de zeerovers. Daar konden buitgemaakte goederen te gelde worden gemaakt en tevens nieuwe voorraden vers drinkwater en proviand worden ingeladen. In dit opzicht hadden vooral de eilanden St. Eustatius en Saba van oudsher een reputatie hoog te houden.
Ter beteugeling van de onveilige situatie rond de vaarroutes bij de Antillen dienden concrete stappen te worden genomen door de autoriteiten ter plaatse als door het moederland.  Door de eerste Gouverneur-Generaal de Schout-bij-nacht Paulus Roelof Cantz’laar (1771, Amsterdam – 1831, Paramaribo) werd 1829 (G.B. No. 16) terzake al een verordening afgekondigd met : ” … maatregelen, ter stuiting van zoo veel mogelijk van Zeeroof … In deze verordening werden: ” Aan alle Commissievaarders of kapers … de toegang ontzegd in de Havens, Reeden en Baaijen in de Nederlandsche West-Indische Bezittingen … ”
Door de Nederlandse regering werd het oorlogsschip “Valk” (1) naar de West gedirigeerd met de opdracht vaarroutes in het Caribisch gebied te beveiligen tegen zeerovers.  In 1829 was het al raak en werd, volgens het logboek, op 5 april, “komende van St Eustatius onder Saba de “Buenos-Ayriaanse kaper “Generaal Dorego” met zijn Braziliaanse prijs, een driemaster genaamd “Lébre” aangehouden. Volgens Teenstra (1835: 69 evv) was de Generaal Dorego “een gewapende oorlogschooner” met een bemanning van 45-man. Het kapervaartuig had de Braziliaanse driemaster Lébre onder kapitein Joao Macario Sylvae Figiera buitgemaakt die op weg was van Brazilië naar Afrika om slaven op te halen en die rijk beladen was “aan kleedingstukken en snuisterijen”. De kaper werd vervolgens op 10 april opdracht gegeven het oorlogsschip naar Suriname te volgen, nadat o.a. de twee vreemde vaartuigen waren voorzien van brandhout en victualie voor de equipage voldoende voor een maand. Na een reis van ongeveer 900 zeemijlen konden de aangehouden bemanning en schepen op 6 mei 1829 te Paramaribo worden overgedragen aan de Procureur-Generaal.

 

Het Hof van Justitie in Paramaribo (Benoît, 1830)

 

Het proces tegen de kapers
De reden waarom de zaak werd aangebracht bij het Hof van Justitie in Suriname had te maken met zowel de aard van het delict als met de bevoegdheid van het hoge rechtscollege.
a. het misdrijf van zeeroof was strafbaar gesteld bij de wet;
b. het Hof van Civiele en Crimineele Zaken te Paramaribo was aangesteld als de hoogst bevoegde rechter voor het grondgebied van geheel Nederlands West-Indië. Zie hierboven.
Het proces tegen de kapers vond in twee fasen plaats. Eerst werd bij resolutie van 26 mei 1830 door het Hof “het scheepsvolk buiten proces gesteld”. Het is niet duidelijk waarom de leden van de lagere bemanning niet verder zijn vervolgd. De zaak tegen de vijfkoppige leiding der piraten verviel in “een langdurig en ingewikkeld proces”, waarin tegen elk der beklaagden de doodstraf werd gevorderd. Bij arrest van13 oktober 1830 werden de volgende straffen vastgesteld.
Vier van de officieren werden schuldig of medeplichtig verklaard aan de te laste gelegde misdaad van zeeroof:
1. kapitein Alexandro Beriteaud werd “veroordeeld tot de straffe van Dwangarbeid (a) voor twintig jaren, op zoodanige plaats in de Nederlandsche West-Indische Bezittingen, als welke Zijne Excellentie de Gouverneur Generaal het meest doelmatig zal oordelen”; (2)
2. Steven Donay werd veroordeeld “tot Dwangarbeid in voege voor schreven, voor den tijd van vijftien jaren”;
3. Manuel Echanes werd veroordeeld tot “eene gevangenis(straf) voor den tijd van drie jaren”;
4. Charles Stewart werd veroordeeld tot “eene gevangenis(straf) voor den tijd van drie jaren”;
5. Eugene Gouvernou is geabsolveerd “en dienvolgens onverwijld na de uitspraak in vrijheid gesteld geworden, mits blijvende onder het toezicht der politie, tot zich voor hem eene geschikte gelegenheid zal opdoen, hem deze Kolonie te doen verlaten.”
Voorts werd het kaperschip verbeurd verklaard en later openbaar ten verkoop aangeboden.
Aan zijn verslag van de procedure voegde de krant het volgende commentaar toe:
“Voor zoo verre niet reeds de zaak op zich zelve tot verzachting van deze eisch was gedisponeerd, zal tot de vermelde mitigerende uitspraak welligt hebben bijgedragen de meesterlijke memorie van verdediging, door de aan de beklaagden toegevoegde praktizijns (b) aan het Hof ingediend, die, zoo wij wel geinformeerd zijn, schitterende proeven heeft opgeleverd van de scherpzinnigheid en doorwrochte regtskunde der stellers, welke wij van harten met den goeden uitslag hunner belangeloze pogingen, ter vermindering van het ongeluk hunner natuurgenoten, geluk wenschen.”
“(a) Gallice: travaux forcés, waarvan men de definitie kan vinden in art. 15 van den Code Penal. – Dezelve staat gelijk met het bij ons bekende “klinken in boeijen om naar het Cordon van binnenlandsche defensie te worden opgezonden, en aldaar in dezelve boeijen te arbeiden”, welke straf in de latere koloniale wetgeving met den naam van “dwangarbeid” meermalen is verwisseld.- Men zie Publicatie van gouverneur generaal in rade, dd 16/17 Maart 1830, art. 9 en 17 — Gouvernementsblad no. 2, en Publicatie van gouverneur generaal in rade, dd 31 Augustus / 15 September 1830, art. 1, 2, 3, 4 en 5, Gouvernementsblad no. 12.
(b) De heeren Mr C.P. Vlier, H.D. van Meerten, E.E. Emanuels, H. Bijlaart; en N. G. Vlier.”
Aldus het verslag van de Surinaamsche Courant van 17 oktober 1830, no. 83.
Overigen kan uit de summiere beschrijving worden afgeleid dat het proces is verlopen volgens de regels van de extraordinaire procedure van de Crimineele Ordonantiën van Philips II. De toegevoegde praktizijns hebben terzake van de verdediging hunner cliënten niet meer dan een schriftuur, de hier genoemde “memorie van verdediging”, kunnen indienen. Er werden geen pleidooien gehouden en evenmin werden er getuigen gehoord.

Slot
Internationale scheepvaartmisdrijven lijken niet veelvuldig voor te komen in de Nederlandstalige rechtspraak. Deze opmerkelijke zaak met de Generaal Dorego die in 1830 is voorgelegd aan het Hof van Civiele en Crimineele Zaken te Paramaribo is enig in zijn soort gebleven in de jurisprudentie van Suriname. In Nederland is 2010 de “Strafzaak tegen vijf Somalische piraten” door de Rechtbank Rotterdam behandeld.

Noten
(1) Blijkens gegevens van het Ministerie van Defensie was de “Valk” een brik, gebouwd op de Rijkswerf te Rotterdam en aldaar 9 augustus 1824 tewater gelaten. De eerste indienststelling vond 15 september 1824 plaats. Het commando over het schip met zijn 106-koppige bemanning werd tot 1 mei 1831 gevoerd door kapitein W.J. van Es.
Aan bewapening werd meegevoerd in totaal 18 stukken, waarvan zestien à 30 pond en twee à 8 pond;
(2) Voor een duidelijker idee van de toegepaste rechtsregels worden de volgende relevante bepalingen uit de Code Pénal weergegeven:
– Franse Wet op de Piraterij (1825):
Het voorgeschreven tarief voor schuldige kapiteins en officieren was een eeuwigdurende dwangarbeid en aan overige bemanningsleden een dwangarbeid van tijdelijke duur (art. 5);
– art. 15 van de Code Pénal (1810):
“Les hommes condamnés aux travaux forcés seront employés aux travaux les plus pénibles; ils traîneront à leurs pieds un boulet, ou seront attachés deux à deux avec une chaîne, lorsque la nature du travail auquel ils seront employés le permettra.”
De Nederlandse versie in het Wetboek van Strafregt van 1811 luidde als volgt: “De manspersonen, die tot dwangarbeid veroordeeld zijn, zullen tot de moeilijkste soorten van arbeid gebruikt worden; zij zullen met de voeten aan een kogel gekluisterd gaan, of twee en twee met een keten aan elkaar gesloten zijn, wanneer dit de aart van den arbeid waartoe zij gebruikt worden, toelaat.”

 

Geraadpleegd

– Black, Clinton V.: Pirates of the West Indies. Geïll. Cambridge University Press, 1989;
– Carse, Robert: De Gouden Tijd der Zeeroverij. 1959;
Code Pénal / Wetboek van het Strafregt. Amsterdam / Rotterdam, 1811;
– Dreux, Dick: De boekaniers. Geill. N.V., Amsterdam, 1964;
Encyclopaedie van Nederlandsche West-Indië. (Onder redactie van dr. H.D. Benjamins en Joh. F. Snelleman). Met 3 kaarten. Facsimile herdruk. Amsterdan, 1981;
Encyclopedie van Suriname. Amsterdam, 1977;
– Exquemelin, A.O.: De Americaensche zeeroovers. (bew. door R. Wijzenbroek). Geill. Uitg. Luitingh, Laren N.H.,1971;
– Kesler, C.K.: Boekaniers en Filibustiers, in: West-Indische Gids, Tiende jrg. 1928 / 1929. Elfde Deel. p. 65 t/m 88;
– Loi pour la sûreté de la navigation et du commerce maritime. (Piraterie). 10-11 avril 1825. Appendice au Code Pénal. Lois ṕénales spéciales;
– Menkman, W.R.: Zuidamerikaansche Piraterie en onze Bovenwindsche Eilanden voor Vijf Kwart Eeuw, in: West-Indische Gids, 25e jrg.,
(I): p. 65 t/m 80; (II): p. 97 t/m 116; (III-slot): p. 129 t/m 154;
– Menkman, W.R.: De Nederlanders in het Caraïbische Zeegebied. Geïll., Amsterdam, 1942;
– Nationaal Archief, Den Haag;
– Prud’homme van Reine, R.B.: Kapers en Piraten. HD Hilversum, 1996;
– Surinaamsche Courant van 17 oktober 1830 no. 83;
– Teenstra, M.D.: De landbouw in de Kolonie Suriname. Groningen, 1835. Eerste Deel. p. 69 t/m 72;
– Vlier, M.L.E. Beknopte geschiedenis der Kolonie Suriname. Amsterdam, 1863;
– Vrijman, L.C.: Kaapvaart en zeerooverij. Geill., Amsterdam. z.j.;
– Wolbers, J. Geschiedenis van Suriname. Facsimile herdr. Amsterdam, 1970. ISBN 90-6033-091-9;
– Wijnholt, M.R.: Strafrecht in Suriname. Deventer. 1965. Ac. Prf. RUL;

Dit artikel is een bewerking van “Vreemde zeeroverij voor het Hof”, dat verschenen is in: dagblad De West van donderdag 06 juni 2002, nr. 38445. Paramaribo. p. 3 en 12.

 

 

 

Surinaamsche Courant van 17 oktober 1830 no. 83 Mengelwerk
Ter gelegenheid van het vonnis tegen de kapitein A. Bariteaud en zijn bemanning, werd het volgende “welligt niet algemeen bekend gedicht van den Nederlandschen dichter “xxxxx” gepubliceerd:

DE ZEESCHUIMER
Gewis, hij sproot uit snood geslacht,
Van elk verworpen en veracht,
Smaad kleefde aan zijner ouderen haren;
Een beul stond hem in ‘t sterven bij
Die ‘t eerst, ten vloek der koopvaardij,
Om roof zich waagde op Nereus baren.
Waarom ontsloot gij niet uw kuil,
O zee! en zwelgde in d’open muil
Die schenders van uw vrije golven?
Waarom niet de eerste roovers kiel,
Met al ‘t geboefte, ontaart van ziel,
In ‘s monsters ingewand bedolven?
Hoe vrolijk danste uw golvend ruim,
Toen nog uw donzig zilver schuim
Slechts sneeuwde op rijke handel zeilen;
Of toen de vrede, aan ‘t er ijk dak
Ontvlugt, nog dartelde op uw vlak,
Geen ijsren vuist uw grond kwam peilen?
Meer er sloeg uw gezwollen borst,
Toen ‘t vreeslijk pleit van vorst met vorst
Zich donderend op uw ruim deed hooren;
Toen gij, zoo moedig op die vracht,
Hun trotsch getuigde watermagt
Zaagt zwieren langs beschuimde sporen.
Maar dubbele schand’ viel u ten deel,
Toen hebzuchts onverzaadbre keel
Om aas zich strekte langs uw baren;
Toen de onderdaan, in d’oorlogs brand,
Mee juichte, en sloeg aan roof de hand
En de eerste kiel om buit ging varen.
Was ‘t niet genoeg, ó roofgebroed!
Dat de oceaan zich verwde in bloed,
Ten o er aan den wrok der landen?
Dat voor de donders van ‘t metaal,
En ‘t bliksemen van ‘t oorlogs staal,
De handel kromp in enge stranden?
Moest gij, voor eer en glorie koud,
Niet om uw land, maar om het goud,
Bij ‘t oorlogs wee nog jamm’ren voegen?
En slaan uw’ schelmschen klaauw, verwoed,
In ‘t eerlijk verkregen goed
Van hen, die ‘t nuttig zeeveld ploegen?
Gij helden! leeuwen van de zee!
Die ‘t oorlogs staal rukt uit de schee,
Niet om te plundren, maar te strijden;
Moet gij, die land en volk verweert,
De roofvlag, die ten top onteert,
Naast uw doorluchte wimpels lijden?
Neen! rukt haar van de standaards af,
En schiet de kiel in ‘t gapend graf
Des zilten vloeds voor eeuwig neder;
Vliegt dan, waar u geen weerloos volk
Verwacht, maar ‘s vijands vuur en dolk,
Ontscheurt zijn’ helm den trotschen veder.
Dat’s eerlijk, dat is heldenmoed;
Dat kost mijn oog een’ tranenvloed;
Dat wekt mijn dank en hulde en liefde;
Maar schande en vloek zij hem gewijd,
Die, bang voor eerelijken strijd,
Het eerst om roof, de golven kliefde!

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter