blog | werkgroep caraïbische letteren
0
 

The Virgin Islands Dutch Creole Textual Heritage

Op woensdag 20 december 2017, sloot Cefas van Rossem, zes jaar na de start van zijn Promotiebeurs voor Leraren, zijn promotieproject af met de openbare verdediging van zijn proefschrift The Virgin Islands Dutch Creole Textual Heritage: Philological Perspectives on Authenticity and Audience Design aan de Radboud Universiteit te Nijmegen. Promotoren waren Pieter Muysken en Jan Noordegraaf. Hieronder Van Rossems zgn. ‘lekenpraatje’.

Prof. Pieter Muysken reikt de doctorsbul over.

Promotoren waren Pieter Muysken en Jan Noordegraaf. In de commissie zaten Nicoline van der Sijs (Radboud, Meertens), Peter Stein (Regensburg), Peter Bakker (Aarhus), Frans Hinskens (VU, Meertens), Kees Versteegh (Radboud, em.), Gijsbert Rutten (Leiden) en Silvia Kouwenberg (Jamaica). Verder op de foto derde van links prof. Michiel van Kempen (UvA) en geheel rechts prof. Pieter Seuren (Radboud).

Cefas van Rossem tijdens zijn lekenpraatje.

Met toestemming van het College van Decanen wil ik ter verkrijging van de graad van doctor aan de Radboud Universiteit Nijmegen mijn proefschrift, getiteld:
The Virgin Islands Dutch Creole Textual Heritage: Philological Perspectives on Authenticity and Audience Design
in het openbaar verdedigen.

 

In 1672, het jaar waarin de Republiek der Nederlanden het ‘Rampjaar’ kende, vertrok een flinke groep kolonisten onder Deense vlag naar het zogenaamd onbewoonde eiland St. Thomas, een van de neutrale Deense Antillen, die vanaf 1917 bekend zijn als de Amerikaanse Maagdeneilanden. Natuurlijk lag in deze periode de nadruk in de berichten vooral op de reizigers met een Europese achtergrond, over de slaven die met hen mee moesten reizen, weten we maar weinig.
In de volkstellingen van de jaren erna, is te zien dat ongeveer veertig procent van de kolonisten een Nederlandse achtergrond had, sterker nog, uit de vermelding van hun herkomst en hun achternamen is te zien dat ze vooral Vlaams en Zeeuws waren.

 

Niet speciaal uit Europa, veel van hen waren zelfs in het Caribisch gebied geboren.
Deze groep kolonisten was zo invloedrijk, dat hun taal tot ongeveer honderd jaar later dominant was op de Deense Antillen. Alleen overheidscommunicatie verliep in het Deens, maar daarbuiten was het normaal om Nederlands te gebruiken. We blijven echter met een groot probleem zitten, want aangezien het in deze tijd ongebruikelijk was om in de spreektaal te schrijven, is hun taal in niet in teksten bewaard gebleven.
De groep mensen die we hier niet mogen vergeten, staat op de inktzwarte bladzijden van de geschiedenis van deze eeuwen.

De in Afrika tot slaaf gemaakten vormden in de vroege kolonie meer dan de helft van de bevolking van St. Thomas. Per adres woonden evenveel tot slaaf gemaakten als kolonisten. Heel belangrijk om te weten is, dat de helft van alle inwoners als ‘kind’ genoemd wordt in de volkstellingen. Niet alleen met een Europese, maar ook van Afrikaanse en zelfs Indiaanse herkomst.

Vanwege de dominantie van Nederlandssprekenden en het relatief gelijke aantal slaven, vermoeden we dat de slaven in eerste instantie moeite hebben moeten doen het Nederlands te gebruiken. Maar wederom, op papier staat er niets, alleen demografisch onderzoek wijst hierop.

 

Graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf

In 1731 ontmoet de Graaf von Zinzendorf, de geestelijk leider van de Evangelische Broedergemeente, aan het Deense hof, een Maagdeneilander die, overigens in het Nederlands, vertelde graag zendelingen te ontvangen op de Deense Antillen. Een paar jaar later vertrokken de eerste twee zendelingen met een Nederlandse bijbel en later met Nederlandse spraakkunsten om de tot slaaf gemaakten te kerstenen.
Al snel blijkt dan dat het Nederlands niet de juiste taal is om met de tot slaaf gemaakten te communiceren en in 1736 schrijft een Duitse zendeling dat iemand moeite wil doen om het Nieuwe Testament in het Creools te vertalen. Het is de eerste vermelding van het woord Creools in relatie met taal.
Creools, daar draait het hier nu om, wil eigenlijk zeggen dat er sprake is van een NIEUWE taal. In 1672 bestond de taal nog niet, maar in 1736 wel. Creoolse talen zijn zeer verschillend van aard, maar er zijn wel wat overeenkomsten te zien tussen de talen die in de zeventiende en achttiende eeuw in het Caribisch gebied ontstaan zijn in de contacten tussen tot slaaf gemaakten en hun meesters.

 

Een vroege creoolse tekst (1742)

Al snel, vanaf 1735 besluiten de zendelingen, de Moravische broeders of Herrnhutters, zoals ze ook wel genoemd worden, om de slaven te leren lezen en schrijven, vanaf 1739 worden teksten door westerlingen in het Creools opgeschreven en vanaf 1742 worden er zelfs wat brieven gedrukt. In deze periode schrijven de Duitse zendelingen hun eerste Creoolse psalmboek en vanaf ongeveer 1760 verschijnen er boekjes met een christelijk karakter voor de slavengemeente.

 

Grammatica van het Virgin Islans Creools, 1770

In 1770 publiceert de Deen Magens een grammatica, de eerste van een Creooltaal, en in dezelfde periode schrijft Oldendorp een uitgebreide taalbeschrijving . Aan het eind van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw zien maar liefst drie vertalingen van het Nieuwe Testament het licht.

 

De taalbeschrijving van Oldendorp

Maar, in deze periode kondigt zich ook het eind van de taal aan. Het Engels wordt nu op de eilanden, waarschijnlijk onder invloed van de Verenigde Staten, zo belangrijk dat niet alleen het Nederlands, maar ook het Nederlands Creools lijkt te verdwijnen. ‘Lijkt’ want keer op keer, bijvoorbeeld in 1905, in 1923, in 1936 en in de jaren 60, 70 en 80 blijken er steeds toch sprekers te zijn.

 

 

De laatste, Mrs Alice Stevens, stierf in 1987, heeft verschillende onderzoekers geholpen meer over het ‘echte’ gesproken Creools te weten te komen.

 

Mrs Alice Stevens. Uitsnede uit foto door Jose Sabino van Robin Sabino en Alice Stevens, gepubliceerd in: Sabino, R. Language Contact in the Danish West Indies: Giving Jack his Jacket. Leiden: Brill, 2012. p. 206.

Het ‘echte’ Creools, want dat was natuurlijk de taal van de tot slaaf gemaakten en hun nakomelingen. Hoe dichter je bij de oorsprong van die taal kunt komen, dus hoe oudere teksten je kunt vinden, hoe meer je kunt zeggen over hoe dit soort talen eigenlijk ontstaan.
Is het bijvoorbeeld niet bijzonder dat we in het twintigste eeuwse Creools woorden tegenkomen die afkomstig lijken te zijn uit de taal van de eerste Vlaams/Zeeuwstalige kolonisten?

Sonda, manda, dissinda, wunsda, dondoda, satoda
In dit voorbeeld horen we Alice Stevens, maar zien we in ieder geval één woord dat uit de vroegste periode afkomstig moet zijn. Het is het woord Dissendag dat verwijst naar het zeeuws/westvlaamse dialectgebied van de vroegste kolonisten.

 


We hadden dus al teksten uit de vroege achttiende eeuw, maar in het Archief van de Evangelische Broedergemeente in Herrnhut, bleek nog een schat aan niet gepubliceerde teksten te vinden.
Deze teksten werden in de jaren ’90 van de vorige eeuw ingevoerd in een groot computercorpus om zo onderzoek te doen naar de vroegste stadia van nieuwe talen, van creooltalen.

 

Er was echter één heel groot probleem. Hoe authentiek zijn deze teksten eigenlijk? De teksten lijken zo Nederlands, zo gekunsteld, dat menigeen kanttekeningen bij deze boekentaal, zendelingentaal of zelfs ‘ongesproken’ taal zetten. En hier start het belangrijkste deel van mijn onderzoek.
Hoe kan ik aantonen dat deze teksten wél de taal bevatten zoals die gesproken is door de bewoners van de Deense Antillen? Ik volg hiervoor DRIE sporen.

 


1. Metalinguistisch commentaar
– in allerlei teksten geven zendelingen, maar ook anderen, aan welke taal nodig was om aan te sluiten op de bevolking. Zo vinden Nederlandstalige kolonisten dat niet het Deens, maar het Nederlands gebruikt moet worden in rechtszaken omdat driekwart van de bevolking Nederlands spreekt. Zendelingen schrijven waar welke taal gebruikt wordt en maken in brieven kritische kanttekeningen bij de taal in hun vertalingen.


2. Filologische informatie
– in teksten die door zendelingen geschreven zijn, staan vele veranderingen, waarvan we vermoeden dat ze niet alleen bedoeld zijn om overschrijffouten te herstellen. Toen in de jaren 90 het Creoolse materiaal gedigitaliseerd werd, hebben wij al deze veranderingen gemarkeerd, waardoor ik nu de aanpassingen makkelijk kon vinden, In mijn studie onderscheid ik de volgende:
– alternatieven, de vertaler geeft de lezer of voorlezer de keuze uit twee synoniemen en sluit zo aan op het publiek, zoals hieronder:

 

– woordvolgordeverandering, met behulp van cijfers geeft de vertaler aan dat een andere woordvolgorde beter aansluit op de lezer of luisteraar.

 


– vervanging van woorden, de vertaler geeft aan dat een woord niet goed genoeg is in deze situatie en dus vervangen moet worden door een ander
– toevoeging van informatie, de vertaler verstrekt informatie die het publiek nodig heeft om de tekst beter te begrijpen.

Het woord publiek valt al vaak, want heel belangrijk is het natuurlijk om te weten voor wie nu eigenlijk de veranderingen gedaan worden. Mijn derde spoor gaat dan ook over het publiek:

 


3. Audience design
Volgens Bell, die dit model ontwikkelde op basis van studie van stijlverandering van presentatoren in radioprogramma’s, is het publiek te verdelen in verschillende groepen op basis van hun relatie met de spreker, en in mijn geval, de schrijver.
De groepen die voor mijn onderzoek het belangrijkst lijken te zijn zijn de volgende:

 


De auditors. Dit is in mijn geval de grootste groep binnen de gemeente. Zij spreken Creools, maar niet altijd als moedertaal. De schrijver houdt rekening met hen door taalgebruik aan te passen, maar ook in zijn keuze van de teksten die hij gebruikt.
Heel belangrijk is de groep die los lijkt te staan van het publiek, maar die invloed heeft vanuit de Evangelische Broedergemeente, vanuit de traditie van vertalen en vanuit de afspraken onder zendelingen. Het gaat hier om de referees. Of zij Creools spreken is niet belangrijk: vanuit deze groep komt juist de druk om de sprekers van het Creools te onderwijzen en om termen en formules te gebruiken die in de oorspronkelijke Duitse, Engelse of Nederlandse tekst voorkomen.
Op basis van deze gegevens zie ik het volgende gebeuren. De taal die ogenschijnlijk niet-natuurlijke, boekentaal is, zit vol aanwijzingen waardoor de gesproken Creooltaal schemert. De gekozen spelling van de zendelingen, die kenden ze van het Nederlands, Duits of Deens, versluiert de spreektaal. Metalinguistisch commentaar toont een zeer welwillende houding om aan te sluiten op het publiek van Creoolssprekenden, het gebruik van zeer Europese, liturgische termen lijkt onder invloed van de referee en veranderingen in de tekst zijn over het algemeen in de richting van de taal die we bij de auditors zouden verwachten. En dat is de taal die we kennen van 1923, van 1936 en van de jaren tot 1987.
Soo as mi ka leer van die Creol sender, zoals ik geleerd heb van de Creolen, zei een van de Duitse vertalers in een inleiding. Een prachtige aanwijzing voor het streven van de vertaler naar authentiek Virgin Islands Dutch Creole.

Na deze samenvatting van mijn proefschrift gegeven te hebben, geef ik het woord terug aan u, rector.

 

 

 

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter