blog | werkgroep caraïbische letteren

Servus: De slavernij op de Franse Antillen

Vertelling over de slavernij op de Franse Antillen

Het onderstaande fragment is een kleine voorpublicatie uit het boek Servus dat Fred de Haas, de auteur, in voorbereiding heeft. Een belangrijk deel van het boek is gericht op de Franse Antillen (Haïti, Martinique, Guadeloupe) waarover in het Nederlands weinig of niets is gepubliceerd.  Het boek is geschreven naar aanleiding van de terugkerende herdenkingen van de slaventijd. Wij laten de auteur even zelf aan het woord en publiceren eerst een klein fragment uit de Inleiding:

[…] Daarom heeft herdenken zin. Op scholen alsjeblieft meer dan eens per jaar. Kinderen moeten immers weten waartoe de mens in staat is. Niet alleen in Suriname. Niet alleen in Curaçao. Niet alleen in Nederland. Maar overal.

 

Révolte Générale des Nègres. Massacre des Blanca (Anoniem).

 

Vandaar deze poging om in kort bestek en vogelvlucht in woord en beeld een verhaal te vertellen van macht en onderdrukking. Zonder te zoeken naar sensatie en met een focus op Europa en het Caribische gebied. Een vertelling die zo dicht mogelijk bij de werkelijkheid ligt.

De auteur hoopt dat er leraren zijn die, misschien naar aanleiding van deze vertelling, de kinderen aan de hand zullen meenemen buiten de grenzen van hun eigen biotoop om hun te laten zien hoe verknipt een mens kan denken en hoe geschiedenis bewust of onbewust kan worden aangewend om ons te hersenspoelen.

Om hun te laten zien dat helden soms geen echte, nobele helden zijn, maar ook oorlogsmisdadigers. Hoe kunstenaars aandacht kunnen hebben voor hun onderwerp en soms niet voor het leed dat in hun compositie schuil kan gaan.

En vooral om hun te leren dat ze kritisch moeten zijn. Geen ja en amen te zeggen. Om argumenten moeten vragen. En hoe ze hypocrieten aan de schandpaal kunnen nagelen.

Daarom heb ik onderstaand ‘vademecum voor de slavernij’ geschreven Ik heb gepoogd om drijfveren bloot te leggen en relevante verbindingen met het heden te leggen.

Misschien is het een beetje gelukt.

Tot zover dit fragment uit de Inleiding.

1.

Het eerste fragment beschrijft gebeurtenissen die zich afspelen op Saint-Domingue, de vroegere, koloniale naam van het tegenwoordige Haïti.  De gebeurtenissen vinden plaats in de tijd van de Franse Revolutie (1789) en de Napoleontische tijd, aan het begin van de 19e eeuw. De slavernij is afgeschaft door de revolutionaire vergadering van de Franse Republiek in 1794, maar Napoleon vond dit niet zo’n goed idee en zoekt wegen om de macht van de zwarte leider-gouverneur Toussaint Louverture te beteugelen:


De huidige Republiek Haiti, met een oppervlakte zo groot als België, was vroeger een Franse kolonie met de naam Saint-Domingue. Het was het derde deel van het eilandgebied dat Columbus ‘Hispaniola’ (= Isla española) had gedoopt.  In 1697 was Frankrijk bij de Vrede van Rijswijk ‘eigenaar’ geworden van Saint-Domingue dat een bloedige geschiedenis zou kennen van slavernij en revolutie.

De eerste grote revolutie vond plaats in 1791. Aanstichters waren de Creolen Boukman, Jean-François en Biassou. Er ontstond een burgeroorlog naar aanleiding van een decreet dat het Franse staatsburgerschap erkende ‘van gekleurden die geboren zijn uit vrije vaders en moeders’. In die burgeroorlog vielen 100.000 slachtoffers, waaronder 2000 blanken. De Franse Assemblée stuurt in 1792 nieuwe troepen om de orde te herstellen. Er komen ook nieuwe commissarissen onder wie Léger-Félicité Sonthonax.

 

Ign. Fréd. De Mirbeck, Commissaire National, Délégué Par Le Roi, à St. Domingue, 22 Xbre 1791

Hoewel Sonthonax eigenlijk de slavernij wilde handhaven, moest hij hiervan afzien. Er was teveel onrust. Mulatten en vrijgelatenen eisten gelijkstelling met de blanken. De slaven wilden hun vrijheid. Bovendien werd Saint-Domingue aangevallen door Engeland en Spanje en was het grootste deel van het land bezet.
Toussaint Louverture die aanvankelijk de kant van de Spanjaarden had gekozen, koos de kant van Sonthonax. Deze besluit op 21 juni tot vrijlating van de slaven die geacht werden te zullen vechten voor de Franse Republiek. Op 29 augustus 1793 schaft hij de slavernij af voor alle slaven van het Noordelijk deel van Saint-Domingue waarover hij het gezag voert. Zijn proclamatie is gesteld in het Frans en in het Creools. Slaveneigenaars krijgen een schadevergoeding.
Een fragment uit de proclamatie:

‘De Franse Republiek wil de vrijheid en gelijkheid tussen alle mensen zonder onderscheid van kleur…Maar denk niet dat de vrijheid die jullie gaan genieten een toestand van nietsdoen en luiheid is. In Frankrijk is iedereen vrij en iedereen werkt…De vrijheid brengt jullie van niets naar een echt bestaan, toon je dit echte leven waardig…’.

Dat is de paternalistische toon die we ook later zullen aantreffen bij de verschillende proclamaties die de afschaffing van de slavernij zullen aankondigen in de Franse koloniale gebieden en de eveneens gekoloniseerde ‘Nederlandse Antillen’ en Suriname.

 

19de-eeuwse gravure van Toussaint Louverture

 

Intussen was Toussaint Louverture op het politieke toneel verschenen.  Toussaint had zijn naam te danken aan de bres (ouverture = opening) die hij kennelijk steeds wist te slaan in het leger van zijn tegenstander. Hij werd geboren in Cap op de plantage Bréda. Zijn baas, de procureur François Bayon de Libertat, behandelde hem goed. Hij werd karrevoerder en dierenverzorger. Hij had wat leren lezen en schrijven, iets uitzonderlijks voor die tijd en in die omstandigheden. Later zou Toussaint ook bij de lessen van zijn zoons komen zitten om er iets van op te steken. Toussaint was klein van stuk (1.50 meter) en een formidabele ruiter. Zijn grootste zwakheid was zijn ijdelheid, een eigenschap die hem later noodlottig zou worden.

Net als veel andere vrijgelaten slaven had Toussaint zelf (na zijn vrijlating in ± 1776) ook slaven werken op de plantages die hij via zijn vrouw in bezit had gekregen. Toussaint was dus achtereenvolgens slaaf, vrijgelatene en slavenhouder.

Toen alle slaven eenmaal vrij waren, kwam er gebrek aan werkkrachten (men wilde begrijpelijkerwijs niet meer op de plantages werken). Toussaint probeerde toen vanaf 1799 slaven te kopen bij Britse handelaren. Die slaven liet hij vrij maar verplichtte ze wel om op zijn plantages te werken. Hij noemde ze ‘cultivateurs’ (horige boeren die half vrij, half slaaf waren). Zij kregen ¼ deel van de oogst (vroeger kregen ze 1/3). Enigszins opportunistisch was deze manier van doen dus wel. Maar zo zit de mens nu eenmaal in elkaar.
Toussaint timmerde flink aan de weg. In 1793 gaf hij de volgende verklaring uit:

‘Broeders en vrienden. Ik ben Toussaint Louverture; mijn naam is misschien tot jullie doorgedrongen. Ik heb mij voorgenomen mijn ras te wreken. Ik wil dat er vrijheid en gelijkheid heersen op Saint-Domingue. Ik werk aan de totstandkoming hiervan. Verenigt u, broeders, en strijdt met mij voor dezelfde zaak. Ontwortel samen met mij de boom van de slavernij’.

Inmiddels waren Du Belley, Mills en Dufay als afgevaardigden van Sonthonax naar Parijs gestuurd om de Franse Assemblée (de Convention) in te lichten over het reilen en zeilen van de kolonie en om officiële goedkeuring van zijn besluit tot afschaffing van de slavernij in Saint-Domingue te krijgen. Dat lukte. De Conventie steunt de afschaffing om op die manier de bevolking te kunnen mobiliseren tegen de Engelsen die de kolonie binnenvielen.
Het decreet van 4 februari 1794 kent de eigenschap van Frans burger toe aan iedereen die gevestigd is in de kolonie, zonder onderscheid van kleur. Zij zullen de rechten krijgen die door de Grondwet worden toegekend. Dit wordt uitbundig gevierd en de Franse kunstenaar Nicolas-André Monsiau maakt er in 1794 een fraaie, maar allesbehalve realistische tekening van.

 

 

De tekening toont de blijdschap en de opwinding die zijn gewekt door het besluit van de Convention. De Assemblée zetelt in het kasteel van de Tuilerieën. De voorzitter spreidt zijn armen in de richting van Dufay die zojuist het woord heeft genomen, gevolgd door Belley en Mills.  Op het podium zit een zwarte vrouw. Voor het spreekgestoelte verdringen zich talrijke zwarte mensen van allerlei leeftijden. Let op de hoge kapsels van de zogeheten ‘signares’ (een woord afgeleid van het Portugese ‘senhoras’), de gekleurde vrouwen van hoge sociale rang afkomstig uit Saint-Louis in Senegal. De kleding van de mensen uit de kolonie is niet bepaald geschikt voor de Europese winter. Het is februari.

Anarchie in Saint-Domingue

In Saint-Domingue heerst anarchie. Tienduizend blanken verlaten het eiland om zich te vestigen op de Engelse eilanden, Cuba of Louisiana. Op Guadeloupe maakt de Franse Commissaris Victor Hugues de afschaffing van de slavernij bekend maar zonder deze werkelijk door te voeren. De ‘vrijgelatenen’ moeten gewoon dwangarbeid verrichten op de plantages.

In Frankrijk was Napoleon Bonaparte door een staatsgreep aan de macht gekomen en hij was druk bezig om zijn macht over Europa uit te breiden. Overzee zat hij in zijn maag met Toussaint die door blanke vertrouwelingen een nieuwe Grondwet had laten schrijven. In zijn Grondwet werd het katholicisme de enige officiële godsdienst, er kwam een nieuwe administratieve indeling, er werden rechtbanken en gemeenteraden ingesteld en er kwam een streng wetboek van strafrecht.
Maar Toussaint was duidelijk voorbarig te werk gegaan. Wat hij had gedaan was in Franse ogen illegaal. De ambassadeur van Frankrijk in de VS had de Grondwet van Toussaint een ‘meesterwerk van brutaliteit’ (‘un chef d’oeuvre d’impertinence’) genoemd en had zo’n vermoeden dat Toussaint bezig was de onafhankelijkheid voor te bereiden.

 

Generaal V.E. Leclerc, door F.J. Kinson, 1804

Napoleon stuurt Leclerc

 

Na lang wikken en wegen besluit Napoleon om die eigenwijze Toussaint te schrappen uit de lijst van legeraanvoerders en een expeditie naar Saint-Domingue te sturen.  Napoleon koos de 29-jarige Victoire Emmanuel Leclerc, zijn zwager, als leider van de expeditie naar Saint-Domingue. Leclerc was getrouwd met Pauline Bonaparte, een zus van Bonaparte en een lichtzinnige vrouw met wie hij in Italië drukdoende achter een scherm was aangetroffen. Napoleon had hem vervolgens gedwongen om met zijn zus te trouwen.

Leclerc was niet goed op de hoogte van de geografische situatie op Saint-Domingue dat hij verwarde met Egypte. Hij bestelde, bijvoorbeeld, een aantal dromedarissen voor het leger (die hij natuurlijk niet kreeg). Ze waren, ondanks de helse ervaringen in Egypte (wollen uniformen in juli, onvoldoende voedsel, uitdroging, diarree, ziekte en Arabische guerrillatactieken) ook niet voorbereid op de situatie in Saint-Domingue (geen regencapes, niet genoeg schoenen, geen hoeden tegen de zon, etc).

 

Pauline Bonaparte, door Robert Lefèvre, 1806

 

Napoleon’s strategie was gebaseerd op list en kalmte. Leclerc moest komen als vriend en vervolgens alle zwarte officieren deporteren, de bevolking ontwapenen en de oude koloniale orde herstellen. Hij had ook een proclamatie laten schrijven in het Frans en het Creools waarin hij zei dat iedereen, ongeacht zijn kleur vrij en gelijkwaardig was voor de Franse Republiek en voor God.
Pauline die net van plan was om het aan te leggen met een Franse acteur moest met Leclerc mee naar Saint-Domingue. Ze zei: ‘Hoe kan mijn eigen broer zo wreed zijn om me te verbannen te midden van wilden en slangen’? ‘Comment mon propre frère peut-il être assez cruel pour m’exiler au milieu des sauvages et des serpents’?

Later, toen hij als banneling op Sint-Helena zat, vertelde Napoleon dat hij de Grondwet van Toussaint een belediging had gevonden. Indertijd had hij gezegd: ‘Ik zal niet rusten voordat ik de epauletten van de schouders van alle zwarten heb gerukt’.

Leclerc tegen Toussaint

Leclerc, aangekomen in Saint-Domingue, begint zijn campagnes en wint terrein, ondanks verschrikkelijke moeilijkheden (regen, hitte, schorpioenen, spinnen, duizendpoten, moerassen, natte uniformen, blote voeten, onbekend terrein). Toussaint laat korte verrassingsaanvallen uitvoeren en past de tactiek van de verschroeide aarde toe. Hij schreef aan Dessalines : ‘faites tout anéantir et tout brûler’ ( = laat alles vernietigen en afbranden).
Leclerc beschikt nog maar over 4000 man en moet zelf een militaire operatie leiden. Hij voert een schrikbewind. Duizenden verdachten werden op zijn bevel op zee verdronken. De Franse generaal Boyer bleef niet achter en hing tientallen vrijheidsstrijders op, goed zichtbaar voor iedereen. Een matroos kenschetste die maatregelen als: ‘indignes du nom français bienque les victimes ne fussent que des nègres’ (= de Franse reputatie onwaardig ook al waren de slachtoffers maar negers).
Die massaverdrinkingen waren overigens niets nieuws. Ook Louverture had hiervan gebruik gemaakt. De nog loyale, uit zwarte soldaten bestaande koloniale troepen begonnen over te lopen omdat Leclerc zowel schuldigen als onschuldigen verdronk.
Ook Augustin Clervaux en Alexandre Pétion liepen over naar de ‘rebellen’. Christophe meldde zich bij de marronleider Petit Noël Prieur bij Cap.

Niet alleen de Fransen, maar ook de rebellen begingen misdaden: De marron Lamour Derance hield ervan om de ogen van zijn gevangenen uit te rukken.
Leclerc gaf opdracht om de halve 6e koloniale brigade te verdrinken: 1200 man, onder wie de vrouw en kinderen van Paul Louverture, die uit wraak 32 Franse gevangenen ophing.

 

 

Henri Christophe (1767-1820), door Richard Evans, 1816

Uiteindelijk sloot Louverture vrede. Leclerc nodigde hem uit voor een diner met Christophe, Dessalines, Pétion en Jean-Pierre Boyer.  In minder dan drie maanden had Leclerc Saint-Domingue heroverd.

2.

Het tweede fragment gaat over de afschaffing van de slavernij door Nederland. De auteur (zie boven) heeft al gewezen op het bevoogdende toontje waarop de Franse bestuurders in hun proclamaties de slavernij ‘afschaften’. Dat toontje horen we ook bij de Nederlanders.

Ook in Nederland zijn er mensen geweest die, net als de Franse en Engelse abolitionisten, in de eerste helft van de negentiende eeuw hun stem hebben verheven tegen de slavernij.  In Nederland publiceert Wolter Robert van Hoëvell in 1855 zijn boek Slaven en Vrijen onder de Nederlandsche wet. In die tijd wordt er in de Tweede Kamer gedebatteerd over de afschaffing van de slavernij. Van Hoëvell is zelf nooit in Suriname geweest, maar baseert zich op bronnen die anoniem moeten blijven omdat zijn informanten zich anders aan ‘tallooze onaangenaamheden’ zouden blootstellen. Hij vindt het een schande dat er nog slavernij is in een land dat pretendeert christelijk te zijn.

Overigens zou Van Hoëvell vandaag de dag, gezien zijn opvattingen, voor racist en antisemiet zijn versleten net als de Fransman Joseph-Arthur de Gobineau die in 1855 zijn Essai sur l’inégalité des races (= essay over de ongelijkheid van de rassen) publiceert. Gobineau betoogt in zijn geschrift dat, ondanks de afschaffing van de slavernij, er toch hiërarchisch verschil van ras zou blijven bestaan. Volgens hem is alleen een aristocraat van zuiver en superieur ras. Mestiezering vindt hij schadelijk voor de beschaving. Zwarten kunnen niet denken omdat ze niet intelligent zijn. Hij vindt wel dat negers bij uitstek artistieke figuren zijn. Om die talenten enige waarde toe te kennen zijn er Blanken nodig.  Er is maar één geschiedenis en dat is die van het blanke ras.

Het is maar dat we het weten.

In 1863 liet gouverneur-generaal (Papiaments: ‘Shon Grandi’) J.D. Crol een afkondiging uitgaan. In de proclamatie, gericht aan ‘Curaçao en Onderhorigheden’, werd op paternalistische wijze bekend gemaakt dat de slavernij door Nederland was afgeschaft. De toon van de afkondiging was er een die je, afgezien van de bewoordingen, zou aanslaan tegen kinderen. Een fragment van de Proclamatie in modern Nederlands luidt als volgt:

[…] Vanaf nu bent u vrij mens en maakt u deel uit van de maatschappij als ingezetenen van de kolonie. Ik wens u van harte geluk met het geschenk dat de Koning u met vaderlijke zorg heeft gegeven; u mag hier echt blij om zijn, maar u moet ook bewijzen dat u dit voorrecht waard bent.

Er zal van deze Proclamatie een vertaling in de landstaal worden gemaakt.

 

 

Gouverneur-generaal van Curaçao J.D. Crol, foto uit 1859

In de landstaal zag het er in de Hollands-Spaanse spelling van toen als volgt uit:

‘Foor di awé boso nan te heende liber i boso ta dreenta deen sociedad como habitantes liber die es kolonia aki.
Di henteer mi koerazon mi ta doena boso pa biën di ees boondad, koe Rey a doena boso deen soe kwidao di oen tata; koe senceridad boso poor ta konteentoe koe ees boondad,- ma boso nan meester moestra boso digno die es faboor’.

Artikel 6 bepaalde de vergoeding aan de eigenaren:

‘De tegemoetkoming voor de slaven, zonder onderscheid van ouderdom of geslacht, wordt bepaald als volgt: ‘voor die op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Eustatius en Saba voor ieder hoofd op f 200’. Enzovoort.

Voor een goed begrip: 200 gulden in 1863 is ruim 2000 euro in 2017.

In 2003 heeft de Curaçaose dichter Elis Juliana die proclamatie gepersifleerd in het volgende gedicht:

PROKLAMASHON
(1 di Yüli 1863-2003)

Pa bondat di Reino
Ami Gran Poderoso
Sin remordimiento
Di kulpabilidat
Den ningun ladronisia
Den negoshi humano,
Sin mi kurason bati
Ta regalá boso awe
Sin kobra un sèn chikí
Pa tur e bondat
Durante dos siglo,
Ku forsa inmediato
Boso LIBERTAT
Kòrda semper si
Ku ta Yu boso tabata
I Yu boso ta keda
Te dia galiña Gueni
Saka djente di koper
Pone webu di oro
Den nèshi kolonial
Di kouchi hulandes

 Elis Juliana, 2003 PROCLAMATIE
(1 juli 1863 – 2003)

Ik Oppermachtig Heer schenk jullie heden,
Uit de goedheid des harten
Van mijn Koninkrijk,
Zonder wroeging,
Zonder schuldgevoel
Over enige diefstal door ons begaan
In het menselijk bedrijf,
Zonder hartkloppingen,
Zonder ook maar één rooie cent te vragen
Voor twee eeuwen
Van tentoongespreide goedheid,
Met ingang van nu
Jullie VRIJHEID.
Vergeet nooit dat jullie Kinderen waren
En Kinderen zullen blijven
Tot de dag waarop de kinderen
Van de als kippen verhandelde slaven
Koperen tanden krijgen en
Gouden eieren leggen
In het koloniale nest
Van de Nederlandse kooi.

Vertaling: Fred de Haas

Terwijl in vele landen de slaven waren vrijgelaten, kon je in 1886 in de Braziliaanse kranten nog het volgende bericht tegenkomen:

In het Nederlands: ‘De volgende slaven zijn gevlucht van Landgoed Boa Vista op 20 juni 1886: Simon, 25 jaar, zwart, van gemiddelde lengte, zonder baard en zonder tanden, heeft maar twee vingers aan de rechterhand (wijsvinger en duim) en een uitstulping aan de linkerzij.
Gregorio, 25 jaar, een Fula neger, zonder baard, zonder voortanden, slanke benen.
Wie ze overlevert aan Manoel Francisco Silveira bij bovenstaand landgoed krijgt 100.000 realen voor elke vluchteling’.

De slavernij mocht dan wel in de meeste landen zijn afgeschaft, maar de mentaliteit en het gevoel van superioriteit zijn tot op de dag van vandaag niet verdwenen. De koloniale geest blijft nog jaren springlevend. Men is er nog steeds van overtuigd dat de gekoloniseerde volken van geluk mogen spreken dat ze de beschavende invloed mochten ondergaan van de koloniale heersers.
We zullen dit fenomeen eens onderzoeken aan de hand van beelden uit het eind van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw. Het beschaafde land waar deze beelden vandaan komen? Frankrijk! Fasten your seatbelts!

Your comment please...

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter